Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.2.3.2
12.2.3.2 De relevantie van de Poolse zaken en Sporrong en Lönnroth/Zweden voor schaduwschade
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS443823:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld EHRM 29 maart 2011, Potomska en Potomski/Polen, r.o. 66 en 79 (zaaknr. 33949/05): ‘[I]t should be stressed that uncertainty – be it legislative, administrative or arising from practices applied by the authorities – is a factor to be taken into account in assessing the State’s conduct. Indeed, where an issue in the general interest is at stake, it is incumbent on the public authorities to act in good time, in an appropriate and consistent manner (…). (…) In addition, the applicants’ situation was compounded by the state of uncertainty in which they found themselves, in view of the continued impossibility of developing their property or having it expropriated.’ Zie ook EHRM 5 januari 2000, Beyeler/Italië, r.o. 117-122 (zaaknr. 33202/96) en EHRM 22 juni 2004, Broniowski/Polen, r.o. 151 en 185 (zaaknr. 31443/96). Zie over de rol van onzekerheid over eigendomsbelangen bij de proportionaliteitsbeoordeling in het algemeen ook paragraaf 9.5.4.
Overigens is het in situaties van schaduwschade ook heel goed mogelijk dat een bouwverbod bestaat of dat een vergunning om te bouwen (tijdelijk) niet verleend wordt. In Nederland kan bij het voornemen om een bestemmingsplan te wijzigen bijvoorbeeld een voorbereidingsbesluit genomen worden op grond van art. 3.7 Wro. Indien zo’n voorbereidingsbesluit genomen is, moet een aanvraag om een vergunning om te bouwen aangehouden worden en mag deze dus niet verleend worden (zie art. 3.3 Wabo).
Zie EHRM 23 september 1982, Sporrong en Lönnroth/Zweden, r.o. 16-17 en 23-24 (zaaknr. 7151/75).
Zie EHRM 17 juli 2007, Rosiński/Polen, r.o. 46 (zaaknr. 17373/02) en EHRM 26 februari 2008, Buczkiewicz/Polen, r.o. 40 (zaaknr. 10446/03).
Zie EHRM 7 december 2010, Tarnawczyk/Polen (zaaknr. 27480/02).
In de in paragraaf 12.2.2 genoemde Poolse zaken (hierna: de Poolse zaken) waren de voornemens voor de nieuwe werken en activiteiten reeds geconcretiseerd in bestemmingsplannen.1 Deze bestemmingsplannen vormden de basis voor een (toekomstige) onteigening, maar hun bestemmingen werden vervolgens niet binnen afzienbare tijd gerealiseerd als gevolg waarvan de geplande onteigening langdurig uitbleef.2 In deze situaties was mogelijk geen sprake van schaduwschade zoals gedefinieerd in paragraaf 12.1, nu de overheid in de Poolse zaken reeds (in werking getreden) bestemmingsplannen had vastgesteld om de werken en activiteiten rechtens mogelijk te maken.3 Dit doet aan de relevantie van de Poolse zaken en de zaak-Sporrong en Lönnroth/ Zweden voor de vergoeding van schaduwschade echter niet af. De omstandigheden die het ehrm in die zaken doorslaggevend achtte voor de conclusie dat sprake was van een schending van artikel 1ep doen zich namelijk dikwijls ook bij situaties van schaduwschade voor. Die omstandigheden zijn blijkens de Poolse zaken en het arrest-Sporrong en Lönnroth/Zweden: (1) het ontbreken van een (duidelijke en niet te lange) tijdsplanning voor het realiseren van de beoogde bestemming; (2) een jarenlange onzekerheid over het lot van de eigendom; en (3) het ontbreken van een mogelijkheid om schadevergoeding te verkrijgen of de overheid te dwingen het perceel aan te kopen.
De Poolse zaken en het arrest-Sporrong en Lönnroth/Zweden verschillen wel van veel situaties van schaduwschade op het punt van de geplande onteigening. In die zaken was de langdurige onzekerheid over het lot van de eigendom namelijk het gevolg van een geplande onteigening en het onzekere tijdstip van die onteigening. In veel situaties van schaduwschade is geen sprake van een geplande onteigening in de toekomst en is de onzekerheid over het lot van de eigendom daarom geen gevolg van een geplande onteigening op een onzeker tijdstip in de toekomst. De onzekerheid over het lot van de eigendom is in veel situaties van schaduwschade het gevolg van het feit dat niet zeker is of de voorgenomen werken en/of activiteiten daadwerkelijk gerealiseerd zullen worden en het feit dat vaak een duidelijke en niet te lange tijdsplanning voor het realiseren van die voorgenomen werken en/of activiteiten ontbreekt. De vraag rijst of het feit dat de langdurige onzekerheid over het lot van de eigendom in de Poolse zaken en het arrest-Sporrong en Lönnroth/ Zweden veroorzaakt werd door een geplande onteigening op een onzeker moment in de toekomst voor het ehrm doorslaggevend is geweest voor het aannemen van een schending van artikel 1ep. Als dat inderdaad het geval is, kunnen uit die zaken immers geen conclusies worden getrokken voor de vergoeding van schaduwschade in schaduwschadesituaties waarin geen sprake is van een geplande onteigening op een onzeker moment in de toekomst. Het lijkt mij evenwel dat de geplande onteigening en het onzekere tijdstip daarvan niet doorslaggevend zijn geweest voor het vaststellen van een schending van artikel 1 ep, zodat die arresten ook relevant zijn voor schaduwschadesituaties waarin geen sprake is van een geplande onteigening op een onzeker moment in de toekomst. Het bestaan van onzekerheid over de eigendom van een burger is namelijk een factor die het ehrm in het algemeen en dus ook in situaties zonder onteigeningsdreiging bij de proportionaliteitsbeoordeling betrekt en waarop het zijn oordeel dat de vereiste ‘fair balance’ ontbreekt (mede) baseert.4
De meeste Poolse zaken en de zaak-Sporrong en Lönnroth/Zweden verschillen voorts van veel situaties van schaduwschade, doordat in die zaken sprake was van een bouwverbod en/of een weigering van een vergunning om te bouwen.5 Ook het bestaan van een bouwverbod en/of een weigering van een vergunning om te bouwen was in die zaken echter hoogstwaarschijnlijk geen doorslaggevende omstandigheid voor het oordeel dat artikel 1ep geschonden was. In dit verband is van belang dat in het arrest-Sporrong en Lönnroth/Zweden weliswaar ook sprake was van een bouwverbod ten behoeve van een toekomstige onteigening, maar dat dit bouwverbod slechts een zeer beperkt belemmerende factor vormde voor de eigenaren. Die eigenaren hadden beiden namelijk slechts één keer om een ontheffing van het verbod gevraagd en zij hadden die ontheffing bovendien gekregen.6 In de zaak-Rosiński/Polen en in de zaak-Buczkiewicz/Polen overwoog het ehrm bovendien dat de essentie van de klachten van de klagers niet de weigering van een vergunning om te bouwen of de onmogelijkheid van het realiseren van bouwplannen was.7 In de (vergelijkbare) zaak-Tarnawczyk/Polen stelde het ehrm tot slot een schending van artikel 1 ep vast, hoewel in die zaak helemaal geen bouwverbod of een weigering van een vergunning aan de orde was.8
De Poolse zaken en het arrest-Sporrong en Lönnroth/Zweden zijn gezien het voorgaande naar mijn oordeel relevant voor de vergoeding van schaduwschade.