Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.0:6.9.0 Introductie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.0
6.9.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456477:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1992/93, 17, p. 1158.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu de inhoud van het Verdrag van Maastricht is besproken, kom ik toe aan de parlementaire behandeling van dit verdrag. In de komende subparagrafen ga ik in op de vraag hoe het Nederlandse parlement dit verdrag heeft beoordeeld. In de conclusie aan het einde van dit hoofdstuk wordt bezien of hieruit een formele of een materiële interpretatie van het budgetrecht in het kader van Europese integratie kan worden afgeleid.
Bij de discussies over de goedkeuringswet bij het Verdrag van Maastricht valt ten eerste op dat de complexiteit van dat verdrag met enige regelmaat werd benadrukt. Zo stelde een van de deskundigen tijdens een hoorzitting over het verdrag dat het doorlezen van het Verdrag van Maastricht ‘een frustrerend werk [is], want het is moeizame lectuur’.1 Toenmalig VVD-Kamerlid Weisglas formuleerde het nog scherper en stelde:
‘Het Verdrag van Maastricht is geen mooi verdrag. De regering vergelijkt het met een boek, maar het leest niet als de nieuwste roman van Harry Mulisch. De Stichting burgerschapskunde noemt het verdrag een ui, maar het smaakt niet naar een gerecht van Paul Bocuse. Laten we het maar houden op H.W. Sandberg in Het Parool: “Het verdrag is te ingewikkeld, te technisch en te onduidelijk en bovendien onmenselijk van omvang”.’2
De Staten-Generaal besteedden dan ook geruime tijd aan de parlementaire behandeling van de goedkeuringswet. Drie punten die tijdens de behandeling van de goedkeuringswet naar voren kwamen, zijn voor dit proefschrift van belang.