Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/8.5.1
8.5.1 Inleiding
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS587426:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Met dien verstande dat in de driemanschapstoelichting bij wat art. 6:98 BW geworden is, wel terloops is opgemerkt dat ook in het geval van aansprakelijkheid wegens wanprestatie steeds de vraag dient te worden gesteld of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals geleden, zie nader nr. 83.
Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 70; Krans 1999, p. 146; Lankhorst 1992a, p. 39; Lankhorst 1992b, p. 87 t/m 98. Lankhorst bepleitte in zijn dissertatie (Lankhorst 1992a) dat art. 6:163 BW beter in afdeling 6.1.10 BW opgenomen had kunnen worden zodat deze bepaling ook van toepassing zou zijn op aansprakelijkheid uit wanprestatie. In zijn bijdrage aan de bundel Als een goed huisvader (Lankhorst 1992b) heeft Lankhorst, met name op grond van Duitse rechtspraak, bepleit om bij de begrenzing van aansprakelijkheid uit wanprestatie vaker te werken met het doel van de geschonden norm.
Zie § 5.2.
415. Het begrenzen van aansprakelijkheid aan de hand van de strekking van de geschonden norm is door de wetgever en in de doctrine vooral in verband gebracht met buitencontractuele aansprakelijkheid en in het bijzonder met aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Het relativiteitsvereiste is neergelegd in art. 6:162 lid 1 BW en art. 6:163 BW. Art. 6:163 BW is op zichzelf wel algemeen geformuleerd (“Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat (…)”). De plaatsing van dit artikel in afdeling 6.3.1 BW en na art. 6:162 BW doet echter voor de hand liggen dat bedoeld is een uitzonderingsregel voor de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad te geven. Ook in de wetsgeschiedenis wordt de relativiteitsleer vooral in dit licht geplaatst.1 Niettemin wordt in de wetsgeschiedenis en de doctrine erkend dat in het geval van de schending van een contractuele norm aansprakelijkheid aan de hand van het doel van die norm kan worden begrensd en deze begrenzing door middel van art. 6:98 BW kan worden verwezenlijkt.2 De theorievorming hieromtrent is echter bepaald beperkt.
416. Naar ik meen, kan het doel van een geschonden contractuele norm, veel vaker dan in de praktijk gebeurt, worden gebruikt om tot een redelijke begrenzing van aansprakelijkheid wegens schending van die norm te komen. Afgezien van exoneratiebedingen, ligt hier mijns inziens zelfs de voor de praktijk belangrijkste reden voor het begrenzen van contractuele aansprakelijkheid van de schuldenaar tegenover de schuldeiser.
Het doel van de geschonden contractuele norm is doorgaans niet van belang voor de vraag wie aanspraak heeft op schadevergoeding. Dat een niet-schuldeiser in beginsel geen aanspraak heeft op schadevergoeding in het geval van wanprestatie door een schuldenaar, volgt in de eerste plaats uit de functie van het contractenrecht in het rechtssysteem – het afdwingbaar maken van afspraken – en niet uit het doel van de geschonden norm.3 Hoewel doorgaans het doel van een contractuele verplichting niet zal zijn om een ander dan de schuldeiser te beschermen, heeft dat doel geen functie bij het beperken van de aansprakelijkheid van de schuldenaar tot de door de schuldeiser geleden schade.
Het doel van de geschonden verplichting heeft wel een belangrijke functie bij het bepalen van de omvang van de aansprakelijkheid van de schuldenaar tegenover de schuldeiser. In het navolgende bespreek ik eerst hoe zich laat rechtvaardigen om deze aansprakelijkheid aan de hand van dit doel te begrenzen (§ 8.5.2). Vervolgens bespreek ik diverse gevallen waarin de aansprakelijkheid van de schuldenaar tegenover de schuldeiser op deze wijze wordt begrensd (§ 8.5.3).