Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.13.2:2.13.2 Tendensen naar een actievere civiele rechter
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.13.2
2.13.2 Tendensen naar een actievere civiele rechter
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS300995:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
72
Met de herziening van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering in 2002 heeft de civiele rechter goede instructiebevoegdheden gekregen, waarmee hij een vlot en efficiënt verloop van de procedure kan nastreven. Daarbij komt dat de Hoge Raad tot tweemaal toe de civiele rechter heeft toegestaan om ambtshalve door partijen onbesproken gelaten aspecten in de procedure te betrekken door deze aspecten op te werpen. Hiertoe kan de rechter niet zomaar overgaan. Zo moet de civiele rechter een aanknopingspunt vinden in het partijdebat, om te voorkomen dat hij met het opwerpen partijen voor een voldongen feit plaatst. Als partijen na het door de rechter opgeworpen aspect besluit dat zij dit niet wensen te betrekken in de procedure, dient de rechter het te laten rusten. Het uiteindelijke woord is dan ook aan partijen.
De vraag is of dit ver genoeg gaat. Tijdens de Fundamentele herbezinning op het burgerlijk procesrecht constateerde het driemanschap dat het nog wel wat verder mag gaan. Zo zou de rechter ook ambtshalve feitelijke informatie moeten mogen aanvullen, zelfs als partijen dit niet in de procedure betrokken wensen te zien. Dat zou een duidelijke trendbreuk opleveren met het op dit moment geldende burgerlijk procesrecht. Het driemanschap acht een dergelijke trendbreuk echter gerechtvaardigd. Procederen geschiedt met overheidsmiddelen en het beginsel van partijautonomie mag dan ook nimmer worden gebruikt om een doelmatig proces tegen te werken. Inventarisatie van alle geschilpunten in eerste aanleg past goed bij de doelstellingen van de herziening van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering uit 2002. Het zorgt voor een efficiënte procedure, omdat partijen precies weten waartegen zij zich moeten verweren en welke stellingen en bewijsmiddelen zij in de procedure moeten inbrengen. Bovendien verzekert het dat een uitspraak is gebaseerd op het materiële geschil en niet op de formele waarheid, zoals nu vaak het geval is. Overigens is op deze voorstellen van het driemanschap veel kritiek gekomen. Gezamenlijke verantwoordelijkheid zou een vreemd concept zijn in het civiele proces, waarin partijen per saldo tegenover elkaar staan. Van Schaick ziet bijvoorbeeld meer in een plicht tot openheid van procespartijen jegens elkaar, maar is van mening dat de rechter toch een wat teruggetrokken positie zou moeten innemen in het civiele proces.