Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.5:2.4.5 Wet vormverzuimen: relativering van vereisten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.5
2.4.5 Wet vormverzuimen: relativering van vereisten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946199:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 februari 1992, NJ 1992/545.
Stb. 1995, 441 en Stb. 1996, 522.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kort na de aanvang van de wijzigingen in de zedelijkheidswetgeving is in 1993 een pakket aan wetsvoorstellen ingediend dat ten doel had het terugdringen van de onwenselijke gevolgen die dienden te worden verbonden aan vormverzuimen in het strafproces.1 Het klachtvereiste is geen prominente rol toebedeeld in deze uitvoerige wetswijziging, maar wordt desalniettemin op een fundamenteel punt gewijzigd. Tot dan toe werd het ontbreken van een deugdelijke klacht met nietigheid bedreigd. Het wetsvoorstel beoogde die sanctie uit de wet te verwijderen. Redengevend daarvoor was een arrest van de Hoge Raad uit 1992.2 In die zaak was sprake van een ondertekende aangifte en van een niet-ondertekende klacht. Het gerechtshof verbond daaraan echter niet de voorgeschreven nietigheid, omdat buiten twijfel stond dat de klachtgerechtigde een klacht wilde doen en het vormverzuim volledig was toe te schrijven aan de hulpofficier van justitie. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand, waardoor het nietigheidsvereiste werd gerelativeerd. Dit arrest gaf de minister van Justitie aanleiding in de Wet Vormverzuimen het voorstel te betrekken om de sanctie van nietigheid te schrappen op het niet (volledig) in acht nemen van de vormvereisten die zijn verbonden aan het indienen van een klacht.3 De wet wordt met inbegrip van deze voorgestelde wijziging aangenomen, waardoor verzuimen ten aanzien van de vorm van de klacht sinds 2 november 1996 niet meer met nietigheid worden bedreigd.4 Met deze wetswijziging onderschrijft de wetgever dat niet ieder gebrek aan een klacht fataal behoeft te zijn voor de legitimiteit van de ingediende klacht.