Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.2:1.2 Een pleidooi, gebaseerd op drie veronderstellingen
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.2
1.2 Een pleidooi, gebaseerd op drie veronderstellingen
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS446013:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/aangifte_betalen_en_toezicht/aangifte_doen/aangifte_doen_belastingen_en_premies_betalen/aanslagbelastingen/ en http://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/aangifte_betalen_en_toezicht/aangifte_doen/aangifte_doen_belastingen_en_premies_betalen/aangiftebelastingen_u_berekent_zelf_hoeveel_belasting_u_moet_betalen.
Jansma, 1965, p. 527 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de verschillende in paragraaf 1.1 genoemde voorstellen maak ik op dat aan de voorkeur van de inspecteursvereniging, om de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting om te zetten naar aangiftebelastingen, drie veronderstellingen ten grondslag liggen die niet expliciet worden gemaakt. Overigens geldt dat niet alleen voor de inspecteursvereniging, ook bij de OESO (die een beweging naar ‘self-assessment’ signaleert) blijkt dat het geval. Hieronder zet ik de veronderstellingen uiteen.
De eerste veronderstelling is dat de heffingsmethoden elkaars tegenpolen zijn, waardoor er een keuze moet worden gemaakt tussen de ene of de andere. Dat klopt wanneer wordt uitgegaan van omschrijvingen als deze:
Bij een aanslagbelasting stelt de inspecteur de belastingschuld vast. Bij een aangiftebelasting berekent de belastingplichtige zelf hoe hoog de belastingschuld is.1
Bij een aanslagbelasting berekent de Belastingdienst hoeveel belasting de belastingplichtige is verschuldigd. Bij een aangiftebelasting berekent de belastingplichtige zelf hoeveel belasting hij moet betalen.2
Bij een aanslagbelasting ligt de verantwoordelijkheid voor de berekening van de belasting bij de inspecteur. Bij een aangiftebelasting ligt de verantwoordelijkheid voor de berekening van de belasting bij de belastingplichtige.3
De vraag is echter of deze omschrijvingen, en daarmee het beeld van tegenpolen, wel juist zijn. Wat houdt het verschil in verantwoordelijkheid bijvoorbeeld in? Betekent dit dat in het geval van een aanslagbelasting de belastingplichtige geen enkele verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van het formaliseren van de belastingschuld? Of ligt een en ander genuanceerder en heeft de belastingplichtige wel degelijk enige verantwoordelijkheid? Ik wijs ik er bovendien op dat de omschrijvingen uitgaan van een soort onveranderlijke grootheden. Dat zou inhouden dat de verantwoordelijkheidsverdeling sinds de invoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet is veranderd. En in hoeverre klopt het beeld nog dat enkel bij een aangiftebelasting de belasting- of inhoudingsplichtige uitrekent hoeveel belasting hij is verschuldigd? Met de huidige aangifteprogrammatuur voor de inkomstenbelasting kunnen partners bepaalde inkomensbestanddelen tegenwoordig net zo lang verdelen tot hun gezamenlijke bedrag aan belasting zo laag mogelijk is.
De tweede veronderstelling is dat de Nederlandse heffingsmethoden kunnen worden vereenzelvigd met de heffingstechnieken die in het buitenland worden toegepast. De Nederlandse voldoening op aangifte en afdracht op aangifte worden daarbij als een equivalent gezien van het Duitse “Selbstbesteuerung” of het Engelse “selfassessment”.4 Daarnaast ligt in deze veronderstelling de opvatting besloten dat er wereldwijd sprake is van twee universele heffingstechnieken. In de fiscale literatuur worden deze vaak aangeduid als enerzijds ‘self-assessment’ en anderzijds 'direct assessment’ of ‘administrative assessment’. De vraag is of die vermeende universaliteit daadwerkelijk bestaat.
De derde veronderstelling is dat altijd duidelijk is op grond van welke factoren de heffingsmethode moet worden gekozen. De argumenten die de inspecteursvereniging aandraagt, hebben (mede vanuit haar rol als de belangenbehartiger van de (hoger opgeleide) belastingambtenaren en de Belastingdienst in algemene zin) vooral betrekking op het wegvallen van de wettelijk verplichte aanslagregeling en daarmee het vergroten van de efficiency van de Belastingdienst. Daarnaast wil zij de correctiemogelijkheden vergroten om eventuele fouten in aanslagen gemakkelijker te kunnen herstellen. Dit roept de vraag op welke factoren relevant zijn bij het maken van een keuze ten aanzien van de heffingsmethoden. Zijn dat vooral factoren ten gunste van de uitvoering door de Belastingdienst of zijn er ook andere relevante factoren?
Het vergt nader onderzoek om vast te kunnen stellen of en in hoeverre bovenstaande veronderstellingen juist zijn.