Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/9.4.1
9.4.1 Algemene aspecten van taakuitoefening
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS343412:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Rensen 2-III* 2012/334, die onder verwijzing naar relevante rechtspraak ook nog noemt het geven van leiding aan en het zorgen voor een goede taakvervulling van de stichting voor deelneming van de stichting aan het maatschappelijk verkeer en voor het functioneren van het apparaat van de stichting.
Art. 2:129 lid 5 BW en principe II.1 van de NCGC.
Principe 1.1 van de NCGC 2016.
B.p.b. 1.1.1 NCGC 2016.
Op die vaststelling heeft de onafhankelijkheid vooral betrekking. Het feit dat de stichting daarmee de door de vennootschapsleiding uitgezette strategie steunt, doet aan deze onafhankelijkheid niet af. De vraag of de stichting al dan niet onafhankelijk is, heeft geen betrekking op het feit dat de stichting de vennootschapsleiding volgt in de uitgezette strategie. Vgl. Kemperink (diss.) 2013, p. 288/289.
Vgl. HR 13 juli 2007, NJ 2007/434 m.nt. Maeijer (ABN AMRO) en HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. Van Schilfgaarde (ASMI).
Ik sluit me hiermee aan bij Kemperink, Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2009-2010, p. 101 en Kemperink (diss.) 2013, p. 288.
Art. 2:10 leden 2 en 3 BW.
Art. 2:360 lid 3 BW. Zie over de financiële verantwoording van de commerciële stichting en vereniging Asser/Rensen 2-III* 2012/166/342.
Dit kan veranderen zodra het Voorontwerp wetsvoorstel openbaar maken balans en staat van baten en lasten stichtingen in werking is getreden. Dat wetsvoorstel leidt ertoe dat alle stichtingen de balans en staat van baten en lasten openbaar moeten maken door nederlegging daarvan bij het handelsregister. !
Vgl. Handboek 2013/235.
Ingevolge art. 2:291 BW bestaat de taak van het bestuur van een stichting – behoudens beperkingen volgens de statuten – uit het besturen van de stichting. Het bestuur zal daarbij gebruikmaken van de bevoegdheden en plichten die het ingevolge de wet en de statuten van de stichting heeft. Deze ruime omschrijving – die overigens aansluit bij de regeling die geldt voor bv’s en nv’s – omvat in de eerste plaats het zorgen voor de verwezenlijking van het doel van de stichting.1 Het doel van een stichting continuïteit omvat, zoals in paragraaf 9.2.3 onder b vermeld, het behartigen van de belangen van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, waarbij onder meer zoveel mogelijk invloeden worden geweerd die de continuïteit, de zelfstandigheid en/of de identiteit in strijd met die belangen bedreigen. Deze doelstelling omvat in feite de norm waarnaar het bestuur en de raad van commissarissen van de vennootschap zich dienen te richten. Deze laatste dienen zich immers te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en dienen daartoe de in aanmerking komende belangen van de bij de vennootschap betrokkenen af te wegen.2 Het bestuur van de stichting dient met andere woorden zijn taak in het belang van de vennootschap uit te oefenen.
Het verschil tussen de taak van het bestuur van de vennootschap en die van het bestuur van de stichting is dat het besturen van de vennootschap mede omvat het geven van leiding aan de economische activiteiten die de vennootschap zich ten doel stelt. Het bestuur van de vennootschap is verantwoordelijkheid voor de realisering van de doelstellingen van de vennootschap, de strategie met het bijbehorende risicoprofiel, de resultatenontwikkeling en de voor de onderneming relevante maatschappelijke aspecten van ondernemen.3 Het ontwikkelt een visie op de lange termijn waardecreatie van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en formuleert een daarbij passende strategie.4 Zover gaat de taak van het stichtingsbestuur niet. De taakopdracht van het stichtingsbestuur is niet bedrijfsmatig of economisch getint. Dat bestuur maakt geen strategisch beleid. Het stichtingsbestuur kan daarom ook niet als medebeleidsbepaler in de zin van art. 2:138 lid 7 BW worden aangemerkt. Het zal niet handelen als ware het een bestuurder van de vennootschap. Het stichtingsbestuur komt alleen in actie indien het bestuur en de raad van commissarissen het vennootschappelijk belang niet langer kunnen borgen. Het stichtingsbestuur zal dat op onafhankelijke wijze moeten vaststellen.5 Het maken van beleid en het uitstippelen van de strategie is exclusief voorbehouden aan het bestuur van de vennootschap onder toezicht van de raad van commissarissen. Dat bestuur zal bij de ondernemingsvoering en de uitvoering van het vastgestelde beleid en strategie de belangen van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming voorop moeten stellen en alle betrokken belangen, waaronder die van de aandeelhouders, bij zijn besluitvorming in aanmerking moeten nemen.6 Gesteld zou kunnen worden dat de door het bestuur van de vennootschap gemaakte strategische beleidskeuzes voor het bestuur van de stichting een gegeven zijn.7 Dat neemt niet weg dat het bestuur van de stichting overleg kan plegen met de vennootschapsleiding en zijn oordeel kan geven over de te voeren strategie.
Onder het bestuur van een stichting continuïteit valt meer in het algemeen ook de plicht om van de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de stichting, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de stichting kunnen worden gekend. Deze algemene plicht die tot het bestuur is gericht volgt uit art. 2:10 lid 1 BW. Daartoe behoort ook het jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar opmaken van de balans en de staat van baten en lasten van de stichting en het gedurende zeven jaren bewaren van voornoemde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers.8 Het bijhouden van een correcte en zorgvuldige administratie is des te relevanter voor een stichting continuïteit, omdat de stichting afhankelijk is van externe financiering en banken veelal een deugdelijke administratie als voorwaarde stellen voor de kredietverlening. Stichtingen die een of meer ondernemingen in stand houden welke ingevolge de wet in het handelsregister moeten worden ingeschreven, dat wil zeggen stichtingen die hun organisatie en activiteiten richten op het op commerciële wijze deelnemen aan het economische verkeer, zijn onderworpen aan Titel 2.9 BW.9 Een stichting continuïteit is, zoals in paragraaf 9.3.3 vermeld, niet onderworpen aan titel 2.9 BW, omdat zij niet als een commerciële stichting beschouwd kan worden. Dat betekent onder meer dat geen accountantscontrole vereist is. Desalniettemin kan het wenselijk zijn om de balans en de staat van baten en lasten van een stichting continuïteit door een onafhankelijke accountant te laten controleren. Een stichting continuïteit is ook niet gehouden om de jaarrekening openbaar te maken, hetgeen in de praktijk ook niet gebeurt.10
Het bestuur zal ter uitvoering van zijn besluitvorming daar waar nodig namens de stichting rechtshandelingen verrichten. Het bestuur vertegenwoordigt de stichting continuïteit in het rechtsverkeer. De vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden beschouwd als een uitvloeisel van de taak van het bestuur; het bestuur moet zijn beslissingen die het neemt ter uitvoering van zijn normstelling en het doel van de stichting zelf kunnen uitvoeren en rechtshandelingen namens de stichting kunnen verrichten.11 Die rechtshandelingen zijn overigens beperkt en hebben betrekking op het nemen van de beschermingsprefs en het aantrekken van de daarmee verband houdende financiering, het uitoefenen van het aan die aandelen verbonden stemrecht, het intrekken van de beschermingsprefs en indien van toepassing de uitoefening van de rechten en bevoegdheden verbonden aan de enquêteprocedure. Met het aangaan van genoemde rechtshandelingen, kan de stichting uitvoering geven aan haar doelstelling.
In het algemeen geldt dat de bestuurders bij de uitoefening van hun bestuurstaak het belang van de stichting moeten behartigen en dat belang moeten laten voorgaan boven hun eigenbelang.12 Met de invoering van het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen, zal art. 2:9 lid 1 BW met zo veel woorden bepalen dat elke bestuurder van de stichting zich moet richten naar het belang van de rechtspersoon en de met hem verbonden organisatie. Dat voor de term organisatie is gekozen houdt verband met het feit dat stichtingen (en verenigingen) niet altijd een onderneming zullen drijven.13 Dat laatste geldt zoals hiervoor vermeld ook voor een stichting continuïteit. Dat het belang van de stichting vooropstaat en niet mag worden vermengd met persoonlijke belangen van de bestuurders, wordt nog eens extra benadrukt doordat dit wetsvoorstel een tegenstrijdig belang introduceert voor bestuurders van stichtingen. Op dit laatste aspect ben ik ingegaan in paragraaf 9.3.4 onder d.