Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/1.6
1.6 Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS587290:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 64 en 67, Hartkamp 1981, p. 215-217, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nr. 397 en Schut 1987, t.a.p.
Vgl. Schut 1987, t.a.p.
Zie Groene Serie Verbintenissenrecht, artikel 2 Boek 6 BW, aant. 72 (Vriend), Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11I* 2010, nrs. 414 en 446 en Van Brakel 1948, t.a.p. Zie in dezelfde zin Asser-Rutten 4-11 (C druk), p. 258 met verwijzing naar verdere literatuur. Zie ook Rijken 1984, nr. 34 en Hijma 1989, p. 14 e.v.
HR 17 februari 2006, NJ 2007, 378 (Royal & Sun Alliance/Universal Pictures).
Een contractuele uitsluiting van de redelijkheid en billijkheid zou immers neerkomen op een vrijbrief voor partijen om zich onredelijk te gedragen en is derhalve vanuit maatschappelijk oogpunt niet aanvaardbaar. Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 64111* 2010, nrs. 380 en 392.
Zie Groene Serie Verbintenissenrecht, artikel 2 Boek 6 BW, aant. 72 (Vriend) en Asser/ Hartkamp & Sieburgh 6-1111* 2010, nrs. 414 en 446 en Van Brakel 1948, t.a.p. Zie in dezelfde zin Asser-Rutten 4-11 (C druk), p. 258 met verwijzing naar verdere literatuur. Zie ook Rijken 1984, nr. 34 en Hijma 1989, p. 14 e.v.
Dat het in art. 6:2 lid 2/art.6:248 lid 2 gaat om elementaire maatschappelijke opvattingen over fatsoen en behoren wordt mijns inziens treffend weergegeven met het woord 'onaanvaardbaar'.
Vgl. Van der Grinten 1953, p. 28.
Vgl. Hesselink 1999b, p. 692.
En dus niet op de subjectieve gezindheid van partijen. Zie te dezen reeds HR 9 februari 1923, NJ 1923, 676 (Artist de Laboureur). Zie over beide arresten in dit kader Van Schilfgaarde 1984, p. 205. Zie voorts over het belang van de subjectieve gezindheid Scanlon 1998, p. 273.
HR 21 juni 1957, NJ 1959, 91 (Thurkow/Thurkow), curs. PSB. Zie in vergelijkbare zin over dit arrest Van Zaltbommel 1993, p. 47 en Asser-Rutten 4-11 (vijfde druk), p. 236. Zie over dit arrest ook Van Dunné 1976, p. 855 alsmede Valk, Losbl. Contractenrecht****1V-C, nr. 255.
HR 15 november 1957, NJ 1958, 67 (Baris/Riezenkamp), curs. PSB.
Deze regel geldt zowel in precontractuele als in contractuele verhoudingen. Zie o.m. HR 5 januari 2001, NJ 2001, 79 (Nethou/Multi Vastgoed), HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467 (CBB/ WO), HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 565 (Vodafone/ETC) en HR 10 juni 2011, NJ 2011, 423 (ING/Kreuger c.s.).
Bij De Kluiver 1992, p. 43, wordt erkend dat het rekening houden met elkaars gerechtvaardigde belangen een essentieel kenmerk is van de goede trouw, maar wordt dit kenmerk, opmerkelijk genoeg, niet afgeleid uit het (door De Kluiver betwiste) gedragsnormerende karakter van de goede trouw. Dit is opmerkelijk, omdat uit het gebruik van het woord 'gerechtvaardigd' al volgt dat de justitiabele die 'gerechtvaardigd' vertrouwt, bepaald gedrag (n.l. het honoreren van zijn vertrouwen) in het gegeven geval van zijn wederpartij mag verwachten. Van een 'mogen verwachten' als hier bedoeld kan enkel sprake zijn indien een norm voorradig is die genoemde verwachtingen als gerechtvaardigd erkent en welke norm de wederpartij dient na te leven. Die norm wordt gevormd door de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Aldus opgevat vormen de in art. 6:2 BW gehanteerde termen redelijkheid en billijkheid, in tegenstelling tot wat soms wordt aangenomen, geen tautologie maar een uit twee te onderscheiden termen opgebouwd begrippenpaar met ieder een eigen, elkaar wederzijds aanvullende, gedragsnormerende dimensie.1 Partijen bij een verbintenis — en in het bijzonder contractspartijen — dienen als redelijke mensen jegens elkaar te handelen en mitsdien rekening te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Mèt de verplichting tot redelijk handelen is tevens voor partijen de verplichting gegeven om billijkheid te betrachten ingeval een tussen hen geldende (contracts)regel door zijn algemeenheid in het gegeven geval tekortschiet en/of een star vasthouden aan die regel de gerechtvaardigde belangen van één der partijen zou schaden.2 Alsdan is het primair aan de partijen zelf om naar billijkheid tot een oplossing te komen, hetzij door de betreffende regel buiten toepassing te laten, hetzij door de onvolledigheid ervan op te heffen door additionele afspraken te maken, hetzij door een combinatie van beide. Blijven zij echter achter ten opzichte van hetgeen door de rechtsgemeenschap van hen aan redelijkheid en billijkheid wordt geëist, dan voert het binnen die rechtsgemeenschap geldende objectieve recht onverbiddelijk — ofwel dwingend en van rechtswege — datgene voor hen door, wat partijen hebben nagelaten uit zichzelf te doen.3 Al naar gelang de omstandigheden zal de door het objectieve recht aangewezen billijke oplossing kunnen bestaan uit aanvulling (art. 6:248 lid 1 BW) van de betreffende contractuele regel, ofwel uit (al dan niet gedeeltelijke)4beperking (art. 6:248 lid 2 BW) daarvan ofwel uit een combinatie van beide. Beide bepalingen zijn, als gezegd, van dwingend recht5 en werken steeds van rechtswege.6 Dit spreekt, gelet op het voorgaande, welhaast vanzelf: de (rechts-)gemeenschap zou betrekkelijk krachteloos zijn, indien het zich in de rechtsrelatie van partijen kunnen doorzetten van zijn meest elementaire7 opvattingen over fatsoen en behoorlijk handelen afhankelijk zou zijn van de (toevallige) goede gezindheid van partijen.8 Beide kenmerken van de redelijkheid en billijkheid leiden er tezamen toe dat deze norm steeds tussen partijen toepassing vindt, dat deze norm — ongeacht de eventuele instemming van partijen — steeds ten volle in de rechtsverhouding van partijen kan ingrijpen en (aldus) dat het in deze norm vervatte maatschappelijke gedachtegoed in die rechtsverhouding steeds onbelemmerd tot gelding kan worden gebracht.9
Uit het voorgaande volgt dat en waarom redelijkheid en billijkheid primair als een (in het maatschappelijke leven gewortelde) gedragsnorm voor de justitiabelen zijn op te vatten. Dat deze opvatting overeenstemt met het geldende recht volgt onder meer uit het feit dat de Hoge Raad in 1957 zelf heeft duidelijk gemaakt dat het bij de objectieve goede trouw aankomt op de vraag "wat in verband met de aard der overeenkomst en de omstandigheden de redelijkheid en billijkheid aan partijen voorschr(ij)ven."10,11 In datzelfde jaar formuleerde genoemd college in het arrest Baris/Riezenkamp vervolgens de regel, dat redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat partijen "hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij".12 Aan genoemde, klassiek geworden regel wordt door de Hoge Raad inmiddels al meer dan vijftig jaar onverstoorbaar vastgehouden.13 Het bestendig hanteren van die regel lijkt een vingerwijzing van de Hoge Raad in te houden dat de redelijkheid en billijkheid, althans in contractenrechtelijke verhoudingen, vooraleerst als gedragsnorm moeten worden opgevat.14