Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.4.2
12.4.2 Toerekening bij samenwerking als (personen)vennootschap
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS371172:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. over de vraag of het consortium dat ABN Amro overnam als personenvennootschap kan worden aangemerkt Blanco Fernández 2007, p. 622-628. Vgl. over de vraag of een syndicaatslening als personenvennootschap kan kwalificeren Tuil 2009. Zie over de stemovereenkomst als maatschap eerder al Huizink 2000, p. 187 en de noot van Maeijer onder HR 15 april 1977, NJ 1978/163 m.nt. Maeijer over een kartel-overeenkomst.
In het wetsvoorstel voor een nieuwe titel 7.13 luidde art. 7:800 lid 1 BW vrijwel identiek, zie Kamerstukken II, 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 6-7.
Rechtspersoonlijkheid is daarvoor geen vereiste, anders dan in het kader van de meldingsplicht, die slechts voor natuurlijke personen of rechtspersonen geldt. Zie nader hierover § 13.4.2.
Huizink 2000, p. 189 gaat aan deze omstandigheid voorbij en stelt dat, zo een stemovereenkomst als maatschap zou kwalificeren, de aandelen in de gemeenschap vallen.
Denkbaar is dat de samenwerking meer dan een zuiver obligatoire verhouding behelst. Dit kan zich voordoen indien het onderling overleg als (personen)vennootschap zou kwalificeren.1 De vijf elementen van art. 7A:1655 BW2 zijn immers: (1) overeenkomst tot (2) samenwerking, (3) voor gemeenschappelijke rekening, (4) gerichtheid op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel, ten behoeve van alle vennoten, (5) inbreng door ieder der vennoten. Dit geval kwam eerder al kort ter sprake (§ 9.2).
Stap 1: biedplicht voor de vennootschap
Als er tevens sprake is van een vennootschap, dan moet deze als aandeelhouder worden aangemerkt3, ongeacht de vraag wie van de vennoten het stemrecht “kan uitoefenen” in de zin van de definitie van overwegende zeggenschap (vgl. hierover eerder § 12.3.2.2).
Indien de belangen van de vennoten meer dan 30% van de stemrechten van de doelvennootschap belopen en indien deze belangen zijn ingebracht in het gemeenschapsvermogen4 , dan ontstaat er een biedplicht voor de vennootschap. Of er is ingebracht en wat er is ingebracht is onderwerp van uitleg, waarbij acht moet worden geslagen op alle omstandigheden. Niet van belang is of partijen de juridische of de economische eigendom van de aandelen in de doelvennootschap hebben ingebracht; in beide gevallen heeft inbreng tot gevolg dat de vennootschap als aandeelhouder het stemrecht kan uitoefenen in de zin van de definitie van overwegende zeggenschap van art. 1:1 Wft.
Stap 2: onderling overleg tussen vennootschap en vennoten
In het hiervoor bedoelde geval het onderling overleg tevens als personenvennootschap gekwalificeerd kan worden, is het vermoeden van onderling overleg van art. 1:1 Wft van toepassing. Volgens art. 2:24a lid 2 BW worden immers met dochtermaatschappijen gelijkgesteld vennootschappen waarin de rechtspersoon als vennoot volledig aansprakelijk is jegens schuldeisers. Zoals eerder al aan de orde kwam, geldt in het kader van het vermoeden van onderling overleg de fictie dat een natuurlijke persoon een dochtermaatschappij kan hebben (§ 11.3.4.3 sub I).
Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat de aldus “geconstrueerde” personenvennootschap stemrechten houdt die onherroepelijk, omdat het vermoeden onweerlegbaar is (§ 11.5.2), leiden tot toerekening aan de vennoten en daarmee, indien er sprake is van ten minste 30% van de stemrechten, tot een biedplicht voor ieder van hen (zie nader § 13.4.2.3).