Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/8.3
8.3 Aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS451576:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Dale, 14e herziene uitgave:rechtsbetrekking:juridische verhouding; rechtsverhouding:door wettelijke bepalingen geregelde verhouding. Aldus ook Pitlo, Het systeem van het Nederlandse Privaatrecht, negende druk 1988, p. 71. Zie ook nog AG Huydecoper die in zijn conclusie onder nr. 1 bij HR 2 oktober 2009, BJ1257, NJ 2009, 478 de volgens hem kleurloze aanduiding 'zakelijke betrekking' gebruikt omdat hij het woord rechtsverhouding, dat een twistpunt tussen partijen vormt, (nog) niet wenst te gebruiken.
B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen, serie recht en praktijk 128, Kluwer 2004, p. 3-4.
BR 29 januari 2010, BK2007: persoonlijke aantekeningen van de secretaris van het scheidsgericht of de arbiters zelf die tijdens of na de zitting zijn gemaakt van hetgeen tijdens de zitting is gezegd en voorgevallen, en waarin informatie is neergelegd over hetgeen door de partijen en de arbiters met betrekking tot de inhoud of de behandeling van de zaak op de zitting is meegedeeld, zijn bescheiden aangaande de rechtsbetrekking die tussen partijen in de arbitrage aan de orde is. Zij kunnen ook de rechtsbetrekking tussen de arbiters, hun secretaris en de partijen betreffen.
Anders HR 18 februari 2000, NJ 2001, 259, m.nt. Vlas, News International PLC, News Publishers Limited, News Datacom Limited en News Cayman Holdings Limited tegen de ABN AMRO Bank NV. In deze zaak was tussen News International c.s. enerzijds en Michael Clinger c.s. anderzijds in Engeland een procedure aanhangig, waarin News International c.s. schadevergoeding vorderen van Clinger c.s. In die procedure hebben News International c.s. gesteld dat Clinger c.s. op frauduleuze wijze hebben bewerkstelligd dat enkele met News International c.s. verbonden ondernemingen gebonden werden aan bezwarende contracten en door fraude via geheime en ongeoorloofde betalingen aanzienlijke geldbedragen van News International c.s. naar Clinger hebben doen vloeien. Er zijn aanwijzingen dat een aantal van die betalingen is verricht op bankrekeningen die bij de ABN-AMRO of haar rechtsvoorgangster werden aangehouden. Ingevolge een beschikking van 8 oktober 1997 van de Queen' s Bench Division van het Hooggerechtshof is op grond van het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken, Trb. 1979, 38 bij wege van rogatoire commissie aan de officier van justitie in Nederland verzocht om hem bepaalde documenten, waaronder bankafschriften, te doen overleggen die de ABN AMRO onder zich heeft. De rogatoire commissie strekt ertoe helderheid te verkrijgen omtrent de stellingen van News International c.s. De Hoge Raad verwerpt het beroep tegen de beschikking van de rechtbank waarin het verzoek is afgewezen en overweegt: 'Immers, de omstandigheid dat Clinger en de zijnen ... aanzienlijke geldbedragen van News International c.s. naar Clinger hebben doen vloeien en de omstandigheid dat er aanwijzingen zouden zijn dat een aantal van die betalingen is verricht op de rekeningen van evenvermelde rekeninghouders, brengen op zichzelf niet mee dat sprake is van een rechtsbetrekking tussen News International c.s. en de Bank. Voorts is niet gesteld dat anderszins sprake is van een rechtsbetrekking tussen News International c.s. en de Bank.'.
HR 24 september 2004, NJ 2008, 587, m.nt. C.E. du Perron. Zie ook HyJEG 4 oktober 2007, NJ 2008, 37 (Rampion).
Zie nader par. 2.1.3.
Zie verder M.A.J.G. Janssen, Criteria voor de beoordeling van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor of voorlopig deskundigenbericht, JBPR 2005, p. 216-228.
Van der Wiel, p. 51. In zijn conclusie bij I-1R 11 maart 1994, NJ 1995, 3 heeft Asser, in een andere context, gewezen op het (nu althans) voormalige art. 839 Rv. In dit artikel werd onder meer notarissen bevolen om afschriften van onder andere akten uit te reiken aan 'onmiddellijk belanghebbenden'. Ik geloof niet dat deze woorden ons dichter bij een nadere concretisering van het woord rechtsbetrekking brengen.
M.J. van Laarhoven, Samenhang in rechtsverhoudingen, p. 90-94.
Waarna ik, net als van Laarhoven op p. 94 van haar Samenhang in rechtsverhoudingen, M.A. Loth aanhaal die in de bundel onder redactie van A.M.P. Gaakeer en van hemzelf, Eenheid en verscheidenheid in recht en rechtswetenschap, Deventer Kluwer 2002, in zijn eigen bijdrage 'Tussen eenheid en verscheidenheid: contextualisme in taal, wetenschap en samenleving, p. 19-41, op p. 41 schrijft .. telkens blijkt dat er in het domein van de praktische rede geen zekerheden bestaan, maar dat evenmin telkens alles opnieuw hoeft te worden bedacht, kortom dat alles van de context afhankelijk is.'
Zo ook onder meer Ekelmans, en Westenberg in Van der Korst e.a. Von Schmidt auf Altenstadt pleit in TVC 2002, p. 13 zelfs voor doorhaling van de oneigenlijke beperking van het bestanddeel `aangaande de rechtsbetrekking waarin men partij is'.
Te vinden onder nr. 20 van zijn conclusie bij HR 21 januari 2005, NJ 2005, 249.
De woorden rechtsbetrekking en rechtsverhouding zijn synoniem.1 Ik sluit mij aan bij de door Van der Wiel gegeven definitie van rechtsverhouding: het moet gaan om een juridische verhouding, een samenstel van tussen rechtssubjecten bestaande, onderling samenhangende rechten en verplichtingen.2 Hieronder vallen in elk geval alle verbintenissen, ongeacht of zij zijn ontstaan uit overeenkomst of uit de wet.3 Het bestaan van de rechtsbetrekking op grond waarvan de inzage wordt gevorderd, hoeft niet meer dan aannemelijk te zijn. Een grotere graad van waarschijnlijkheid doet afbreuk aan de reden waarom inzage wordt gevraagd. Die reden is immers om het bestaan en/of de inhoud van die betrekking aan te tonen.
De tekst van lid 1 van art. 843a Rv schrijft niet voor dat er een rechtsbetrekking moet bestaan tussen de partij die inzage vordert en de partij die de inzage kan geven. Er staat immers in die tekst niet meer dan dat een partij inzage kan vorderen in bescheiden aangaande een rechtsbetrekking, van degene die de bescheiden onder zich heeft. Er staat niet dat de vordering tot inzage alleen maar gericht kan worden tot de partij waarmee de eiser die rechtsbetrekking heeft.4
Ik bepleit dat bij de uitleg van de inhoud van het woord 'rechtsbetrekking' aansluiting gezocht moet worden bij Vleesmeesters-Alog.5 Hetgeen de Hoge Raad in die zaak heeft geoordeeld over `de betrokken derde' is volgens mij bruikbaar bij de uitleg van het woord rechtsbetrekking in art. 843a Rv. De Hoge Raad stelt in Vleesmeesters-Alog het volgende voorop. Wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractsverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. Daar waar de Hoge Raad van oordeel is dat er dus een regel bestaat inhoudende dat partijen die, geschakeld door verschillende overeenkomsten, verbonden zijn en elkaars belangen niet zonder meer mogen verwaarlozen, lijkt het mij dat, deze regel bezien in samenhang met de opmerking van de wetgever inhoudende dat ook een verbintenis uit onrechtmatige daad een 'rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv' oplevert, thans de stelling juist is dat partij A, die procedeert tegen partij B, van een partij C, die in enige geschakelde relatie staat met partij B, inzage in bescheiden kan vragen. Zoals hiervoor al is geconstateerd, is het overbrengen van een dergelijke materieel-rechtelijke norm naar het procesrecht niet nieuw. Ook de verplichting om (ongevraagd) inlichtingen en informatie te verschaffen heeft zich allereerst in het materiële recht ontwikkeld, waarna die verplichting ook in het formele recht nader is uitgewerkt en geconcretiseerd.6 Eventueel noodzakelijke beperkingen dienen vervolgens aangebracht te worden via de bestanddelen rechtmatig belang in lid 1 en gewichtige redenen in lid 4 van art. 843a Rv. Aldus blijkt dat het materieel-rechtelijk leerstuk van de samenhangende rechtsverhoudingen ook een procesrechtelijke component heeft.
De parlementaire geschiedenis staat in elk geval niet in de weg aan zo een ruime uitleg van het begrip rechtsbetrekking, dat ook een partij C inzage moeten geven aan partij A en/of partij B in stukken die van belang zijn voor de rechtsbetrekking tussen partij A en B. De vraag of een inbreuk op de privacy van derden toelaatbaar is, dient in het licht van de woorden 'gewichtige redenen' in lid 4 van art. 843a Rv beantwoord te worden. Ook bij de uitleg van het woord rechtsbetrekking dient gewezen te worden op het feit dat waar het mogelijk is om derden of vierden als getuigen te horen over zaken die zich in beginsel tussen die derde en vierde hebben afgespeeld, maar die van belang kunnen zijn om de rechtsbetrekking tussen A en B te verduidelijken, het ook mogelijk moet zijn om die derde of vierde te gelasten om inzage te geven in bepaalde bescheiden. Wat dat betreft bestaat er geen rechtens relevant verschil tussen het bewijsmiddel 'getuige' en het bewijsmiddel 'inzage'.
De wijze waarop ik de verwoording van dit bestanddeel in lid 1 van art. 843a Rv lees, lijkt ook beter te passen bij het gegroeide inzicht in het belang van de waarheidsvinding en de reeds bestaande mogelijkheden van het vergaren van andere bewijsmiddelen, zoals bewijs door getuigenverklaringen, bewijs in het kader van een voorlopig getuigenverhoor en/of voorlopig deskundigenonderzoek. Vergaring van bewijs via deze bewijsmiddelen lukt immers alleen niet indien, kort gezegd, misbruik van de betreffende bevoegdheid wordt gemaakt of anderszins sprake is van strijd met een goede procesorde (inclusief het hebben van geen belang en misbruik van recht) of indien het verzoek van de met het bewijs belaste afstuit op een zwaarwichtiger geoordeeld bezwaar.7 Met Van der Wiel ben ik dan ook van mening dat wanneer partij A voldoende onderbouwd heeft gesteld dat hij met partij B bijvoorbeeld een overeenkomst heeft, in het kader van welke overeenkomst B wanprestatie heeft gepleegd omdat hij met partij C een schriftelijke overeenkomst heeft gesloten, er sprake is van een rechtsbetrekking tussen A en B. In het kader van de wanprestatievordering die A tegen B kan instellen, dient A vervolgens met succes op de voet van art. 843a lid 1 Rv van C inzage in de overeenkomst B-C te kunnen vorderen.8 Ook indien A stelt dat B hem heeft opgelicht en het aldus buitgemaakte geld heeft overgemaakt op de bankrekening van C dient A inzage in de bankrekening van C te kunnen vorderen teneinde te kunnen controleren of B inderdaad geld heeft gestort op de rekening van C. Ik wijs er hierbij op dat A C ook als getuige kan oproepen om dezelfde informatie te vergaren. Het tot dusverre enkel in het materiële recht gehanteerde leerstuk van de samenhangende rechtsverhoudingen kan ook hier toegepast worden. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een dergelijke rechtsverhouding kan aan een aantal factoren worden getoetst. Sommige van de hierna door mij te noemen factoren zijn afgeleid van de door Van Laarhoven genoemde factoren waarbij ik die factoren, voor zover noodzakelijk, heb vertaald van het materiële recht naar het procesrecht.9 Mogelijke relevante factoren aan de hand waarvan getoetst kan worden of er sprake is van een processueel samenhangende rechtsverhouding zijn de volgende: de feitelijk en/of economische samenhang tussen de betrokkenen, het inzicht dat de betrokkenen in deze samenhang hadden, de onderlinge verhouding en hoedanigheid van partijen, de schade en overlast die de vordering tot inzage bij de derde kan veroorzaken en het belang van de waarheidsvinding.10 Zo zal dit laatste belang in een afstammingsactie groter zijn dan in een zaak met een klein financieel belang. Bezien in het hiervoor geschetste kader hebben personen die binnen een uitstraalstoot van afvalstoffen van een fabriek wonen en die stellen dat de uitstoot onrechtmatig is ten opzichte van hen, een rechtsbetrekking met die fabriek op grond waarvan zij inzage in bescheiden kunnen vorderen. Hun gezondheid vormt in dat geval het rechtmatige belang.
Concluderend: het bestaan van een rechtsbetrekking behoort slechts marginaal te worden getoetst, waarbij een verhouding snel een rechtsbetrekking mag worden genoemd. Die noodzakelijke rechtsbetrekking hoeft niet te bestaan tussen de partij die inzage vordert en de partij die de inzage kan verstrekken. Er zijn geen goede redenen waarom van een derde die als getuige kan worden gehoord over bijvoorbeeld de vraag hoe hard de auto's die op elkaar zijn gebotst reden, niet ook inzage kan worden verlangd van de door hem van de botsing genomen foto's.11 Ik zie dan ook geen steekhoudende redenen om Huydecoper te volgen waar hij schrijft dat art. 843a Rv de aanspraak op informatie vrij aanzienlijk beperkt door de eis dat er (nauw) verband moet bestaan met een rechtsbetrekking waarbij men partij is.12