Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.6:2.4.6 Belaging als nieuw (klacht)delict
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.6
2.4.6 Belaging als nieuw (klacht)delict
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946175:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1996-1997, 25 000 VI, nr. 40.
Handelingen II 1998-1999, nr. 97, p. 5673.
Handelingen II 1998-1999, nr. 98, p. 5699.
Stb. 2000, 282.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1997 wordt een voorstel gedaan tot invoering van een nieuw (klacht)delict: belaging.1 Het betreft de strafbaarstelling van gedrag dat in de volksmond stalking wordt genoemd. Redengevend voor het wetgevingsinitiatief was dat het strafrechtelijk instrumentarium onvoldoende bleek om het stelselmatig lastigvallen van anderen tegen te gaan. De politie kon veelal niets doen, omdat er nog geen misdrijf was gepleegd.2 Minister van Justitie Sorgdrager schrijft op 6 maart 1997 in een brief aan de Tweede Kamer weinig heil te zien in een afzonderlijke strafbaarstelling.3 Volgens de minister zou de aangifte-bereidheid bij slachtoffers niet zeer groot zijn, omdat de privacy van het slachtoffer in het gedrang kan komen, vanwege details over de (seksuele) relatie tussen dader en slachtoffer. Het is de vraag of een lage aangifte-bereidheid – zelfs als daarvan sprake is – een argument moet zijn om van strafbaarstelling af te zien. Belangrijker is evenwel dat dit argument voor de initiatiefwetgevers de opmaat is geweest om belaging als klachtdelict aan te merken. In reactie op dit argument van de minister van Justitie hebben zij immers het volgende in de memorie van toelichting opgenomen:
‘Ondergetekenden zijn van mening dat het aan het slachtoffer is om te beoordelen of hij of zij wil dat een strafvervolging wordt ingesteld. Bij het afwegen van die keuze kan het slachtoffer ook de mogelijkheid betrekken dat intieme details naar buiten zullen worden gebracht. Dit is de reden, waarom ondergetekenden ervoor kiezen het misdrijf van belaging tot een klachtdelict te maken.’4
In de parlementaire discussie is de nodige aandacht uitgegaan naar de vraag of belaging als klachtdelict zou moeten worden aangemerkt. Enerzijds is erop gewezen dat slachtoffers zo bevreesd kunnen zijn dat een klacht achterwege blijft en een dader daardoor vrijuit gaat. Anderzijds is het standpunt ingenomen dat het klachtvereiste het (bevreesde) slachtoffer juist meer bescherming biedt. De klacht kan in beslotenheid worden gedaan en gedurende een aantal dagen nog worden ingetrokken, terwijl de belaagde bij het doen van aangifte direct de regie verliest.5 Initiatiefnemer Dittrich benadrukt in dit debat ‘dat het slachtoffer zelf over de hefboom moet kunnen beschikken om het tot een politieonderzoek en vervolging te laten komen.’ Hij voegt toe dat daarmee niet alleen de privacy is gediend van de persoon die de belaging ondergaat. Het slachtoffer kan het klachtvereiste inzetten om de belager onder druk te zetten. Zo kan de belaagde mededelen dat een klacht slechts achterwege blijft of dat een reeds ingediende klacht slechts wordt ingetrokken, indien de belager stopt en/of behandeling ondergaat.6 Hoewel in de memorie van toelichting vrij zuiver wordt aangesloten bij het grondbeginsel achter het klachtvereiste, wordt in dit debat dus ook gewezen op een (mijns inziens oneigenlijk) aanvullend argument. Het inzetten van de klacht als ‘drukmiddel’ schuurt immers dicht aan tegen het gebruik van de klacht als chantagemiddel. Dat was juist een van de argumenten die tegenstanders van klachtdelicten in de negentiende eeuw bezigden bij de voorbereiding van het Wetboek van Strafrecht dat in 1886 is ingevoerd. Het wetsvoorstel wordt uiteindelijk met algemene stemmen aangenomen in zowel de Tweede als de Eerste Kamer. Dit leidt ertoe dat belaging als art. 285b Sr aan het Wetboek van Strafrecht wordt toegevoegd en in werking treedt op 12 juli 2000.7