Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.7:2.4.7 Het klachtvereiste bij art. 207a en 207b Sr
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.7
2.4.7 Het klachtvereiste bij art. 207a en 207b Sr
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946200:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zoals bijvoorbeeld het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Stb. 1966, 322.
Handelingen II 1965-1966, nr. 8400, nr. 3, p. 2 (abusievelijk genummerd als nr. 8300).
Handelingen II 1965-1966, nr. 8400, nr. 3, p. 2 (abusievelijk genummerd als nr. 8300).
Van den Broek 1990, p. 308-315.
Stb. 2002, 316.
Van den Broek 1990, p. 314.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een onderwerp dat niet onbesproken kan blijven betreft de rol die het klachtvereiste is toebedeeld bij de wetsartikelen aangaande meineed. Meineed is geregeld in art. 207, 207a en 207b Sr. Deze artikelen zien achtereenvolgens op de nationale rechtspleging, de eed ten overstaan van een internationaal gerecht 1 en de situatie dat een verklaring ten behoeve van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in Nederland middels een videoconferentie plaatsheeft. Van deze wetsartikelen is uitsluitend aan art. 207 Sr nooit een klachtvereiste toegevoegd.
Art. 207a Sr is ingevoerd in 1966 naar aanleiding van een gemeenschappelijke Beneluxregeling inzake de bestraffing van meinedige verklaringen afgelegd voor internationale gerechten.2 Het afleggen van een meinedige verklaring ten overstaan van een internationaal gerecht kon tot dan toe ook al worden bestraft middels de algemene meineedbepaling neergelegd in art. 207 Sr. De reden om desondanks een afzonderlijke strafbepaling toe te voegen voor deze vorm van ‘internationale meineed’ is blijkens de memorie van toelichting tweeledig.3 Er wordt ten eerste gewezen op de ‘eigen aard van de meinedige verklaring voor een internationaal gerecht’. Daarnaast wordt vanuit pragmatisch oogpunt waarde gehecht aan het feit dat een aparte strafbaarstelling het gemakkelijker maakt om bijzondere bepalingen met betrekking tot dit delict op te stellen. Zo had men voor ogen de rechtsmacht nader te regelen en wilde men een klachtvereiste toevoegen aan de strafbepaling.
In de redengeving voor het klachtvereiste lijkt de daadwerkelijke reden besloten te liggen voor deze nieuwe strafbepaling. Minister van Justitie Samkalden schrijft hieromtrent in de memorie van toelichting:
‘Het is theoretisch denkbaar dat een nationaal gerecht een verklaring als vals zou beschouwen, die door het betrokken internationale gerecht als waar wordt aanvaard. Ten einde de mogelijkheid van dergelijke tegenstrijdige uitspraken zoveel doenlijk te beperken, voorziet de modelwet dat een vervolging slechts plaats kan vinden op grond van een klacht van het betrokken internationale gerecht.’4
Het klachtvereiste bij art. 207a Sr is dus bedoeld om discrepanties te voorkomen tussen de wijze waarop een nationaal en een internationaal gerecht (het waarheidsgehalte van) een verklaring waarderen. Tegen deze achtergrond bezien is het begrijpelijk – en mijns inziens terecht – dat Van den Broek art. 207a Sr heeft geduid als een oneigenlijk klachtdelict.5 Uit de memorie van toelichting volgt immers dat de grond voor het klachtvereiste bij art. 207a Sr niet aansluit op het beginsel dat ten grondslag zou moeten liggen aan alle klachtdelicten: het feit dat het bijzonder belang groter nadeel kan lijden door het instellen van vervolging, dan het openbaar belang zou lijden onder het achterwege blijven van vervolging.
In 2002 is een aantal wetsbepalingen, waaronder art. 207a Sr, gewijzigd ter regeling van de samenwerking met het Internationaal Strafhof. Deze wetswijziging leidde er onder meer toe dat het klachtvereiste bij art. 207a Sr per 8 augustus 2002 is komen te vervallen.6 Onder verwijzing naar de kritiek van Van den Broek is door minister van Justitie Korthals in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel erkend dat sprake is van een oneigenlijk klachtdelict en dat dit specifieke klachtvereiste is ingegeven vanuit de wens te voorkomen dat de nationale autoriteiten in strijd zouden handelen met het oordeel van het internationale gerecht. Het is echter niet deze (fundamentele) vaststelling die de aanleiding vormt voor het schrappen van het klachtvereiste. Minister van Justitie Korthals ziet daartoe aanleiding, omdat het klachtvereiste zijns inziens overbodig was ter voorkoming van conflicterende nationale en internationale rechtspraak. De minister spreekt over een verwaarloosbaar kleine kans dat het Nederlandse openbaar ministerie op grond van art. 207a Sr zou willen vervolgen, terwijl het betrokken internationale gerecht daarin niets strafbaars ziet. De minister voegt toe dat vervolging in de praktijk altijd zal plaatsvinden in overleg met het internationale gerecht.7
Nadien is bij wet van 18 maart 2004 – ter implementatie van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie – art. 207b Sr ingevoerd en aan die strafbepaling is toch weer een klachtvereiste toegevoegd. Dit is curieus nu het gedachtegoed dat ten grondslag ligt aan art. 207a en 207b Sr niet wezenlijk verschilt. Het verschil is hoofdzakelijk gelegen in de wijze waarop het verhoor plaatsheeft, namelijk via een videoverhoor. In de wetsgeschiedenis is de keuze voor toevoeging van een klachtvereiste aan art. 207b Sr niet nader toegelicht. De vreemde gang van zaken kan desondanks worden verklaard als men er oog voor heeft dat het wetsvoorstel is ingediend op 8 mei 2002.8 Uit de memorie van toelichting volgt dat de voorgestelde wettekst voor art. 207b Sr grotendeels is ontleend aan het toenmalige art. 207a Sr.9 Ten tijde van het indienen van het wetsvoorstel dat de invoering van art. 207b Sr beoogde, was het klachtvereiste bij art. 207a Sr nog niet geschrapt. Dit laat onverlet dat het onzorgvuldig is dat minister van Justitie Korthals in 2002 voorstelt het klachtvereiste bij art. 207a Sr te laten vervallen en dat diezelfde minister in datzelfde jaar het nieuwe art. 207b Sr voorstelt dat is gebaseerd op de – zijns inziens gedateerde – wettekst van art. 207a Sr.
Het is een teleurstellende vaststelling dat zowel bij de totstandkoming als bij de afschaffing van het klachtvereiste bij art. 207a Sr pragmatische argumenten de boventoon hebben gevoerd die niet zien op of raken aan de ratio achter klachtdelicten. Het is – vanuit wetshistorisch en wetssystematisch oogpunt – ook ongelukkig dat nadien aan art. 207b Sr een klachtvereiste is toegevoegd en dat dit tot op heden is gehandhaafd. Zo stoot de ezel zich meermaals aan dezelfde steen. De wetsgeschiedenis rechtvaardigt de conclusie dat in deze (internationale) context pragmatisch is gebruikgemaakt van de mogelijkheden die het klachtvereiste biedt en dat bij de wetswijzigingen in dit verband onvoldoende oog heeft bestaan voor de ratio achter het klachtvereiste.
Het klachtvereiste bij art. 207a (en 207b) Sr komt voort uit de wens te voorkomen dat de nationale autoriteiten in strijd zouden handelen met het oordeel van een internationaal of buitenlands gerecht. Van den Broek heeft in zijn kritiek op het oneigenlijke klachtvereiste bij art. 207a Sr er echter terecht op gewezen dat dit doel niet uitsluitend middels toevoeging van een klachtvereiste kan worden bereikt. Zo beschrijft Van den Broek dat de wetgever bijvoorbeeld ook voor een vervolgingsvoorwaarde ‘sui generis’ had kunnen kiezen, in die zin dat het woord ‘klacht’ vervangen had kunnen worden door het woord ‘verzoek’.10 Op die wijze wordt niet gebroken met het grondbeginsel dat aan klachtdelicten ten grondslag zou moeten liggen en zijn de algemene bepalingen aangaande klachtdelicten niet van toepassing, terwijl het doel wordt bereikt: er wordt niet vervolgd in weerwil van de zienswijze van het internationale of het buitenlandse gerecht.