Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/2.5
2.5 De lange totstandkomingsgeschiedenis van afd. 6.3.2 BW
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS302812:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Laatstgenoemde werd in 1958 opgevolgd door G. de Grooth (1892-1965).
Süte 2004, p. 14, 149.
Ook de uiteindelijk door anderen in het kader van de hercodificatie tot stand gebrachte ontwerpen en toelichtingen daarop zijn naar Meijers genoemd: de Ontwerpen Meijers (O.M.) en de Toelichtingen Meijers (T.M.).
Süte 2004, p. 83; Florijn 1994, p. 150, 195 die spreekt van ‘zes jaar ploeteren’.
Lubach 2005, 120.
Pitlo 1964, p. 16; Florijn 1994, p. 206-207, 233-234, 265, 405; Lubach 2005, p. 120.
Florijn 1994, p. 265-266, 455-457.
Florijn 1994, p. 290-294.
Florijn 1994, p. 291. Zie ook Parl. gesch. Boek 6, p. 26.
Pitlo 1973, p. 17.
Parl. gesch. Boek 6, p. X. Zie ook Florijn 1994, p. 399-416.
Florijn 1994, p. 288-290.
Lubach 2005, p. 128.
Van der Grinten 1976, p. 1189-1190.
Zo werden in het Gewijzigd Ontwerp de aansprakelijkheden voor ondergeschikte en zelfstandige hulppersonen gelijkgeschakeld: de aansprakelijkheid voor laatstgenoemden berustte niet langer op ‘schuld’ van de opdrachtgever, maar werd eveneens als een (echte) kwalitatieve aansprakelijkheid geformuleerd. Op het gebied van de aansprakelijkheid voor zaken werd in het Gewijzigd Ontwerp de bedrijfsmatige gebruiker als aansprakelijke persoon geïntroduceerd, waarover nader par. 2.6.
Parl. gesch. Boek 6, p. X. Uitvoerig Florijn 1994, p. 416-425.
Uitvoerig Florijn 1994, p. 426-429.
Wet van 9 mei 1980 (Stb. 432).
Boek 1 was reeds in 1971 ingevoerd, Boek 2 in 1976.
Parl. gesch. Voortgang (Inv. 3, 5 en 6), p. 32; Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1343-1346, 1390- 1392.
Stb. 1989, 290.
De vervanging van het OBW door het NBW is uiterst moeizaam verlopen. Dit project verwerd tot het langdurigste wetgevingsproject in de Nederlandse rechtsgeschiedenis. De Leidse hoogleraar Eduard Maurits Meijers (1880-1954) ontving als gezegd in 1947 de Koninklijke opdracht een nieuw BW te ontwerpen dat in de plaats zou treden van het uit 1838 stammende OBW. De algehele verwachting was dat deze hercodificatie van het privaatrecht een jaar of tien in beslag zou nemen. Meijers ging voortvarend van start en had, toen hij onverwachts overleed in 1954, voor een aanzienlijk deel aan zijn opdracht voldaan. Voor onder meer Boek 6 NBW liet hij een concept na. Na Meijers’ overlijden werd het werk aan de hercodificatie voortgezet door J. Drion (1915-1964), F.J. de Jong (1901-1974) en J. Eggens (1891-1964),1 het zogenoemde ‘Driemanschap’. Na velen jaren werk aan het ontwerp voor Boek 6, door velen als het belangrijkste deel van het NBW beschouwd,2 bood het Driemanschap het Ontwerp Meijers (O.M.) in 1961 aan de minister aan.3 Het ontwerp was zeer moeizaam tot stand gekomen,4 waarbij titel 6.3 over de onrechtmatige daad tot het meest omvangrijke werk had behoord.5 Het werk van het Driemanschap werd kritisch ontvangen vanwege het sterk wetenschappelijke karakter van de teksten. Het ontwerp voor Boek 6 werd aangemerkt als het werk van en voor geleerde juristen. Gevreesd werd dan ook dat het wetboek voor de praktijk maar moeilijk bruikbaar zou zijn.6 Aan het Driemanschap kwam een einde en de bewerking van de overige delen van Meijers’ ontwerp voor het NBW werd aan anderen uitbesteed. Drion, voormalig lid van het Driemanschap, zou als regeringscommissaris leiding gaan geven aan de parlementaire behandeling en de verschillende ontwerpen tot aan de daadwerkelijke invoering begeleiden.7 Drion overleed echter onverwachts in 1964. Om te voorkomen dat de parlementaire behandeling van het nieuwe verbintenissenrecht ernstige vertraging zou oplopen, werd in 1964 het uit 1961 stammende Boek 6 O.M., behoudens schrijffouten en kennelijke misslagen, ongewijzigd als Regeringsontwerp (R.O.) ingediend.8 Het advies van de Raad van State noch de destijds verschenen literatuur over en commentaren op het ontwerp waren hierin verwerkt.9 Evenmin werd een aparte toelichting bij het ontwerp geschreven: in de memorie van toelichting werd volstaan met een verwijzing naar de toelichting van het Driemanschap. In het najaar van 1965 werd Boek 6 O.M. door de Tweede Kamer in behandeling genomen. Op dat moment was het ontwerp al enigszins verouderd en achterhaald.10 Het Voorlopig Verslag (VV) werd in twee gedeelten uitgebracht: pas in 1971 verscheen het verslag over de eerste van het vijf titels tellende Boek 6 O.M.; het verslag over de titels 2 t/m 5 volgde in 1975.11
Inmiddels was Drion opgevolgd door G.E. Langemeijer, die in 1964 startte met het werk aan de Memorie van Antwoord (MvA) en het Gewijzigd Ontwerp (G.O.) voor Boek 3.12 Zijn rechterhand, W. Snijders, werd in 1971 regeringscommissaris voor Boek 6. Uiteindelijk werd Snijders regeringscommissaris voor de Boeken 3, 5 en 6, alsmede voor de op die Boeken betrekking hebbende invoeringswetgeving. Zo was het aan Snijders om de critici – Boek 6 R.O. was als gezegd in 1964 overhaast ingediend en slecht ontvangen – tegemoet te komen bij zijn werk aan de MvA en het G.O. voor Boek 6. Snijders verwerkte de verschenen literatuur en commentaren, overlegde met de praktijk en deed aan rechtsvergelijking. Tijdens het concipiëren van het G.O. door Snijders (1971-1976) waren bovendien de maat schappelijke inzichten en omstandigheden gewijzigd ten opzichte van de periode van het werken aan Boek 6 O.M. door het Driemanschap (1954-1961).13 Boek 6 G.O. van de hand van Snijders werd in 1976 ingediend bij de Tweede Kamer. Dit G.O. was ondanks zijn benaming in feite een volledig nieuw ontwerp:14 vraagstukken waren opnieuw doordacht en er werd voor andere oplossingen gekozen dan in de tijd van het Driemanschap.15 In Boek 6 G.O. zag ook art. 6:181 het levenslicht. De bijbehorende MvA was, anders dan normaliter een antwoord op bedenkingen van de Tweede Kamer, de facto een Memorie van Toelichting (MvT) bij een nieuw ontwerp.16 Na de openbare behandeling van de Boeken 3, 5 en 6 tezamen in 1977 in de Tweede Kamer en in 1980 in de Eerste Kamer,17 werden deze in 1980 vastgesteld.18 Het streven was vervolgens om de invoering van de Boeken 3-6 en enkele titels van Boek 7 te laten plaatsvinden in 1984.19 Het werk aan de invoeringswetgeving bleek daartoe echter te omvangrijk. Om de werkbelasting te verminderen werden Boek 4 en enkele titels van Boek 7 ontkoppeld. Ook werd in 1983 bij de zogenoemde ‘Stofkam-operatie’ de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen uit Boek 6 geschrapt.20 Vervolgens werd de Invoeringswet van de Boeken 3, 5 en 6 gesplitst in verschillende gedeelten. Het in 1989 vastgestelde vijfde gedeelte bevatte de wijzigingen (en toelichting daarop) van het eerder in 1980 vastgestelde Boek 6.21 Uiteindelijk traden de Boeken 3, 5 en 6 op 1 januari 1992 in werking, maar liefst 45 jaar na de Koninklijke opdracht aan Meijers in 1947 en 154 jaar na de invoering van het OBW in 1838. De bij de ‘Stofkam-operatie’ in 1983 uit Boek 6 geschrapte aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen werd nóg later ingevoerd, te weten per 1 februari 1995 als onderdeel van de Aanvullingswet 1995.