Einde inhoudsopgave
Werkgeverschap in concernverband (MSR nr. 82) 2023/5.2.2
5.2.2 Intraconcerndetachering en uitzendovereenkomst
Mr. M.A.N. van Schadewijk, datum 08-11-2022
- Datum
08-11-2022
- Auteur
Mr. M.A.N. van Schadewijk
- JCDI
JCDI:ADS681233:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1996/97, 25263, 3, p. 2 & 9.
A-G Van Peursem 15 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:238 (Care4Care), paragraaf 3.26. Het verlichte regime omvat, kort weergegeven, dat de ketenregeling van art. 7:668a BW pas van toepassing is als in meer dan 26 weken is gewerkt en dat gedurende de eerste 26 weken van de arbeidsovereenkomst in de arbeidsovereenkomst een uitzendbeding kan worden opgenomen. Daarnaast voorziet art. 7:691 BW in een op uitzending toegesneden risicoverdeling met betrekking tot loondoorbetaling als er geen werk is.
Kamerstukken II 1996/97, 25263, 3, p. 10; Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 20; Kamerstukken II 2018/19, 35074, 3, p. 39, 49-50 & 108.
Kamerstukken II 1996/97, 25263, 3, p. 10 & 34; Kamerstukken II 2018/19, 35074, 3, p. 43. In Hof Leeuwarden (vzr.) 24 mei 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5861, Ondernemingsrecht 2011/88, m.nt. Van de Bult (RS Uitzenden en RS Infra) zag het Hof in een kort geding over het hoofd dat het intraconcerndetachering betrof en achtte het een uitzendbeding rechtsgeldig.
Zoals de CAO voor Uitzendkrachten.
Tot aan de inwerkingtreding van de WAB was een ander belangrijk gevolg dat binnen concerns gebruik kon worden gemaakt van de verruimingsmogelijkheid van de ketenregeling voor uitzendovereenkomsten (art. 7:668a lid 5 onder a BW (oud)). Deze bepaling sloot intraconcerndetachering namelijk niet uit van de reikwijdte. Met de inwerkingtreding van de WAB heeft de wetgever dit gecorrigeerd door art. 7:668a lid 5 onder a BW (oud) te verplaatsen naar een nieuw art. 7:691 lid 8 BW.
Zie voor een overzicht van de discussie Conclusie A-G Van Peursem bij Care4Care, paragraaf 3.8-3.24.
In deze zin Zwemmer 2012, p. 273; Beltzer 2015b, p. 29-32; vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 28 mei 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:CA1457, JAR 2013/159, m.nt. Franssen (Mooy), r.o. 4.4.7.
HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2356, JAR 2016/286, m.nt. Knipschild, NJ 2017/370, m.nt. Verhulp, TRA 2017/8, m.nt. Buijs, PJ 2017/6, m.nt. Degelink, JIN 2017/1, m.nt. Van der Velden (Care4Care).
In gelijke zin Conclusie A-G Van Peursem bij Care4Care, paragraaf 3.28; Van der Kind, ArbeidsRecht 2012/43, p. 9; Bouwens, RMThemis 2014, p. 140; Dorenbos, Mourits & Waterman, TAO 2016, p. 165; Verburg, ArA 2017/1, p. 90.
HR (Belastingkamer) 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6755, BNB 2011/235, NTFR 2011/1359, m.nt. De Haan (Intra-concern), r.o. 3.3.3. Dit volgt tevens uit de zinsnede ‘de werkgever en de derde’ in art. 7:691 lid 6 BW. Idem Ktr. Arnhem 4 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6807, JAR 2015/303, m.nt. Zwemmer, JIN 2016/27, m.nt. Bevers & Brouwer (SNCU/Logiflex).
Idem Hof Leeuwarden (vzr.) 24 mei 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ5861, Ondernemingsrecht 2011/88, m.nt. Van de Bult (RS Uitzenden en RS Infra); Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:670, JAR 2015/69, m.nt. Knipschild (SNCU/Velocitas); Rb. ’s-Hertogenbosch (pres.) 1 juni 1992, NIPR 1993/135 (Bloemen/Jonker Fris BV); Ktr. Arnhem 4 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6807, JAR 2015/303, m.nt. Zwemmer, JIN 2016/27, m.nt. Bevers & Brouwer (SNCU/Logiflex); Ktr. Assen 19 december 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4888, JAR 2018/27 (Alescon).
Een andere lezing is dat de Hoge Raad in weerwil van de wetsgeschiedenis impliceerde dat ook met intraconcerndetachering een traditionele allocatiefunctie gemoeid kan gaan. Zie in deze zin A-G Van Ballegooijen 17 juni 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BO6755 (Intra-concern), paragraaf 5.5-5.6; Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:670, JAR 2015/69, m.nt. Knipschild (SNCU/Velocitas); Ktr. Arnhem 4 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6807, JAR 2015/303, m.nt. Zwemmer, JIN 2016/27, m.nt. Bevers & Brouwer (SNCU/Logiflex).
Kamerstukken II 1996/97, 25263, 3, p. 10 & 33; Conclusie A-G Van Peursem bij Care4Care, paragraaf 3.7.
Kamerstukken II 1996/97, 25263, 3, p. 10. Zie ook Kamerstukken II 2018/19, 35074, 3, p. 43, 111 & 146-147.
Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:670, JAR 2015/69, m.nt. Knipschild (SNCU/Velocitas); Ktr. Arnhem 4 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6807, JAR 2015/303, m.nt. Zwemmer, JIN 2016/27, m.nt. Bevers & Brouwer (SNCU/Logiflex); Verburg, ArbeidsRecht 2001/5, p. 30, en ArA 2017/1, p. 109; Zwemmer 2021, p. 463-464 & 506.
Zie voor voorbeelden in de rechtspraak Ktr. Amsterdam 22 april 1999, ECLI:NL:KTGAMS:1999:AG2411, JAR 1999/133; Ktr. Rotterdam 18 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3818, AR Updates 2017-0805 (Dylan Beheer); Ktr. Arnhem 11 oktober 2018, AR Updates 2018-1170 (Itho Daalderop Nederland BV). Deze uitspraken hebben betrekking op de ontslagrechtelijke positie van de intraconcern gedetacheerde werknemer, waarover paragraaf 5.4.
Kamerstukken II 1996/97, 25263, A, p. 3; Kamerstukken II 1996/97, 25263, B, p. 12. Zie ook Zwemmer 2012, p. 87-88.
Zou dergelijke incidentele uitlening wel te kwalificeren zijn als uitzending, dan valt niet goed in te zien op welke momenten er precies sprake is van een uitzendovereenkomst en hoe die uitzendovereenkomst precies tot stand komt. In Hof ’s-Gravenhage 20 december 2002, ECLI:NL:GHSGR:2002:AF1329, JAR 2002/293, m.nt. Verhulp, Ondernemingsrecht 2003/6, m.nt. Grapperhaus (CMG) oordeelde het Hof daarentegen in een zaak die niet zag op een concern, dat een werknemer die slechts voor een deel van zijn werkzaamheden werd uitgeleend, onder de ontslagregels voor uitzending viel. Zie over dit onderbelichte aspect van deze zaak de annotatie van Grapperhaus, paragraaf e, en Berenschot, ArbeidsRecht 2003/19, p. 13.
Met de invoering van de Wet flexibiliteit en zekerheid (hierna: ‘Flexwet’) in 1999 beoogde de Nederlandse wetgever tegemoet te komen aan de maatschappelijk gewenste flexibiliteit die uitzendrelaties met zich brengen, en tegelijkertijd duidelijkheid te bieden over de rechtspositie van partijen betrokken bij de uitzendrelatie.1 Als gevolg regelen art. 7:690 en 7:691 BW dat een uitzendovereenkomst een arbeidsovereenkomst is, waarvoor ten aanzien van de duur en het einde een verlicht regime geldt.2 Het verlichte regime bevestigt met andere woorden het werkgeverschap van een uitzendbureau, en houdt vervolgens rekening met de driehoeksrelatie door de werkgever extra flexibiliteit toe te kennen.
De uitzendovereenkomst is volgens art. 7:690 BW de arbeidsovereenkomst waarbij (1) de werkgever in het kader van diens beroep of bedrijf (2) de werknemer ter beschikking stelt aan een derde om (3) krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht (4) arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde. Het verlichte uitzendregime vindt zijn rechtvaardiging in de traditionele allocatiefunctie die uitzendbureaus vervullen op de arbeidsmarkt: een werkgever die er zijn beroep of bedrijf van maakt om de vraag naar en het aanbod van tijdelijke arbeid op de arbeidsmarkt bij elkaar te brengen, komt een zekere vrijheid toe ten aanzien van het aangaan en verbreken van de arbeidsovereenkomst.3
Bij intraconcerndetachering ontbreekt volgens de Nederlandse wetgever een allocatiefunctie voor de arbeidsmarkt. Art. 7:691 lid 6 BW bepaalt dat art. 7:691 BW niet van toepassing is op ‘de uitzendovereenkomst waarbij de werkgever en de derde in een groep zijn verbonden als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 dan wel de één een dochtermaatschappij is van de ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2’. De Nederlandse wetgever acht het ongewenst dat ‘arbeidsorganisaties’ via ‘een eigen uitzendbureau’ personeel ter beschikking stellen binnen de eigen organisatie, waarbij ingevolge art. 7:691 BW minder verplichtingen zouden gelden. Dit zou misbruik van rechtspersoonlijkheid in de hand werken.4 Voor de toepassing van art. 7:691 BW beschouwt de Nederlandse wetgever intraconcerndetachering dus als een vorm van interne terbeschikkingstelling binnen één arbeidsorganisatie. De relativering die art. 7:691 BW ten nadele van de werknemer aanbrengt op het werkgeverschap geldt daarom niet voor intraconcerndetachering. Redengevend is de afwezigheid van een allocatiefunctie die toepassing van het verlichte uitzendregime rechtvaardigt. De uitsluiting van het concern stoelt met andere woorden uitdrukkelijk op de ratio achter art. 7:691 BW.
Ondanks de uitsluiting van intraconcerndetachering van het verlichte uitzendregime komt de vraag op onder welke omstandigheden intraconcerndetachering voldoet aan de begripsomschrijving van de uitzendovereenkomst. Dit is weliswaar niet relevant voor de toepassing van art. 7:691 BW – daar valt intraconcerndetachering sowieso buiten –, maar er zijn ook andere bepalingen die aanknopen bij art. 7:690 BW en intraconcerndetachering niet uitsluiten van de reikwijdte.5 De kwalificatie van intraconcerndetachering als uitzending is met name relevant voor het payrollregime, dat het werkgeverschap van een uitlenende werkgever relativeert ten behoeve van de werknemersbescherming. De payrollovereenkomst is namelijk een bijzondere uitzendovereenkomst (zie par. 5.2.3).6
Voorheen werd betoogd dat het vereiste van bedrijfsmatige terbeschikkingstelling (onder 1) inhield dat de werkgever een traditionele allocatiefunctie op de arbeidsmarkt moest vervullen.7 In dat geval zou bij intraconcerndetachering nooit sprake zijn van een uitzendovereenkomst.8 In het Care4Care-arrest uit 2017 oordeelde de Hoge Raad echter dat een allocatiefunctie geen constitutief vereiste is voor een uitzendovereenkomst en dus niet gelijkstaat aan bedrijfsmatige terbeschikkingstelling.9 Ten aanzien van het concern had de Hoge Raad in het Intra-concern-arrest uit 2011 echter al geoordeeld dat intraconcerndetachering gepaard kan gaan met een uitzendovereenkomst. Was dat niet het geval, dan was het volgens de Hoge Raad niet nodig geweest intraconcerndetachering expliciet uit te zonderen van het uitzendregime in art. 7:691 lid 6 BW.10 Om dezelfde reden bestaat volgens de Hoge Raad evenmin twijfel over het antwoord op de vraag of bij intraconcerndetachering sprake is van terbeschikkingstelling aan een ‘derde’ (onder 2).11
Met deze overwegingen maakte de Hoge Raad duidelijk dat bij intraconcerndetachering sprake kan zijn van een uitzendovereenkomst12 en impliceerde hij bovendien (dus nog vóór Care4Care) dat toepassing van art. 7:690 BW geen traditionele allocatiefunctie vereist.13 Dit wil echter niet zeggen dat intraconcerndetachering altijd samengaat met een uitzendovereenkomst. Hoewel het begrip ‘bedrijfsmatige terbeschikkingstelling’ geen traditionele allocatiefunctie vereist, is daarvan bij intraconcerndetachering niet altijd sprake. Uit de parlementaire geschiedenis van de Flexwet volgt dat bedrijfsmatigheid betekent dat terbeschikkingstelling een doelstelling van de bedrijfs- of beroepsactiviteiten van de werkgever is. De wetgever beoogt via dit criterium de incidentele terbeschikkingstelling van werknemers door werkgevers die in feite hele andere beroeps- of bedrijfsactiviteiten hebben uit te sluiten van het verlichte uitzendregime.14 Ten aanzien van bedrijfsmatige terbeschikkingstelling in concernverband verwijst de regering naar ‘eigen uitzendbureaus’ die binnen de groep uitzenden.15 Het ligt voor de hand dat de regering hiermee doelt op personeelsvennootschappen die binnen het concern optreden als centrale werkgever van de werknemers die werkzaam zijn bij de verschillende werkmaatschappijen.16
Bedrijfsmatige terbeschikkingstelling in concernverband is mijns inziens echter niet beperkt tot personeelsvennootschappen. Het komt voor dat de werknemer in het concern aan de start van zijn dienstverband ‘gewoon’ werkzaam is voor zijn werkgever, maar vervolgens (bijvoorbeeld op grond van een employabilitybeleid) wordt uitgeleend aan een ander concernonderdeel. Meestal is de uitlening tijdelijk, maar ook denkbaar is dat de werknemer geen uitzicht meer heeft op werk bij zijn eigen werkgever of elders in het concern, bijvoorbeeld omdat zijn arbeidsplaats bij de werkgever inmiddels is vervallen.17 Ook in deze situatie is mijns inziens sprake van bedrijfsmatige terbeschikkingstelling. In dit verband acht ik van belang dat de wetgever benadrukt dat het ter beschikking stellen van werknemers aan derden niet de enige bedrijfsactiviteit van de werkgever hoeft te zijn.18 Bovendien bleek hiervoor dat het criterium van bedrijfsmatige terbeschikkingstelling vooral ten doel heeft incidentele uitlening buiten het bereik van de uitzendovereenkomst te houden. Van incidentele uitlening is sprake wanneer de werknemer in het concern in principe ‘gewoon’ werkzaam is voor zijn eigen werkgever en daarnaast (bijvoorbeeld op grond van een employabilitybeleid) flexibel wordt ingezet bij andere concernonderdelen. Steeds bestaat het voornemen dat de werknemer na het einde van de tewerkstelling weer werkzaam wordt voor zijn eigen werkgever.19 Wanneer de werknemer daarentegen uitsluitend werkzaam is voor één of meerdere andere concernonderdelen en dus geen arbeidsplaats (meer) heeft bij zijn eigen werkgever, kan niet meer worden gesproken van incidentele uitlening en kan mijns inziens worden aangenomen dat terbeschikkingstelling een bedrijfsactiviteit van de werkgever is.