Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.5
3.5 De wetswijziging van 2013
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196974:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Stb. 2012, 274).
De bewoordingen van art. 2:349a lid 2 BW (“gelet op”) kunnen de vraag oproepen wat de rechter precies moet doen met de belangen. Uit de MvT blijkt dat hij ze moet afwegen (Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, commentaar op artikel 2:349a BW (MvT)).
Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, commentaar op artikel 2:349a BW (MvT). Daar wordt verwezen naar HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, ARO 2008/4 (DSM). Zie over de belangenafweging in de jurisprudentie van voor de wetswijziging concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BB3523, bij HR 14 december 2007 (DSM).
Zie ook Eikelboom 2017, p. 3.7.
[102] Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing van het recht van enquête van kracht geworden.1 Dat bracht een wijziging mee van artikel 2:349a lid 2 BW. In de formulering van de bepaling is toen opgenomen dat een belangenafweging moet plaatsvinden.2 Dit is codificatie van jurisprudentie.3 Die belangenafweging is niet beperkt tot de belangen van de rechtspersoon en de verzoeker. Op de belangenafwegingen die moeten plaatsvinden bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen wordt uitgebreider teruggekomen, onder meer in 3.9. Voor het overige heeft de wetswijziging geen noemenswaardige veranderingen gebracht in deze bevoegdheid.4