Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/5.5.3
5.5.3 Ontstaan biedplicht wegens acting in concert
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368800:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Décision AMF 205C0401 van 11 maart 2005 (Teamlog) en Décision AMF 206C0691 van 11 april 2006 (Altarea).
Laprade 2007, p. 267-268. Daarvoor werd dit vereiste al door de toezichthouder in vergaande mate gerelativeerd, zie Viandier 2014, nr. 1575 en Le Cannu 1992, p. 699-701.
De ruimhartige uitleg die de AMF aan deze vrijstelling geeft (Viandier 2014, nr. 1736) is onlangs bevestigd door het Cour de Cassation in de geruchtmakende Hermès-zaak, zie Cour de Cassation 28 mei 2013, ECLI:FR:CCASS:2013:CO00552. De AMF had in januari 2011 een vrijstelling verleend naar aanleiding van een herstructurering binnen de controlerende groep Hermès-aandeelhouders, die er in de kern op neerkwam dat zij hun belangen via een extra tussenholding zouden gaan houden. Deze zaak is saillant omdat de herstructurering er evident toe strekte LVMH, dat Hermès wilde overnemen, de pas af te snijden. In kritische zin over die beslissing Viandier 2014, nr. 1739 en Gaudemet 2011, p. 2973-2976.
Hierover Laprade 2009, p. 298-300. Zie bijvoorbeeld Décision AMF 208C1665 van 12 september 2008 (Foncières des Régions) waarin de AMF een vrijstelling verleende voor de overdracht van het kleinste belang (2,12%) binnen een samenwerkingsverband aan de overige twee leden die belangen hielden van 22,06% en 17,65%.
Kemperink 2013, p. p. 264-267 bespreekt een aantal voorbeelden hiervan.
Art. 233-10, III CC. In de eerder genoemde Eiffage-zaak werd de biedplicht voor een van de samenwerkende partijen geannuleerd, hetgeen lastige vragen opriep in het kader van de door dit artikel gevestigde hoofdelijkheid, zie daarover Le Cannu 2008, p. 403.
Zie bijvoorbeeld Cour d’appel de Paris 27 juni 2013 (SILIC), p. 23. In cassatie werd geoordeeld dat die hoofdelijkheid zich niet uitstrekt tot de modaliteiten van het uit te brengen bod (Cour de Cassation 25 november 2014).
Hierover Bolle 2008, p. 109.
Voor een biedplicht wegens acting in concert is geen aanvullende verwerving nodig; het sluiten van een overeenkomst die aan de daaraan gestelde voorwaarden voldoet, volstaat.1 De in de oorspronkelijke tekst van art. 234-2-oud RG opgenomen eis, dat de bieddrempel moest zijn overschreden “à la suite d’une acquisition” is in 1992 geschrapt.2
Het exacte ontstaansmoment van de biedplicht wordt in Frankrijk niet als problematisch ervaren, althans hieraan besteden praktijk noch doctrine enige aandacht. Algemeen lijkt te worden aangenomen dat de biedplicht reeds ontstaat wanneer de overeenkomst wordt gesloten en niet pas wanneer hieraan uitvoering wordt gegeven.
Wijzigingen binnen een samenwerkingsverband, waaronder toe- en uittreding, kunnen aanleiding geven tot een biedplicht. Dat volgt reeds uit de vrijstellingen voor verschuivingen binnen een groep (art. 234-9-7 RG)3 en voor wijzigingen in een bestaand samenwerkingsverband met een geringe betekenis (art. 234-7-2 RG; zie hierna § 5.5.4).4 Het aangaan van een samenwerkingsverband met een of meer aandeelhouder(s) die de meerderheid van het kapitaal of de stemrechten houdt c.q. houden, leidt in beginsel tot een biedplicht, maar ook voor dit geval geldt een vrijstelling onder de voorwaarde dat zij ook nadien nog de controle houdt c.q. houden. De AMF kijkt daarbij niet alleen naar de zeggenschapsbelangen, maar ook naar de governance- regels in de samenwerkingsovereenkomst.5
In beginsel rust de biedplicht op elk van de concert parties.6 Omdat er sprake is van hoofdelijkheid, bevrijdt nakoming door een van hen, de ander(en).7 Onduidelijk is of de partij die individueel de 30%-grens overschrijdt, maar voordien reeds in onderling overleg met een andere partij meer dan 30% van de stemrechten kon uitoefenen, biedplichtig is.8