Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.2.b
6.3.2.b Analyse
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS461644:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De Brusselse Conferentie van 1948 schreef een uniforme beschermingsduur als ius conventionis voor.
Lid 7 kent een mogelijkheid voor een beperkt aantal landen om dit ius conventionis te negeren. Zie hierover nader Ricketson & Ginsburg 2006, p. 567-568.
Zie ook par 5.3.2 onder (b)(ii).
Zo Ulmer 1975, p. 12, p 32 en p. 39; Ulmer 1977, p. 499, noot 26 in fine; Knap 1982, p. 233-235 en p. 237 (zie alinea 826 hiervoor); Schneider-Brodtmann 1996, p. 119, noot 101; Ginsburg 1999, p. 355, noot 280; Katzenberger 2006, p. 2121 en p. 2124. Vgl. ook Lucas & Lucas 2006, p. 958 e.v. (p. 960) en Carrascosa González 2004, p. 119, die er cumulatieve toepasselijkheid in zien. Dat het hier om een vreemdelingenrechtelijke reciprociteitsuitzondering gaat, wordt onderschreven door onder meer Róthlisberger 1906, p. 116; Dungs 1910, p. 39; Bappert & Wagner 1956, p. 41; Boytha 1988, p. 410-411; Spoendlin 1988, p. 13 en p. 15; Drexl 1990, p. 125-127; Locher 1993, p. 7-8. Zie ook par. 5.3.2 onder (b)(iv).
Zie ook Actes BC 1884, p. 21 (Procès-verbaux, openingsrede voorzitter Droz). Droz, de voorzitter van de eerste Berner conferenties, schetste de probleemstelling rond de vaststelling van de beschermingsduur als volgt: '(...) comment la durée de la protection, qui varie tellement d'Etat á Etat, sera-t-elle calculée? Sera-ce d'après la loi du pays d'origine ou d'après la loi nationale? Ou prendra-t-on l'une et l'autre comme base, en statuant que la durée n'excèdera dans aucun Etat celle accordée dans le pays d'origine?' In deze probleemstelling zien wij de twee mogelijkheden terug: ofwel een conflictenrechtelijke toepasselijkheid (hetzij de lex originis, hetzij de ('wet van het land van import', thans: de) lex loci protectionis), ofwel een vreemdelingenrechtelijke reciprociteitstoets. Men koos laatstgenoemde oplossing; vgl. ook Actes BC 1908, p. 163 (Procès-verbaux, toespraak gedelegeerde Osterrieth namens gastland Duitsland); Actes BC 1928, p. 241 (Resumé par le Bureau); Actes BC 1948, p. 143 (voorstel België en Bureau). Dat zal niet verbazen. De kwestie van de beschermingsduur werd niet opgelost met een louter conflictenrechtelijke benadering. Toepasselijkheid `pur et simple' van de nationale wet (de lex loci protectionis) op de beschermingsduur stuitte op het bezwaar dat een vreemd werk de volle beschermingsduur van die wet geniet, óók indien het in het land van oorsprong niet meer wordt beschermd. Deze consequentie werd onaanvaardbaar geacht. Toepasselijkheid van de lex originis op de beschermingsduur bracht ook geen oplossing: zij stuitte op het bezwaar dat vreemde werken mogelijk langer moeten worden beschermd dan nationale werken. Ook deze consequentie werd onaanvaardbaar geacht (een conflictenrechtelijke deelverwijzing naar de lex originis voor de beschermingsduur was dus uitgesloten voor de Berner verdragsopstellers). Het kwam er dus op neer dat men een vreemd werk geen voordeeltje gunde — het ging dus om een vreemdelingenrechtelijk probleem, waarvoor een beproefde vreemdelingenrechtelijke oplossing werd gekozen: een materiële-reciprociteitstoets. De Berner Conventie, die toepasselijkheid van de lex loci protectionis tot uitgangspunt nam, onderwierp de beschermingsduur bijgevolg aan een materiële-reciprociteitstoets vis-á-vis het land van oorsprong: het vreemde werk werd dus niet de langere beschermingsduur van de lex loci protectionis gegund. Het spiegelbeeld kwam ook voor. Zo onderwierp de Conventie van Montevideo van 1889, die de toepasselijkheid van de lex originis tot uitgangspunt nam, de beschermingsduur aan een materiële-reciprociteitstoets vis-à-vis het land waar de bescherming werd ingeroepen: het vreemde werk werd dan dus niet de langere beschermingsduur van zijn lex originis gegund. Het eindresultaat is in beide gevallen hetzelfde: het vreemde werk wordt beschermd gedurende de kortste beschermingsduur. Slechts in een zeldzaam geval werd de beschermingsduur bepaald door de lex originis zonder de veiligheidsklep van een materiële-reciprociteitstoets; zo bijvoorbeeld het bilaterale verdrag tussen Frankrijk en Equador van 1898 en de Conventie van Caracas van 1911 (zie noot 50 resp. noot 101 van hoofdstuk 2).
Vgl. Actes BC 1908, p. 163 (Procès-verbaux, toespraak gedelegeerde Osterrieth namens gastland Duitsland); Actes BC 1928, p. 241 (Resumé par le Bureau); Actes BC 1948, p. 143 (voorstel België en Bureau) en p. 213 e.v. (Discussions et résultats).
Bij de vergelijkingsexercitie gaat het om de 'netto-beschermingsduur': bijzondere bijstellingen, zoals verlengingen wegens oorlog, moeten ook worden meegenomen (vgl. Bureau de l'Union, DdA 1921 (Belgique), p. 14 over de Belgische wet van 25 juni 1921, Loi portant prorogation, en raison de la guerre, de la durée des droits de propriété littéraire et artistique).
Zie Actes BC 1884, p. 42 (Rapport de la Commission), de oorspronkelijk voorgestelde bepaling bepaalde namelijk: 'Toutefois ces avantages ne leur sont réciproquement assurés que pendant l'existence de Beurs droits dans leur pays d'origine.' (cursivering toegevoegd).
Zie par. 6.3.1 onder (a). Buiten het kader van de conventie —waar non-discriminatie geen gegeven is— is die keuze uiteraard wel van belang. Dat heeft de stellers van art. 42 Auteurswet kennelijk niet scherp voor ogen gestaan. Volgens deze bepaling '(...) kan in Nederland geenerlei beroep worden gedaan op auteursrecht, waarvan de duur in het land van oorsprong van het werk reeds verstreken is.' Kiest de bepaling daarmee het litigieuze werk tot referentiepunt? Als dat zo is — de parlementaire geschiedenis brengt geen duidelijkheid —, kan deze reciprociteitstoets buiten het kader van de Berner Conventie tandeloos zijn. Stel dat het land van oorsprong van het werk een beschermingsduur van 70 jaar post mortem auctoris kent, maar vreemde werken discrimineert door hen slechts 50 jaar p.m.a. te beschermen. Dat werk zou in Nederland dan toch de volle beschermingsduur van 70 jaar p.m.a. genieten omdat zijn behandeling in het referentieland maatgevend is (en niet de behandeling van Nederlandse werken in dat land).
847. Huidige bepaling. De wens van de eerste verdragsopstellers tot uniformering van de beschermingsduur is, sinds de Brusselse conferentie van 1948, in vervulling gegaan.1 Tegenwoordig decreteert artikel 7, lid 1 tot en met 5, van de Parijse conventie van 1971 ius conventionis inzake de beschermingsduur. Deze beschermingsduur omvat, voor 'gewone' werken, het leven van de auteur en vijftig jaren na zijn dood.2 De Unielanden hebben de bevoegdheid, zo meldt lid 6 voor alle zekerheid, om een langere beschermingsduur toe te kennen. De beschermingsduur wordt, zo besluit lid 8, in alle gevallen geregeld door de lex loci protectionis; tenzij deze wet anders beschikt, overschrijdt de duur evenwel niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur.
848. Eerste volzin: conflictenrechtelijk uitgangspunt. Daarmee brengt artikel 7 lid 8 vanuit conflictenrechtelijk oogpunt niets nieuws. Dat de beschermingsduur wordt beheerst door de lex loci protectionis, volgt immers reeds uit (de conflictregel in) het beginsel van nationale behandeling. De eerste volzin van artikel 7 lid 8 is hiervan slechts de bevestiging3en met deze bevestiging van het uitgangspunt vormt zij de opmaat tot de slotzin.
849. Tweede volzin: vreemdelingenrecht. De slotzin bepaalt vervolgens dat, tenzij de lex loci protectionis anders beschikt, de beschermingsduur van deze wet niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur overschrijdt. Aldus wordt het vreemde werk achtergesteld: de beschermingsduur, die door de als toepasselijk aangewezen lex loci protectionis aan het vreemde werk wordt verleend, wordt bijgesteld naar het inferieure niveau in het land van oorsprong van het werk. Hier is derhalve sprake van een materiële-reciprociteitsuitzondering. Het gaat hier niet om een conflictenrechtelijke (deel)verwijzing naar de lex originis, zoals sommige auteurs — vrijwel allen zonder onderbouwing — menen.4 Dit kan, zoals uit het bovenstaande reeds blijkt, niet uit de tekst of de structuur van de bepaling worden afgeleid. Over toepasselijkheid van de lex originis rept de bepaling niet — integendeel: zij onderstreept de heerschappij van de lex loci protectionis. Bovendien doelden reeds de eerste verdragsopstellers op een reciprociteitstoets.5 Zo is het ook door latere verdragsopstellers opgevat.6
850. Relatieve materiële-reciprociteitsuitzondering. De zogeheten duurvergelijking van artikel 7 lid 8 is een relatieve materiële-reciprociteitsuitzondering: de beschermingsduur wordt immers teruggebracht naar het inferieure niveau van de beschermingsduur in het referentieland.7 Dat referentieland is het land van oorsprong van het werk zoals gedefinieerd in artikel 5 lid 4. Een nationale duurvergelijkingsbepaling zoals artikel 79 lid 2 van de Belgische auteurswet 1994, die zich richt op het vaderland van de auteur, kan daarin uiteraard geen verandering brengen. Over het referentiepunt van de reciprociteitsuitzondering kan men twijfelen: richt de uitzondering zich op de beschermingsduur van het litigieuze werk in zijn land van oorsprong of op de beschermingsduur van een gelijk, eigen werk in dat land? Het lijkt erop dat de eerste verdragsopstellers eerstgenoemd referentiepunt voor ogen stond.8 Hoe dan ook, deze onduidelijkheid is niet bezwaarlijk: wij zagen reeds dat de keuze van het referentiepunt er binnen het kader van de Berner Conventie niet toe doet.9