Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.8.9
3.8.9 Verdedigingsbeginsel
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400772:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In het arrest Transocean Martime Paint Association (HvJEG 23 oktober 1974, 17/74, Jur. 1974, p. 1063) aanvaardde het Hof voor het eerst de algemene regel dat adressaten van overheidsbeslissingen die aanmerkelijk in hun belangen worden getroffen, in staat moeten worden gesteld hun standpunt genoegzaam kenbaar te maken. Zie hieromtrent De Moor-van Vugt 1993, p. 86. Dit beginsel is in daarop volgende rechtspraak verder uitgebouwd tot het verdedigingsbeginsel, zie Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 78. In de uitspraak Al-Jubail (HvJEG 27 juni 1991, C-49/88, Jur. 1991, p. 1-3187, r.o. 15 e.v.) heeft het Hof bepaald dat het beginsel een fundamenteel karakter heeft en een Europees algemeen rechtsbeginsel vormt, waarvan de eerbiediging moet worden gegarandeerd door het Hof. Zie verder HvJEG 18 december 2008, C-349/07 (Sopropé), Jur. 2008, p. 1-10369, AB 2009, 29, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven; HvJEG 24 oktober 1996, C-32/95P (Commissie/Lisretal), Jur. 1996, p. 1-5373; HvJEG 29 juni 1994, C-135/92 (Fiskano), Jur. 1994 p. 1-2885, r.o. 39; HvJEG 12 februari 1992, gevoegde zaken C-48/90 en C-66/90 (Nederland e.a./Commissie), Jur. 1992, p. 1-565, r.o. 44 en HvJEG 13 februari 1979, 85/76 (Hoffmann-La Roche), Jur. 1979, p. 461, r.o. 11.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 15 juni 2006, C-28/05 (Dokter), Jur. 2006, p. 1-5431, AB 2006, 390, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 74; HvJEG 18 december 2008, C-349/07 (Sopropé), Jur. 2008, p. 1-10369, AB 2009, 29, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 38.
HvJEG 18 december 2008, C-349/07 (Sopropé), Jur. 2008, p. 1-10369, AB 2009, 29, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven. In de uitspraak Hoffmann-La Roche (HvJEG 31 maart 1977, 85/76 Jur. 1979, p. 461, r.o. 9) bepaalde het Hof dat het beginsel moet worden gerespecteerd in iedere (administratieve) procedure die kan leiden tot het opleggen van een sanctie, met name geldboeten of dwangsommen. In deze zaak ging het om een bezwarend besluit van de Europese Commissie, maar inmiddels is deze jurisprudentie ook van toepassing op nationale uitvoeringsorganen.
Zie Jans e.a. 2011, p. 181; De Moor-van Vugt 1999, p. 167; Gerrits-Janssens 1998.
HvJEG 24 oktober 1996, C-32/95P (Commissie/Lisretal), Jur. 1996, p. 1-5373. Zie hieromtrent Widdershoven/ Verhoeven e.a. 2007, p. 79.
HvJEG 18 december 2008, C-349/07 (Sopropé), Jur. 2008, p. 1-10369, AB 2009, 29, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven. Uit het arrest Dokter (HvJEG 15 juni 2006 C-28/05, Jur. 2006, p. 1-5431, AB 2006, 390, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 74) bleek al dat het verdedigingsbeginsel ook voor nationale uitvoeringsorganen relevant was. Voor deze arresten had het Hof hieromtrent nog geen uitspraken gedaan, hoewel in de literatuur al werd aangenomen dat het verdedigingsbeginsel ook van toepassing is op nationale uitvoeringsorganen die het EU-recht uitvoeren. Zie Tridimas 2006, p. 415 e.v.; Jans e.a. 2002, p. 241-242; Gerrits-Janssens 1998, p. 189; De Moor-van Vugt 1993, p. 83 e.v.
Rb Haarlem 3 april 2009, AB 2009, 326, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven (verordening) en HvJEG 15 juni 2006, C-28/05 (Dokter), Jur. 2006, p. 1-5431, AB 2006, 390, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven (richtlijn).
HvJEG 18 december 2008, C-349/07 (Sopropé), Jur. 2008, p. 1-10369, AB 2009, 29, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 38.
Dit recht is inmiddels ook neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten.
Zie Jans e.a. 2011, p.183 e.v. In artikel 48, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten is inmiddels bepaald dat aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, de eerbiediging van de rechten van de verdediging worden gegarandeerd.
Dit geldt in ieder geval in mededingingszaken. Zie Jans e.a. 2007, p. 191; De Moor-van Vugt 1993, p. 87.
Zie bijvoorbeeld artikel 27 van de Commissieverordening nr. 1122/2009.
Zie hieromtrent HvJEG 18 december 2008, C-349/07 (Sopropé), Jur. 2008, p.1-10369, AB 2009, 29, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven. Zie hieromtrent Jans e.a. 2011, p. 184.
Jans e.a. 2011, p. 184; Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 81; Tridimas 2006, p. 374 e.v.
HvJEG 18 oktober 1989, 374/87 (OrIcem), Jur. 1989, p. 3283, r.o. 35.
HvJEG 15 juni 2006, C-28/05 (Dokter), Jur. 2006, p. 1-5431, r.o. 75, AB 2006, 390, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, r.o. 74.
Zie bijvoorbeeld artikel 27, eerste lid, van de Verordening nr. 1122/2009.
Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging is te beschouwen als een grondbeginsel van Europees recht.1 Het beginsel moet zelfs bij ontbreken van iedere regeling inzake de betrokken procedure in acht worden genomen.2 Het Europese verdedigingsbeginsel geldt niet alleen voor het proces bij de rechter, maar is ook van toepassing wanneer een nationaal uitvoeringsorgaan voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Het beginsel houdt in dat adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken.3 Het beginsel heeft zich met name ontwikkeld in het mededingingsrecht,4 maar uit het arrest Lisretal blijkt dat onder een bezwarend besluit ook de intrekking van een Europese subsidie wordt geschaard.5
In de arresten Dokter en Sopropé heeft het Hof inmiddels geëxpliciteerd dat het verdedigingsbeginsel ook geldt voor nationale uitvoeringsorganen wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het Europese recht vallen, ook al voorziet de toepasselijke communautaire wetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit.6 Het kan daarbij gaan om zowel verordeningen als richtlijnen.7 Wat de tenuitvoerlegging van het verdedigingsbeginsel betreft geldt zoals blijkt uit het arrest Sopropé wel, voor zover gemeenschappelijke Europese regels ontbreken, dat de termijnen voor het uitoefenen van de rechten van de verdediging worden bepaald door het nationale recht. Volgens het Hof moeten deze termijnen even lang zijn als die waarover particulieren of ondernemingen in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties beschikken en de uitoefening van de door het Europese recht verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.8 Ook hier wordt de toepassing van het nationale recht beperkt door de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit.
Het kernrecht van het verdedigingsbeginsel is het recht te worden gehoord,9 maar er bestaan ook andere deelaspecten.10 In het kader van de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving is met name relevant het recht om geïnformeerd te worden indien een onderzoek wordt gestart met het oog op een eventuele bezwarend besluit ten opzichte van bepaalde personen.11 In de Europese subsidieregelgeving is dan ook in een aantal gevallen bepaald dat een controle ter plaatse aan een eindontvanger van de Europese subsidie mag worden aangekondigd.12 Degene ten aanzien waarvan een nationaal uitvoeringsorgaan voornemens is een bezwarend besluit te nemen, dient in de tweede plaats over voldoende tijd te beschikken om de verdediging voor te bereiden.13 Ten derde bestaat er een recht om zichzelf niet te incrimineren.14 In het mededingingsrecht heeft het Hof van Justitie overwogen dat de Commissie een onderneming niet mag dwingen antwoorden te geven, waardoor zij het bestaan van de inbreuk zou moeten erkennen, die de Commissie heeft te bewijzen.15 Wat betreft de verstrekking van Europese subsidies geldt dat het de eindontvanger van de Europese subsidie is die moet bewijzen dat een recht op subsidie bestaat en dat hij de subsidieverplichtingen heeft nageleefd. In dat opzicht is hij dan ook verplicht de relevante informatie aan het bevoegde nationale uitvoeringsorgaan te verstrekken en de controles te ondergaan die door nationale en Europese controleurs worden verricht. Indien bij deze controles onregelmatigheden worden geconstateerd en in de Europese subsidieverordening is voorgeschreven dat een bepaalde sanctie slechts kan worden opgelegd indien sprake is van opzet of grove nalatigheid, moet het nationaal uitvoeringsorgaan vervolgens wel aantonen dat daarvan sprake is.
Het verdedigingsbeginsel heeft geen absolute gelding, maar kan net als andere grondrechten worden beperkt. Deze beperkingen moeten zijn gelegen in doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.16 In het kader van de uitvoering van de Europese subsidieregelgeving is relevant dat in de Europese subsidieregelgeving soms is bepaald dat een controle ter plaatse niet mag worden aangekondigd, indien daarmee het doel van de controle in gevaar komt.17