Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/2.3
2.3 Forse uitbreiding van kwalitatieve aansprakelijkheid in het NBW
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296732:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Tjittes 1995, p. 274.
Scholten 1899, p. 12-34; Valkhof 1949, p. 12-14; Lindenbergh 2016, p. 5-8.
Nieuwenhuis 1983, p. 583-584, wees er treffend op dat de techniek niet alleen de hand versterkte, maar zich daarvan ook ‘losmaakte’.
Vranken 1988, p. 245, 252.
Zo meent Van Maanen 1984, p. 389-393 en 412-417, dat de opkomst van de trein – en een daarmee gepaard gaande toename van ongevallen – heeft geleid tot een belangrijke principiële doorbraak in de ontwikkeling van de ‘risicogedachte’. Art. 1 van de Spoorwegwet van 1859 bracht namelijk een omkering van de bewijslast ten gunste van degene die ‘bij de uitoefening der dienst’ schade leed. Dit werd wel gezien als een eerste afwijking van de strikte toepassing van het schuldbeginsel. Zie ook Klaassen 1991, p. 80-81.
Vgl. Oldenhuis 1985, p. 2.
O.a. Oldenhuis 1985, p. 1-4 en Klaassen 1991, p. 212-213; Oldenhuis 2014, p. 118. Zie voortsKamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 16.
Zie ook Lubach 2005, p. 138 e.v.; Verheij 2015, p. 11.
De Leidse hoogleraar Eduard Maurits Meijers (1880-1954) ontving in 1947 de Koninklijke opdracht een nieuw BW te ontwerpen ter vervanging van het uit 1838 stammende OBW. Zie hierover ook par. 2.5.
Zie nader over de vraagpuntenprocedure Süte 2004, p. 63-76.
Parl. gesch. Boek 6, p. 734, 737, 743.
Parl. gesch. Boek 6, p. 733-735.
De aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen werd in 1983 bij de zogenoemde ‘Stofkam-operatie’ uit het ontwerp voor Boek 6 geschrapt en werd in het – door de Aanvullingswet 1995 bestreken – bredere perspectief van de aansprakelijkheid voor milieuschade geplaatst. Zie Parl. gesch. Voortgang (Inv. 3, 5 en 6), p. 32; Parl. gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1343-1346, 1390-1392.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 6-8. Zie zelfs onder referte aan de zojuist genoemde vraagpuntenprocedure Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 12.
De op een vermoeden van fout gebaseerde aansprakelijkheid van ouders voor kinderen uit lid 2 van art. 1403 OBW keerde terug in lid 2 van art. 6:169 (kinderen van 14 en 15 jaar). Een specifieke aansprakelijkheid van onderwijzers voor leerlingen als lid 4 van art. 1403 OBW kent het huidige BW niet; deze is opgegaan in de algemene foutaansprakelijkheid ex art. 6:162.
Ter implementatie van een in 1985 tot stand gekomen EG-richtlijn (PbEG 1985, L 210/29), aanvankelijk ingevoegd in art. 1407a-1407i OBW (Kamerstukken nr. 19636) en na de inwerkingtreding van Boek 6 BW in 1992 zonder inhoudelijke aanpassingen ondergebracht in afd. 6.3.3 BW (Kamerstukken nr. 21430).
In het kader van de Aanvullingswet 1995. Het ontwerp voor deze wet werd in 1989 bij de Tweede Kamer ingediend en in 1993 aangenomen. Een jaar later volgde de Eerste Kamer, waarna de wet in werking trad op 1 februari 1995.
Kamerstukken nr. 26219.
Kamerstukken nr. 29955.
Kamerstukken nr. 30475.
Kamerstukken nr. 30519, i.h.b. Kamerstukken I 2014/15, 30519, 31, item 6.
Kamerstukken nr. 31389, i.h.b. Kamerstukken II 2009/10, 31389, 68.
Kamerstukken nr. 34041.
Kamerstukken nr. 34436. Naar aanleiding van HR 17 december 2010, NJ 2012/155, m.nt. Hartlief (Wilnis) is de beheerder van een ‘waterstaatswerk’ (ontleend aan art. 1.1 Waterwet) op één lijn gesteld met de beheerder van de openbare weg.
Art. 6:183 lid 1, dat handelt over het jeugdige kind alsmede de geestelijke en lichamelijke tekortkoming, heeft op de gehele afd. 6.3.2 BW betrekking.
Zie voor ‘koudwatervrees’ ten aanzien van ‘echte’ kwalitatieve aansprakelijkheid onder vigeur van het OBW bijvoorbeeld HR 13 juni 1975, NJ 1975/509, m.nt. GJS (Amercentrale) en Rb. Rotterdam 8 juni 1990,NJ 1991/210 (Overlijden na hondenbeet). Ruimhartiger, in ieder geval voor wat betreft art. 6:169, is inmiddels HR 25 april 2008, NJ 2008/262 (Boekema/X c.s.).
In deze zin reeds voorafgaande aan de invoering van afd. 6.3.2 BW in 1992 is Klaassen 1991, p. 24. Overigens moet het verschil tussen fout- en kwalitatieve aansprakelijkheid ook niet in alle gevallen worden overschat. Zo spelen blijkens de Wilnis-doctrine ‘foutelementen’ bijvoorbeeld een voorname rol op het terrein van art. 6:173 en 174.
De kiem van de transformatie van het qua kwalitatieve aansprakelijkheid ‘sobere’ OBW in de huidige kleurrijke afd. 6.3.2 BW, is gelegen in de Industriële revolutie in het midden van de 19e eeuw. Het maatschappijbeeld veranderde ingrijpend door de uitvinding van de stoommachine en andere industriële en technologische ontwikkelingen. De samenleving werd technisch en organisatorisch ingewikkelder en veelomvattender.1 Onderlinge verantwoordelijkheden en verhoudingen werden door schaalvergroting ondoorzichtiger, organisatiestructuren kenden meer schijven en tussenschakels dan voorheen. Met een steeds intensiever productieproces en almaar groeiende maatschappelijke bedrijvigheid steeg ook het aantal schadegevallen door ‘het bedrijfsleven’. Bestaande gevaren namen toe en geheel nieuwe risico’s zagen het licht.2 Technologische ontwikkelingen en automatisering leidden ertoe dat meer en meer sprake was van ‘zelfstandig’ schadeveroorzakende zaken, zónder direct aanwijsbare menselijke betrokkenheid.3 Wellicht was ‘ergens in de keten’ wel een menselijke fout gemaakt, maar voor benadeelden – als buitenstaander – was het veelal ondoenlijk in het netwerk van alle betrokkenen aan te tonen wat er precies fout was gegaan en/of wie de desbetreffende ‘fout’ had gemaakt. Vranken wees er treffend op dat in de verander(en)de samenleving de ‘schuldvraag’ werd fijngemalen in een netwerk van betrokkenen, die allemaal slechts voor hún onderdeel aansprakelijk waren, niemand voor het geheel.4 Het traditionele ‘fout-vereiste’ stelde benadeelden steeds vaker voor (bewijs)problemen. Nadat aanvankelijk de vrijheid van economische activiteit hoger werd gewaardeerd, kreeg gaandeweg de gedachte van slachtofferbescherming een steeds sterker accent.5 De ‘traditionele’ regeling van art. 1401 en 1402 OBW begon daarbij te wringen.6 Mede tegen de achtergrond van een toenemende verzekerbaarheid van aansprakelijkheidsrisico’s, werd steeds breder gedragen de redenering dat de schade primair gedragen diende te worden gedragen door (de verzekeraar van) degene die in bedrijfsmatig verband het ‘verhoogde’ gevaar in het leven had geroepen. Hieraan diende het ontbreken van persoonlijke verwijtbaarheid niet af te doen. Het werd onredelijk(er) geacht dat de schade van de alsdan eveneens ‘onschuldige’ benadeelde onvergoed zou blijven.7 In de almaar complexer en gevaarlijker wordende samenleving behoorden benadeelden steeds langs eenvoudig vaststelbare weg hun schade vergoed te kunnen krijgen. Het is tegen deze achtergrond dat in het NBW ten opzichte van het OBW de forse uitbreiding van het aantal gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid plaatsvond.8
Het concrete fundament van de huidige afd. 6.3.2 BW is gelegen in de zogeheten vraagpuntenprocedure, aan de hand waarvan wetsontwerper Meijers9 met de volksvertegenwoordiging overlegde over bepaalde hoofdzaken van het nieuw te ontwerpen burgerlijk recht.10 Een van deze vraagpunten (‘Vraagpunt 15’) stelde aan de orde of een ‘bijzondere’ aansprakelijkheid voor ‘gevaarlijke voorwerpen’ wenselijk werd geacht.11 Hierbij werd behoudens motorrijtuigen in beweging in ieder geval gedacht aan in gebruik zijnde machines en werktuigen, dieren, springstoffen, licht ontvlambare stoffen en vuurwapens.12 Het antwoord op Vraagpunt 15 van de Minister van Justitie en de vaste Commissie voor Privaat- en Strafrecht luidde bevestigend.13 De uitwerking hiervan heeft uiteindelijk geresulteerd in de in afd. 6.3.2 BW opgenomen kwalitatieve aansprakelijkheden voor roerende zaken, opstallen, dieren en – na een omweg – gevaarlijke stoffen.14 Dat het bieden van (financiële) bescherming tegen ‘gevaarlijke voorwerpen’ de grondgedachte achter de in afd. 6.3.2 BW opgenomen aansprakelijkheden voor zaken is, is bevestigd in de toelichting op de Aanvullingswet 1995. Hierin kwam niet alleen het toen (alsnog) in te voeren art. 6:175 aan de orde, maar werd ook nog eens ingegaan op de al in 1992 ingevoerde art. 6:173, 174 en 179:
‘Aan al deze aansprakelijkheden ligt dezelfde gedachte ten grondslag, nl. dat het hier gaat om bronnen van verhoogd gevaar en dat, zo dit gevaar zich verwezenlijkt, de slachtoffers hun bescherming dienen te vinden in een aansprakelijkheid van degene die voor het uit deze bron voortvloeiende gevaar verantwoordelijk moet worden geacht.’15 (curs. AK)
Bezien we de ontwikkeling die afd. 6.3.2 BW sinds haar invoering in 1992 tot op heden heeft doorgemaakt, dan blijkt sprake te zijn van een trend van steeds meer kwalitatieve aansprakelijkheid. In de oorspronkelijke afd. 6.3.2 BW keerden, gelet op de ‘bijzondere’ aansprakelijkheden die het OBW al kende, allereerst weinig verrassend de ‘traditionele’ aansprakelijkheden voor ondergeschikten (art. 6:170), opstallen (art. 6:174) en dieren (art. 6:179) terug. Hiernaast waren op het gebied van de aansprakelijkheid voor personen ‘nieuw’ de aansprakelijkheid voor kinderen tot veertien jaar (art. 6:169 lid 1),16 zelfstandige hulppersonen (art. 6:171) en vertegenwoordigers (art. 6:172). ‘Nieuw’ in 1992 op het gebied van zaken waren de aansprakelijkheid voor roerende zaken (art. 6:173), de aansprakelijkheid voor openbare wegen, leidingen en die van de erfpachter (art. 6:174 lid 2), evenals die van de bedrijfsmatige gebruiker (art. 6:181). Ondertussen was per 1 november 1990 al een kwalitatieve aansprakelijkheid van de producent voor gebrekkige producten ingevoerd, de huidige afd. 6.3.3 BW.17 Een belangrijke aanvulling van afd. 6.3.2 BW betrof de toevoeging in 1995 van de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (6:175), stortplaatsen (6:176) en mijnbouwwerken (6:177).18 Deze laatste bepaling werd in 2003 nog uitgebreid met een bepaling over aansprakelijkheid voor bodemdaling. Bij diezelfde gelegenheid werd door middel van een nieuw lid 3 van art. 6:174 een afzonderlijke aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van ondergrondse werken ingevoegd.19 In 2005 werd de reikwijdte van art. 6:173 uitgebouwd, in die zin dat voortaan ook de – tot dan toe in lid 3 uitgezonderde – motorrijtuigen onder de hoofdregel van lid 1 vallen.20 In 2008 werd art. 6:174 uitgebreid, door in lid 2 naast de leidingbeheerder ook een aansprakelijkheid van de kabelbeheerder op te nemen.21 Met een initiatiefvoorstel werd voorts nog getracht de aansprakelijkheid voor kinderen ex art. 6:169 uit te breiden, maar dit sneuvelde in 2015 in de Eerste Kamer.22 Ondertussen was op 1 januari 2013 wel het nieuwe art. 3:2a ingevoerd met betrekking tot de ‘ontzakelijking’ van dieren.23 Per 31 december 2016 werd het nieuwe art. 6:177a ingevoegd, waarmee een wettelijk bewijsvermoeden werd geïntroduceerd met als doel het versterken van de (bewijs)positie van benadeelden met aardbevingsschade door gaswinning uit het Groningenveld.24 De laatste wijziging van afd. 6.3.2 BW betreft de uitbreiding per 1 januari 2017 van het toepassingsbereik van de aansprakelijkheid voor openbare wegen ex lid 2 van art. 6:174 met de aansprakelijkheid voor waterstaatswerken.25
Inmiddels dekt de titel van afd. 6.3.2 BW – ‘Aansprakelijkheid voor personen en zaken’ – de lading niet meer. Dieren worden niet meer als zaken in de zin van art. 3:2 gezien, terwijl de in 1995 aan de afdeling toegevoegde gevaarlijke stoffen, eenmaal ontsnapt aan de menselijke beheersing, evenmin (nog) zaken zijn als bedoeld in art. 3:2. Thans valt afd. 6.3.2 BW uiteen in een aansprakelijkheid voor personen (art. 6:169-172) enerzijds en anderzijds zaken, stoffen en dieren (art. 6:173-184).26 Deze bonte afdeling toont dat het verschijnsel kwalitatieve aansprakelijkheid vandaag de dag – anders dan onder het OBW – niet meer als ‘uitzonderlijk’ heeft te gelden.27 Tegenwoordig is het algemeen geaccepteerd dat in bepaalde gevallen ook buiten het traditionele ‘fout-vereiste’ (afd. 6.3.1 BW) schadeverplaatsing naar een ander mogelijk behoort te zijn.28