Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.7.2:5.8.7.2 Situaties die kunnen leiden tot een verbreking van de groepsband
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.7.2
5.8.7.2 Situaties die kunnen leiden tot een verbreking van de groepsband
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648729:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 15 april 1999, JOR 1999/119.
De voornaamste bevoegdheden ten aanzien van het bestuur van de vennootschap zullen bij de curator liggen. Zie in dit kader van Wijngaarden 2006-I, p. 619 en Beckman 1995, p. 344-345.
Anders: Van Wijngaarden 2006-I, p. 620, die een meer formalistische benadering aanhoudt in plaats van een materiële benadering.
Zie uitgebreider over de samenloop van het groepsregime en fusie of splitsing het navolgende hoofdstuk.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meest voorkomende situatie waarin sprake zal zijn van een verbreking van de groepsband, zal de situatie zijn waarin de aandelen in de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon worden overgedragen aan een partij buiten de groep waardoor de zeggenschap over de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon wijzigt en de groepsband waarschijnlijk verbreekt. In een dergelijk geval geldt overigens dat niet moet vergeten de 403-verklaring in te trekken.1 Een verhanging van een vrijgestelde dochtervennootschap binnen de groep, zal niet leiden tot een verbreking van de groepsband.
Worden aandelen in een vrijgestelde vennootschap voor een deel (bijvoorbeeld 50 procent) overgedragen om een joint venture tot stand te brengen waarbij een deel van de aandelen buiten de groep terecht komt, dan zal het van een aantal factoren afhankelijk zijn of de groepsband wordt verbroken of niet. Bekeken zal moeten worden of de rechtspersoon die voorheen de leiding had nog steeds in staat is om de centrale leiding uit te oefenen. Het is mogelijk dat de joint venture-vennootschap tot twee groepen behoort. Wanneer de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde geen centrale leiding meer uit kan oefenen over de vrijgestelde rechtspersoon, dan zal de groepsband verbroken zijn. De vrijstelling mag dan niet meer worden toegepast en de overblijvende aansprakelijkheid kan door de beëindiging van de groepsband worden beëindigd.
Wanneer een vrijgestelde rechtspersoon failliet wordt verklaard, zal de rechtspersoon die de centrale leiding had, die leiding verliezen.2 Hierdoor zal de groepsband eindigen. De rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde, doet er verstandig aan die 403-verklaring in te trekken en de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.
Wordt een vrijgestelde rechtspersoon geliquideerd, dan zal de groepsband eindigen. De vraag kan worden gesteld of de groepsband reeds verbreekt in de vereffeningsfase of pas daarna. Wanneer de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde optreedt als vereffenaar zal betoogd kunnen worden dat de groepsband nog in tact blijft en pas verbreekt wanneer de voorheen vrijgestelde rechtspersoon ophoudt te bestaan. De vervolgvraag is of na liquidatie de overblijvende aansprakelijkheid kan worden beëindigd. Wanneer het vermogen van de geliquideerde rechtspersoon binnen de groep blijft, verlaat het vermogen van de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon de groep niet. Hoewel er strikt genomen geen sprake meer is van een groepsband met de niet meer bestaande rechtspersoon, is het verdedigbaar dat de overblijvende aansprakelijkheid niet kan worden beëindigd als het vermogen van de niet meer bestaande rechtspersoon binnen de groep blijft.3
Bij een fusie of splitsing van een vrijgestelde rechtspersoon kan deze rechtspersoon ophouden te bestaan. In dat geval zal formeel gezien de groepsband met de voorheen vrijgestelde rechtspersoon worden verbroken. Evenals bij liquidatie kan ervoor worden gekozen om een formalistische benadering of om een materiële benadering te hanteren. Wanneer door een fusie of splitsing het vermogen van de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon de groep niet verlaat, leidt een materiële benadering tot de conclusie dat de groepsband niet als verbroken kan worden beschouwd terwijl een formalistische benadering juist tot de conclusie leidt dat de groepsband met de (voorheen) vrijgestelde rechtspersoon wel is verbroken. De wet, parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie bieden geen aanknopingspunten op dit vlak. De vraag of de groepsband in een situatie van fusie of splitsing als verbroken kan worden beschouwd en of dat vervolgens de mogelijkheid opent om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, is onduidelijk.4