De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.4.1.4:3.4.1.4 De oplossing van Schols
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.4.1.4
3.4.1.4 De oplossing van Schols
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232400:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handboek Erfrecht, F.W.J.M. Schols 2015/VIII.2.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
F. Schols is de mening toegedaan dat, indachtig het gegeven dat de wetgever zich ervan bewust is dat de bij dode opgerichte stichting zonder making weinig voorkomt en het feit dat de wetgever de conversie zelf regelt, sprake is van een uitzondering op de bestaanseis dan wel dat in dit kader de stichting als bestaand mag worden beschouwd.1 Het resultaat van deze redenering komt overeen met de oplossing van Van der Grinten. Een belangrijk verschil met de oplossing van Van der Grinten is echter dat Schols de uitzondering op de bestaanseis beperkt tot krachtens een conversielast opgerichte stichting.
Uit niets blijkt echter dat de wetgever zich ergens van bewust is geweest. Sterker nog: als sprake zou zijn geweest van bewustheid, is het aannemelijker dat de wetgever in een oplossing zou hebben voorzien in plaats van juist niets te bepalen.
Ondanks dit ben ook ik van mening dat onder omstandigheden de krachtens de conversielast opgerichte stichting geacht moet worden te bestaan op het tijdstip van overlijden van de erflater.