Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.8.7.4
3.8.7.4 Voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399607:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Craig 2012B, p. 567; Jans e.a. 2011, p. 157; De Vos 2011, p. 110.
Zie Craig 2012B, p. 550-556; Jans e.a. 2011, p. 157; De Vos 2011, p. 89-182; Tridimas 2006, p. 252-259.
Zie Craig 2012B, p. 556- 567; Jans e.a. 2011, p. 157; Ortlep 2011, p. 338 e.v.; Ortlep 2007, p. 225-232; Tridimas 2006, p. 284-285; Schonberg 2000, p. 64-106.
Zie bijvoorbeeld HvJEU 17 maart 2011, C-221/09 (AJD Tuna), n.n.g., r.o. 72 waarin het Hof overweegt dat nauwkeurige, onvoorwaardelijke, onderling overeenstemmende inlichtingen een bron van gerechtvaardigd vertrouwen kunnen vormen, ongeacht de vorm waarin zij worden meegedeeld. Er moet echter wel sprake zijn van concrete toezeggingen. Zie Jans e.a. 2011, p. 157-158; De Vos 2011, p. 110; Schonberg 2000, p. 122-123 en 141.
Het begrip soft law wordt uitgebreid besproken in hoofdstuk 4.
Craig 2012B, p. 578 e.v.; Jans e.a. 2011, p. 157; Schonberg 2000, p. 121. HvJEG 5 juni 1973, 81/72 (Commissie/Raad), Jur. 1973, p. 575, r.o. 10 en HvJEG 30 januari 1974,148/73 (Louwage), Jur. 1974, p. 81, r.o. 12. Zie ook HvJEU 2 december 2010, C-464/09/P (Holland Malt BV), Jur. 2010, p. 1-12443, r.o. 46 over de gebondenheid van de Europese Commissie aan de staatssteunrichtsnoeren op grond van het vertrouwens-, rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel. Zie hieromtrent verder hoofdstuk 4, paragraaf 4.4.4.2.
Zie HvJEU 17 maart 2011, C-221/09 (AJD Tuna), n.n.g., r.o. 72, waarin het Hof overweegt dat het moet gaan om van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstige inlichtingen.
Zie Jans e.a. 2011, p. 158; De Vos 2011, p. 110. Zie ook HvJEG 28 oktober 2004, C-164/01P (Van den Berg), Jur. 2004, p. 1-10155, r.o. 69.
Zie hieromtrent uitgebreid hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.15.
Zie paragraaf 5.7.15.
Zie De Vos 2011, p. 110-111.
Zie Ortlep 2011, p. 340.
Zie Craig 2012B, p. 570-572; Jans e.a. 2011, p. 159; Ortlep 2011, p. 340-341; De Vos 2011, p. 112-116, Schonberg 2000, p. 127. Zie bijvoorbeeld HvJEU 17 maart 2011, C-221/09 (AJD Tuna), n.n.g., r.o. 73 en HvJEG 22 juni 2006, gevoegde zaken C-182/03 en C-217/03 (België en Forum 187/Commissie), Jur. 2006, p. 1-5479, r.o. 147.
Craig 2012B, p. 571; Jans e.a. 2011, p. 159.
Zie Jans e.a. 2011, p. 159; Addink 1999, p. 149; Gerrits-Janssens 2001, p. 91. 218.
In het arrest GvEA 13 maart 2003, T-340/00 (Comunita montana della Valnerinafitalië), Jur. 2003, p. II-811, r.o. 55 wordt gesproken van een voorzichtig en bezonnen marktdeelnemer. Zie voorts Jans e.a. 2007, p. 168.
HvJEG 22 juni 2006, gevoegde zaken C-182/03 en C-217/03 (België en Forum/Commissie), Jur. 2006, p.1-5479, r.o. 147; HvJEG 11 maart 1987, 265/85 (Van den Bergh en Jurgens en Van Dijk Food Products Lpik/Commissie), Jur. 1987, p. 1155, r.o. 44.
HvJEG 12juli 1989, 161/88 (Binder), Jur. 1989, p. 2415. Zie ook HvJEG 28 juni 1990, C-80/89 (Behn), Jur. 1990, p. 1-2659, r.o. 14-18.
HvJEG 28 juni 1990, C-80/89 (Behn), Jur. 1990, p. 1-2659, r.o. 17.
Jans e.a. 2011, p. 160-161; Ortlep 2011, p. 341.
GvEA 7 november 2002, gevoegde zaken T-141/99, T-142/99, T-150/99 en T-151/99 (Vela en Tecnagrind), Jur. 2002, p. 4547; GvEA 26 september 2002, T-199/99 (Sgaravatti Mediterranea). Jur. 2002, p. Et-3731; HvJEG 12 december 1985, 67/84, (Sideradria/Commissie), Jur. 1985, p. 3983, r.o. 21; GvEA 24 april 1996, gevoegde zaken T-551/93, T-231/94-T-234/94 (Industrias Pesqueras Campos), Jur. 1996, p. Et-247, r.o. 76; GvEA 29 september 1999, T-126/97 (Sonasa/ Commissie) Jur. 1999, p. II-2793, r.o. 34; GvEA 16 september 1999, T-182/96 (Partex/Commissie), Jur. 1999, p. Et-2673, r.o. 190 (hogere voorziening afgewezen bij beschikking HvJEG 8 maart 2001, C-465/99P, niet gepubliceerd); GvEA 15 september 1998, T-142/97 (Branco/Commissie), Jur. 1998, p. Et-3567, r.o. 97 en 105 (hogere voorziening afgewezen bij beschikking HvJEG 12 november 1999, C-453/98P, Jur. 1999, p.1-8037); GvEA 19 maart 1997, T-73/95 (Oliveira), Jur. 1997, p. Et-381, r.o. 28. Zie ook HvJEG 16 mei 1991, C-96/89 (Commissie/Nederland), Jur. 1991, p. 1-2461, r.o. 30 waarin het ging om een douanezaak en het Hof oordeelt dat een onderneming ten opzichte van de nationale autoriteiten geen beroep kan doen op het beginsel van gewettigd vertrouwen indien zij zich schuldig heeft gemaakt aan een kennelijke schending van de geldende regeling. Zie ook De Vos 2011, p. 118.
HvJEG 1 april 1993, gevoegde zaken C-31/91-C-44/91 (Lageder), Jur. 1993, p. 1-1761, r.o. 38. In deze zaak ging het om de navordering van monetair compenserende bedragen.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.8.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 4 mei 2006, 508/03 (CommissieNerenigd Koninkrijk), Jur. 2006, p. 1-3969, r.o. 68; HvJEG 3 maart 1982, 14/81 (Alpha Steel), Jur. 1982, p. 1-729, r.o. 10 en 28-31; HvJEG 27 april 1978, 90/77 (Hellmut Stimmung), Jur. 1978, p.1-995, r.o. 6. Zie Jans e.a. 2011, p. 161; Schonberg 2000, p. 128-129; Widdershoven 1994, p. 3.
Jans e.a. 2011, p. 161.
De Vos 2011, p. 121.
Zie GvEA 24 april 1996, gevoegde zaken T-551/93, T-231/94-234/94 (Industrias Pesqueras Campos), Jur. 1996,H-247, r.o. 76. Vergelijk Ortlep 2011, p. 342; De Vos 2011, p. 121; Widdershoven 1994, p. 3.
Zie HvJEU 7 april 2011, C-153/10 (Sony), n.n.g., r.o. 47; HvJEG 16 maart 2006, C-94/05 (Emsland-Störke), Jur. 2006, p. 1-2619, r.o. 31. Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 161-162; De Vos 2011, p. 118 e.v.; Gorissen 2008, p. 222; De Moor-van Vugt 1993, p. 94.
Zie voor een voorbeeld waarin het Gerecht overweegt dat handelen van de Commissie in strijd met de Europese regelgeving niet tot gewettigd vertrouwen kan leiden GvEA 16 oktober 1996, T-336/94 (Efisol), Jur. 1996, p. 11-1343, r.o. 36.
HvJEG 15 december 1982, 5/82 (Maizena), Jur. 1982, p. 4601.
HvJEG 26 april 1988, 316/86 (Krticicen), Jur. 1988, p. 2213.
In deze paragraaf wordt kort besproken aan welke voorwaarden moet zijn voldaan, wil een beroep op het vertrouwensbeginsel kans van slagen hebben. Allereerst moet sprake zijn van een vertrouwenwekkende handeling. Met andere woorden: wat is de bron van het gerechtvaardigd vertrouwen? Het kan hierbij in de eerste plaats gaan om regelgeving en individuele besluiten.1 Men mag vertrouwen op de continuïteit en bestendigheid daarvan, zodat het vertrouwensbeginsel grenzen stelt aan de invoering van wetgeving met terugwerkende kracht2 en de intrekking van begunstigende besluiten.3 In de tweede plaats kunnen ook toezeggingen, inlichtingen, beleidsregels, overeenkomsten, een vaste praktijk en soms ook het stilzitten van het bestuur vertrouwen wekken.4 Dit betekent dat ook Europese soft law5als bron van gerechtvaardigd vertrouwen wordt aangemerkt.6
Een tweede belangrijke vraag is: door wie is de verwachting gewekt? Zowel de Europese instellingen als nationale uitvoeringsorganen kunnen gerechtvaardigde verwachtingen wekken.7 Een nationaal uitvoeringsorgaan kan echter geen gerechtvaardigde verwachtingen wekken ten aanzien van de uitoefening van bevoegdheden door de Europese instellingen, bijvoorbeeld de Europese Commissie.8 Deze regel heeft in het bijzonder betekenis in het kader van de terugvordering van onrechtmatige staatssteun,9 waarop in hoofdstuk 5 nog uitgebreid wordt teruggekomen.10 Verder is een Europese instelling niet gebonden aan standpunten van één van zijn ambtenaren die zijn bevoegdheden overschrijdt.11
Ten derde dient het gewekte vertrouwen gerechtvaardigd te zijn.12 In dat kader hecht het Hof van Justitie veel waarde aan de (geobjectiveerde) deskundigheid van de betrokken marktdeelnemer bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel.13 Indien vertrouwen is gewekt door onrechtmatig handelen van een overheidsorgaan bijvoorbeeld door het verstrekken van onjuiste informatie, levert dit in het algemeen geen gerechtvaardigd vertrouwen op indien de marktdeelnemer de onrechtmatigheid redelijkerwijs had moeten kunnen ontdekken.14 Het Hof van Justitie gaat daarbij altijd uit van een bovengemiddelde deskundigheid van de marktdeelnemers.15 De behoedzame ondernemer en de professionele marktdeelnemer zijn voor het Hof van Justitie maatgevend.16 Bij een deskundige marktdeelnemer levert een toezegging minder snel een gegronde verwachting op. Daarbij komt dat het Hof van Justitie meermalen heeft overwogen dat indien een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige communautaire maatregel kan voorzien, hij zich niet op het vertrouwensbeginsel kan beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld.17 Het arrest Binder is een voorbeeld van een zaak waarin de deskundigheid van de desbetreffende marktdeelnemer ertoe leidde dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet werd gehonoreerd.18
Het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan had in die zaak de invoerrechten vastgesteld tegen het preferentiële tarief van 10,4%; een percentage dat de Commissie had voorgesteld, maar nooit was aangenomen. Het geldende tarief bedroeg 13%. Het Hof van Justitie overweegt dat Binder een professionele marktdeelnemer is, met als voornaamste werkgebied de in- en uitvoer. Een dergelijke onderneming kan met betrekking tot het toe te passen tarief geen gewettigd vertrouwen ontlenen aan het bestaan van het voorstel van de Commissie, waarin dit tarief is vermeld, en aan de opneming ervan in een nationaal gebruikstarief. Het lijkt volgens het Hof niet onredelijk om van die marktdeelnemer te verlangen dat hij zich door lezing van de desbetreffende Publicatiebladen vergewist van het gemeenschapsrecht dat op zijn transacties van toepassing is. Het Hof van Justitie concludeert dat de vergissing redelijkerwijze door Binder had kunnen worden ontdekt. In het arrest Behn overweegt het Hof expliciet dat de opvatting van de Duitse rechter dat van een marktdeelnemer als Behn niet kan worden verlangd dat hij beter op de hoogte is dan de bevoegde autoriteit, niet kan worden gevolgd.19
Het is de vraag of het Hof van Justitie hier niet uit het oog verliest dat het nationale uitvoeringsorgaan - dat toch zeker ook wel als deskundig mag worden aangemerkt - ook is uitgegaan van het onjuiste tarief. Het is naar mijn mening dan ook niet redelijk dat het risico in deze situatie geheel bij de marktdeelnemer wordt neergelegd.
In de vierde plaats dient degene die zich richting een Europese instelling of een nationaal uitvoeringsorgaan beroept op het vertrouwensbeginsel te goeder trouw te zijn.20 Dit criterium heeft ten doel te voorkomen dat frauduleus gedrag of gedragingen in strijd met het recht worden gehonoreerd. Indien een begunstigde zich schuldig heeft gemaakt aan een kennelijke schending van de geldende regeling,21 kan geen beroep worden gedaan op het vertrouwensbeginsel. Uit het arrest Lageder22blijkt dat het Hof van Justitie in dat geval niet eens relevant acht of degene die zich op het vertrouwensbeginsel beroept, te goeder trouw is. Hierop wordt in het kader van de bespreking van de intrekking van beslissingen door nationale uitvoeringsorganen en de Europese instellingen nog uitgebreid ingegaan.23
In de vijfde plaats speelt in het kader van de vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen dispositie een rol.24 Een beroep op het vertrouwensbeginsel is eerder succesvol indien de burger afgaand op het gewekte vertrouwen handelingen heeft verricht die tot gevolg hebben dat hij in een nadeliger positie terecht zal komen indien het vertrouwen niet wordt gehonoreerd.25 Het dispositievereiste is echter geen absoluut vereiste om een beroep op het vertrouwensbeginsel te honoreren.26
Ten slotte geldt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel een belangenafweging dient plaats te vinden tussen het belang van degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel en andere belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden.27 Dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, betekent namelijk niet dat het overheidsorgaan dit altijd moet honoreren. In het kader van de terugvordering van Europese subsidies is van groot belang dat honorering van het vertrouwensbeginsel er niet toe mag leiden dat in strijd met het Europese recht Europese subsidies mogen worden behouden. Contra legem toepassing van het vertrouwensbeginsel ten opzichte van een duidelijke bepaling van Europees recht is niet toegestaan.28 Handelingen van een Europese instelling of een nationaal uitvoeringsorgaan, dan wel een praktijk in een lidstaat in strijd met een duidelijke bepaling van Eu-recht, kunnen niet ertoe leiden dat een beroep op het vertrouwensbeginsel tot gevolg heeft dat een handeling wordt verricht in strijd met het Europese recht.29 Uit de uitspraken Kröcicen30 en Maïzena31 volgt bijvoorbeeld dat de aanvrager van een exportrestitutie aan een met het Europese recht strijdige praktijk van een nationaal uitvoeringsorgaan niet het vertrouwen kan ontlenen dat hij in overeenstemming met de met het Europese recht strijdige praktijk wordt behandeld. Het woordje 'duidelijk' geeft wel aan dat indien een bepaling van Europees recht niet duidelijk is, contra legem toepassing van het vertrouwensbeginsel wel tot de mogelijkheden behoort.