Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/6.1.3
6.1.3 Mogelijke beschermingsmaatregelen
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232687:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Dit overzicht is mede geïnspireerd op De Brauw 2017, par. 12.4.6 en Stevens & Garcia Nelen 2017, par. 7.12. Zie voor een uitgebreide beschrijving van verschillende soorten beschermingsconstructies: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/593–632. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/554 en Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §76.2 noemen de hier gebruikte indeling ook als mogelijk onderscheid. Van Solinge en Nieuwe Weme definiëren deze categorieën anders, waardoor zij bijvoorbeeld een stichting continuïteit met een calloptie op preferente aandelen aanmerken als een ad hoc beschermingsconstructie. Ik categoriseer deze onder de permanente constructies, omdat deze doorgaans al bij de beursgang wordt opgetuigd, waarbij de structuur permanent beschikbaar is en niet pas wanneer een dreiging zich voordoet. Een andere indeling die ook wel voorkomt maakt onderscheid tussen statutaire en buiten-statutaire beschermingsmaatregelen (zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/554 en Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §76.1).
De calloptie op preferente aandelen wordt in de praktijk vaak gehanteerd als beschermingsconstructie omdat de uitgifteprijs voor preferente aandelen lager kan zijn dan de beurskoers van de gewone aandelen (artikel 2:80 lid 1 BW) en het voorkeursrecht voor preferente aandelen kan worden uitgesloten (artikel 2:96a lid 2-3 BW). Zie Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §76.2. Prefstichtingen die in de praktijk als beschermingsconstructie hebben gefungeerd zijn o.a. Stichting Continuïteit Breevast vanwege het voornemen van Uni-Invest om over te gaan tot het uitbrengen van een bod op Breevast in 1998, waarover Hof Amsterdam (OK) 11 maart 1999, JOR 1999/89, m.nt. M. Brink (Uni-Invest/Breevast); Stichting Preferente Aandelen B KPN na het aangekondigde bod van América Móvil op KPN in 2013; en Stichting Preferred Shares Mylan naar aanleiding van de avances van Teva Pharmaceutical Industries ten aanzien van Mylan in 2015.
Bijvoorbeeld Stichting Administratiekantoor Continuïteit ABN AMRO Bank, welke stichting certificaten van aandelen ABN AMRO Bank N.V. heeft uitgegeven die genoteerd zijn aan Euronext Amsterdam (zie stichtingadministratiekantoorabnamro.com). Zie kritisch over de beweegredenen van de minister voor deze constructie: R. Abma, ‘Enige kanttekeningen bij de voorgenomen beschermingsconstructie bij ABN AMRO’, Ondernemingsrecht 2015/73 en Den Boogert, Ondernemingsrecht 2017/47.
Zie hierover Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2018/12. Hieronder valt niet de stichting prioriteit, waarvoor geen vereiste bestaat dat de meerderheid van het bestuur onafhankelijk moet zijn. Voor de stichting administratiekantoor en de prefstichting geldt dit vereiste op grond van de artikelen 2:118a lid 3 BW en 5:71 lid 1 sub c en d Wft. Aangenomen wordt dat voor de vraag of een stichting onafhankelijk is in de zin van laatstgenoemd artikel moet worden aangesloten bij artikel 2:118a lid 3 BW (zie Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/187.1). Volgens Kamerstukken II 2005/06, 30419, 8, p. 7 is het begrip ‘onafhankelijk’ onderhevig aan veranderende maatschappelijke opvattingen en kan het begrip in lagere wetgeving worden verduidelijkt, waarbij artikel 2:118a lid 3 BW “het uitgangspunt” vormt. Overigens was het criterium dat de meerderheid van de bestuursleden van een prefstichting onafhankelijk moest zijn ook al terug te vinden in Bijlage X bij het Fondsenreglement uit 1989, zie hierover: A.A. Bootsma e.a., Bescherming bij Nederlandse beursvennootschappen, Rotterdam: Erasmus School of Law/Instituut voor Ondernemingsrecht 2015, par. 1.3.1.
Met een piramideconstructie wordt gedoeld op het ‘stapelen’ van vennootschappen om zo een meerderheidsbelang te creëren terwijl economisch uiteindelijk een minderheidsbelang wordt gehouden, hetgeen bijvoorbeeld het geval is bij de familie Heineken die een meerderheidsbelang houdt in L’Arche Green N.V., welke vennootschap een belang van 52.599% houdt in Heineken Holding N.V. dat weer een belang houdt van 50.005% in Heineken N.V. L’Arche Green N.V. kan zo effectief met een 25%-belang zeggenschap uitoefenen over Heineken N.V. Zie ook Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017/66. Berle en Means schreven ook al over ‘pyramiding’: “This involves the owning of a majority of the stock of one corporation which in turn holds a majority of the stock of another – a process which can be repeated a number of times”, zie Berle & Means 1932, hoofdstuk V.
Aan de vergadering van prioriteitsaandeelhouders kan ook de bevoegdheid worden toegekend om een bindende voordracht te doen voor de benoeming van bestuurders en commissarissen. Een dergelijke bevoegdheid bestaat bijvoorbeeld bij Akzo Nobel N.V., zie Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261 m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), in het bijzonder r.o. 2.8, en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017/66. Overigens wordt ook het structuurregime in sommige gevallen aangemerkt als beschermingsconstructie, aangezien beschermende werking uit zou kunnen gaan van de wettelijke governanceregels die het voor een vijandige bieder lastiger kunnen maken om controle te verkrijgen over het bestuur en de raad van commissarissen. Een enigszins hiermee samenhangend begrip is ‘global antitakeover device’, een verzamelterm voor het verschijnsel dat beursvennootschappen zich kunnen onderwerpen aan verschillende regulatoire kaders door zetel en beursnoteringen in verschillende landen te nemen, hetgeen kan zorgen voor regulatoire hindernissen, complexiteit en onzekerheid bij een eventueel overnamebod. Zie hierover: K. Kastiel & A. Libson, ‘Global Antitakeover Devices’, 36 Yale Journal on Regulation, 2019.
In de praktijk is bescherming door uitgifte van aandelen met financiële verwatering gebruikt door GUCCI Group N.V. tegen stakebuilding van LVHM S.A. in 1999, waarbij GUCCI Group N.V. een belang van ruim 25% uitgaf aan een werknemersstichting onder een participatieplan en later dat jaar 40% aan Pinault-Printemps-Redoute S.A. Zie hierover Hof Amsterdam (OK) 3 maart 1999, JOR 1999/87, 22 maart 1999, JOR 1999/88, 27 april 1999, JOR 1999/105 en 27 mei 1999, JOR 1999/121, m.nt. L.L.M. Prinsen en HR 27 september 2000, NJ 2000/653, JOR 2000/217, m.nt. M. Brink (Gucci).
Uitgifte van aandelen zonder financiële verwatering is in het verleden toegepast door Rodamco North America N.V. (RNA) door het verlenen van een calloptie op de uitgifte van aandelen tot een maximum van 41,2% in haar kapitaal aan Stichting RNA als bescherming tegen het verzoek van Westfield Holdings Ltd. tot (onder andere) het ontslag van bestuurders en commissarissen van RNA. Zie hierover: HR 18 april 2003, NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/110, m.nt. J.M. Blanco Fernández (RNA) en het persbericht van RNA van 24 september 2001. Deze vorm van uitgifte lijkt in de praktijk op bescherming door uitgifte van preferente aandelen als hierboven beschreven, zie Stevens & Garcia Nelen 2017, par. 7.1.2.
In 2008 deed Staples een bod op Corporate Express, dat door laatstgenoemde werd afgewezen, waarna Staples haar bod niettemin doorzette. Corporate Express bereikte daarop overeenstemming voor de aankoop van Lyreco waarbij de aandeelhouders van Lyreco aandeelhouder zouden worden van Corporate Express. Uiteindelijk verhoogde Staples haar bod, ging Corporate Express met Staples in zee en werd de overname van Lyreco afgeblazen. Zie Stevens & Garcia Nelen 2017, par. 7.12; De Brauw 2017, par. 12.4.7; Van der Klip, Ondernemingsrecht 2008/127.
Van de verkoop aan een derde ter frustering van een overnamebod leek sprake te zijn bij de verkoop van LaSalle Bank Corporation door ABN AMRO Holding N.V. toen laatstgenoemde in 2007 mogelijk zou worden overgenomen door een consortium. Volgens de Ondernemingskamer was niet komen vast te staan dat sprake was van een gecoördineerde manoeuvre gericht op het frustreren van de overname-intenties van het consortium, zie Hof Amsterdam (OK) 3 mei 2007, JOR 2007/143, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 3.15. De Hoge Raad nam hierop tot uitgangspunt dat geen sprake was van een ongeoorloofde beschermingsmaatregel, zie HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.2. Van de verkoop aan een stichting was sprake bij het bod van Mittal Steel op Arcelor in 2006. Dit had betrekking op niet-Nederlandse vennootschappen maar had wel een Nederlands tintje. Arcelor had voorafgaand aan het bod van Mittal Steel een geslaagd bod gedaan op Dofasco. Mittal wilde Dofasco na verkrijging van de aandelen Arcelor doorverkopen aan ThyssenKrupp. Arcelor plaatste echter 89% van de aandelen Dofasco in een onafhankelijke stichting naar Nederlands recht tegen verkrijging van certificaten van die aandelen, waarbij Arcelor het economische belang en de operationele zeggenschap behield. Zie Rb. Rotterdam (vzr.) 23 januari 2007, JOR 2007/40, m.nt. M. Brink.
Een voorbeeld hiervan vormde de gang van zaken rondom HBG (met bouw- en baggeractiviteiten), dat in 2001 een bod van Koninklijke Boskalis Westminster ontving op haar baggerdivisie HAM en tevens een bod ontving van Heijmans op HBG zelf, met dien verstande dat een bod pas zou worden uitgebracht als HAM werd verkocht aan Koninklijke Boskalis Westminster (het bod van Heijmans was in feite dus slechts gericht op het verkrijgen van de bouwdivisie). HBG sloot hierop een overeenkomst met Ballast Nedam tot het combineren van HAM met de baggerdivisie van Ballast Nedam in een joint venture waarin HBG voor twee derden en Ballast Nedam voor een derde participeerde. De joint venture-overeenkomst bevatte een change of control-clausule die onder andere bepaalde dat wanneer een derde partij ten aanzien van HBG of Ballast Nedam de bevoegdheid verwierf tot het benoemen en ontslaan van een meerderheid van de bestuurders of commissarissen of tenminste 70% van de (certificaten van) aandelen verkreeg, de overgenomen joint venture- partij de aandelen onder omstandigheden moest overdragen aan de andere joint venture-partij. Zie HR 21 februari 2003, NJ 2003/182, m.nt. J.M.M. Maijer, JOR 2003/57, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (HBG).
Hiervan is sprake bij een substantiële schending van het belang van de vennootschap en de onderneming (Kamerstukken II 1997/98, 25732, nr. 3 (MvT), p. 21).
Ik zal in paragraaf 6.2.4 stilstaan bij de implicaties van het wetsvoorstel voor het agenderings- en convocatierecht.
Zie in vergelijkbare zin: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/632.
Van Olffen, Ondernemingsrecht 2020/51, par. 26 met verwijzing naar Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 3 (MvT), p. 36.
Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 3 (MvT), p. 35.
Kamerstukken II 2019/20, 35 367, nr. 3 (MvT), p. 23, 35-36. Zie hiertegen: De Brauw, Ondernemingsrecht 2020/52, par. 4.2.
Vgl. De Brauw, Ondernemingsrecht 2020/52, par. 4.1, die uit de termijn afleidt dat de wetgever de 250 dagen kennelijk als maximaal proportioneel ziet onder de RNA-norm.
Een ingewikkeld element van de bedenktijd vind ik dat het bestuur deze kan inroepen wanneer het verzoek of het bod naar het oordeel van het bestuur wezenlijk in strijd is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, maar dat bedenktijd juist bedoelt zorg te dragen voor een zorgvuldige beleidsbepaling. Ik kan me goed voorstellen dat het bestuur juist een bedenktijd zou willen inroepen wanneer nog onduidelijk is of een verzoek of bod wezenlijk in strijd is met het vennootschapsbelang. Het bestuur zal zich hier nu eerst over moeten uitspreken en dit vereiste zet de verhoudingen direct op scherp. Het bestuur kan zich ook weer niet zo duidelijk uitspreken dat hieruit blijkt dat in feite geen verdere beleidsbepaling noodzakelijk is. In dat geval kan de bedenktijd namelijk worden beëindigd (zie het voorgestelde artikel 2:114b lid 4 sub b BW).
Vgl. De Brauw, Ondernemingsrecht 2020/52.
Stevens & Garcia Nelen 2017, par. 7.12.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.14.
De Brauw 2017, par. 12.4.6.2.
Dit instrument is in 1982 bedacht door de Amerikaanse advocaat Martin Lipton, zie Van Ginneken 2010, par. 3.3.2.
Eisenber & Cox 2014, p. 1239. In Frankrijk is een soortgelijke mogelijkheid opgenomen bij de implementatie van de Overnamerichtlijn in de Franse wet. Het bestuur van de doelvennootschap kan daar hangende een overnamebod rechten uitgeven om het (potentiële) belang van een bieder te verwateren, mits zij hiertoe gemachtigd is door de AV (zogenaamde bons d’offre). In Nederland bestaat deze wettelijke mogelijkheid niet, maar is deze wel contractueel vorm te geven. Zo is in het openbaar bod van Thales S.A. op Gemalto N.V. in 2017 een structuur gecreëerd naar Frans model waarbij de doelvennootschap rechten rechten tot het nemen van aandelen kan uitgeven aan bestaande aandeelhouders met uitsluiting van een eventuele concurrerende bieder. Zie hierover Hezer & Kemp, MvO 2018/7.
Zie paragraaf 3.2 van dit proefschrift.
Delaware Supreme Court, Moran v. Household International, Inc., 500 A.2d 1346 (Del. 1985).
Eisenber & Cox 2014, p. 1240.
Van Ginneken 2010, par. 3.3.2.
Zie hierover uitgebreid paragraaf 3.3 van dit proefschrift.
Croiset van Uchelen 2019, p. 39.
Zie voor enkele voorbeelden: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/631.
Een gekwalificeerde deelneming betreft een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste 10% van het geplaatste kapitaal van een onderneming of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste 10% van de stemrechten in een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming, waarbij bij het bepalen van het aantal stemrechten dat iemand in een onderneming heeft, tot diens stemrechten mede worden gerekend de stemmen waarover hij beschikt of geacht wordt te beschikken op grond van artikel 5:45 Wft (zie artikel 1:1 Wft).
Zie De Kok, NtEr 2019-5/6, p. 150.
Bulten & De Jong 2017.
Regeerakkoord 2017-2021, ‘Vertrouwen in de toekomst’, p. 34. ‘Vitale sectoren’ zijn 12 specifieke sectoren: energie, telecommunicatie en ICT, drinkwater, voedsel, gezondheid, financieel, keren en beheren oppervlaktewater, openbare orde en veiligheid, rechtsorde, openbaar bestuur, transport, chemische en nucleaire industrie. Zie: Bulten & De Jong 2017, p. 16.
Kamerstukken II 2019/20, 35 153, nr. 9 (NvW II). Zie hierover: C.D.J. Bulten, B.J. de Jong & E.J. Breukink, ‘De wet voorkoming ongewenste zeggenschap telecom’, Ondernemingsrecht 2018/17.
Kamerstukken II 2019/20, 35 153, nr. 3 (MvT), p. 2.
Zie hierover: De Kok, NtEr 2019-5/6 en W.M. Kros, ‘De Verordening inzake screening van overnames in de EU – de gevolgen voor de M&A-praktijk’, O&F 2019/3.
Zie over het CFIUS-proces uitgebreid: Bulten & De Jong 2017, p. 160-165.
Zie hierover bijvoorbeeld: ‘Vestager urges stakebuilding to block Chinese takeovers’, Financial Times, 12 april 2020 en ‘Tweede Kamer wil meer bescherming tegen ongewenste overnames van bedrijven’, Het Financieele Dagblad, 18 april 2020.
Regulation 14e-2(a) bij de Securities Exchange Act.
Regulation 14e-2(a) bij de Securities Exchange Act.
De Brauw & Beckers, TOP 2015/203, §4.2.
HR 13 juli 2007, NJ 2007/434, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2007/178, m.nt. M.P. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.6 en Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.13.
Vgl. Hezer & Kemp, MvO 2018/7, par. 2.2.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261, m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.14.
Zie in dezelfde zin: Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §76.1.
Zie over ad hoc beschermingsconstructies paragraaf 6.1.5 van dit proefschrift.
Zie voor besluitvorming omtrent overnamebiedingen uitgebreid: De Brauw 2017, par. 5.1.9.8 en De Brauw, Ondernemingsrecht 2018/11. Zie voor tegenstrijdig belang en bescherming (onder de oude tegenstrijdig belang-regeling): C.A. Schwarz, ‘Beschermingsperikelen en tegenstrijdig belang’, Ondernemingsrecht 1999, p. 436; H.J. de Kluiver, ‘Reactie op C.A. Schwarz, Beschermingsperikelen en tegenstrijdig belang’, Ondernemingsrecht 2000, p. 23; en C.A. Schwarz, ‘Het rechte pad; nogmaals beschermingsperikelen en tegenstrijdig belang’, Ondernemingsrecht 2000, p. 60.
HR 29 juni 2007, NJ 2007/420, J.M.M. Maeijer, JOR 2007/169, m.nt. S.M. Bartman & A.F.J.A. Leijten (Bruil), r.o. 3.4.
Zie specifiek over belonen bij het slagen van de overname: Kamerstukken II 2008/09, 31763, nr. 3 (MvT), p. 12. In theorie hoeft ook deze omstandigheid strikt genomen niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een tegenstrijdig belang, aangezien het vennootschapsbelang en het persoonlijke belang op één lijn kunnen liggen. Uiteraard moet in het kader van zorgvuldige en zuivere besluitvorming bij voorkeur wel de schijn voorkomen worden dat dergelijke vergoedingen afbreuk doen aan de objectieve oordeelsvorming van bestuurders en commissarissen.
HR 29 juni 2007, NJ 2007/420, J.M.M. Maeijer, JOR 2007/169, m.nt. S.M. Bartman & A.F.J.A. Leijten (Bruil), r.o. 3.7. Zie ook: De Brauw 2017, par. 5.1.9.8.
Zie bijvoorbeeld ook: Hof Amsterdam (OK) 17 april 2008, JOR 2008/157, A. Doorman (ABN AMRO), r.o. 3.44.
De toelaatbaarheid van beschermingsconstructies kan verschillen per methode en per situatie. In Nederland zijn veel soorten beschermingsconstructies tegen vijandige biedingen bedacht en gebruikt. Ik zet de voornaamste hieronder uiteen met een onderverdeling tussen permanente en ad hoc beschermingsconstructies, om het fenomeen zo beter bespreekbaar te maken in het bestek van dit proefschrift.1
Permanentebeschermingsconstructies
Onafhankelijke beschermingsstichtingen. Hieronder vallen de stichting die gerechtigd is tot een calloptie op preferente aandelen in het kapitaal van de beursvennootschap (ook wel een “prefstichting”)2 en de stichting die aandelen houdt in de beursvennootschap en daarvan genoteerde certificaten heeft uitgegeven (een “stichting administratiekantoor”3).4 Een dergelijke stichting is vrijgesteld van de biedplicht, welke vrijstelling voor een prefstichting beperkt is tot een periode van twee jaar.5
Oligarchische regelingen. Hieronder vallen regelingen die de macht van de AV beperken en daarmee bemoeilijken of verhinderen dat een vijandige bieder controle kan krijgen wanneer het vijandig bod zou slagen, bijvoorbeeld door toepassing van stemrechtbeperkingen, goedkeurings- of voorstelrechten, de holding- of piramidestructuur6 of prioriteitsaandelen met voorstel- of goedkeuringsrechten die zijn uitgegeven aan een stichting.7
Adhocbeschermingsconstructies
Uitgifte van (rechten tot het nemen van) gewone aandelen. Een beursvennootschap kan een minderheidsbelang in aandelen uitgeven aan een bevriende minderheidsaandeelhouder (een white squire) met financiële verwatering8 of aan een stichting zonder financiële verwatering.9
Transacties betreffende materiële vermogensbestanddelen. Dit kan gaan over de aankoop van een onderneming,10 de verkoop van een belangrijke dochter (crown jewel) aan een derde of aan een stichting11 of over het plaatsen van een belangrijke dochteronderneming in een joint venture.12
Het hierboven weergegeven overzicht is niet uitputtend en er zijn vele variaties mogelijk. Zo kunnen beschermingsconstructies zowel op het niveau van de beursvennootschap als op dochterniveau worden ingesteld of uitgeoefend. Daarnaast kan ook zonder specifiek geconstrueerde juridische beschermingsconstructie een vijandig bod worden afgewend of bemoeilijkt door gebruik te maken van algemene regelingen zoals het wettelijk structuurregime en de responstijd van maximaal 180 dagen uit de Corporate Governance Code (waarover later meer).
Op 18 december 2019 is een wetsvoorstel ingediend dat het mogelijk moet maken dat het bestuur van een beursvennootschap een bedenktijd van maximaal 250 dagen inroept.13 De bedenktijd kan worden ingeroepen indien aandeelhouders het agenderings- danwel het convocatierecht willen uitoefenen of wanneer er een vijandig overnamebod is aangekondigd of uitgebracht, hetgeen naar het oordeel van het bestuur wezenlijk in strijd is met het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.14 De bedenktijd gaat in vanaf het moment van indiening van het agenderings- of convocatieverzoek danwel uiterlijk vanaf het moment dat het vijandig bod is uitgebracht.15 De bedenktijd eindigt in ieder geval de dag na gestanddoening van het vijandige bod. De bedenktijd is mijns inziens dan ook geen beschermingsmaatregel tegen vijandige biedingen, omdat het een openbaar bod niet zal kunnen tegenhouden of vertragen. Het biedingsproces kan zijn normale beloop hebben.16
Volgens Van Olffen kan de bedenktijd wel opnieuw worden ingeroepen na gestanddoening.17 Wat mij betreft is dat onduidelijk. De memorie van toelichting merkt op dat dit zou kunnen in het geval van een nieuw vijandig bod,18 maar na gestanddoening van een bod zal zo’n nieuw bod er niet komen. Denkbaar is dat de bedenktijd ook kan worden ingeroepen indien het bod gestand is gedaan, de bieder de meerderheid van de aandelen heeft verkregen, en hij tracht door gebruikmaking van het agenderings- of convocatierecht wijzigingen door te voeren in het bestuur en de raad van commissarissen. Voor het opnieuw inroepen van de bedenktijd bij een agenderings- of convocatieverzoek na gestanddoening van een bod zullen in ieder geval goede redenen moeten zijn. De ratio voor het laten eindigen van de bedenktijd bij gestanddoening is immers dat de wetgever meent dat de partij die door een bod zeggenschap in de vennootschap heeft verkregen deze daadwerkelijk moet kunnen uitoefenen door andere bestuurders en commissarissen te benoemen.19 De bedenktijd kent ook een maximale termijn en is in die zin “eindig”. Die elementen zijn lastig te rijmen met de gedachte dat de bedenktijd telkens opnieuw kan worden ingeroepen.20 In ieder geval zal daarvoor sprake moeten zijn van materiële nieuwe omstandigheden, die ertoe nopen dat het bestuur opnieuw het beleid zal moeten gaan bepalen, met informatievergaring en betrokkenheid van stakeholders.
Het is de vraag of het inroepen van de bedenktijd bij een vijandig bod de positie van het bestuur in alle gevallen versterkt, aangezien het signaal naar de markt, zeker voor buitenlandse investeerders, kan zijn dat het bestuur het voorstel niet bij voorbaat onzinnig acht.21 Kennelijk heeft het bestuur immers een periode nodig voor zorgvuldige beleidsbepaling. Het kan in sommige gevallen beter zijn om het voorstel na intern beraad af te wijzen, en de bedenktijd pas in te roepen wanneer aandeelhouders daadwerkelijk in actie komen.22 Wanneer dat gebeurt, bijvoorbeeld op initiatief van hedge funds in het kader van een vijandig bod, dan kan de bedenktijd in sommige gevallen alsnog van pas komen.
De vennootschapsleiding van een beursvennootschap kan een overname ook al behoorlijk bemoeilijken door simpelweg te weigeren om serieus in overleg te gaan met een potentiële bieder (de just say no-strategie).23 Het bestuur van de beursvennootschap is in beginsel ook niet verplicht om inhoudelijke besprekingen te voeren met een serieuze potentiële bieder die ongevraagd een overnamevoorstel doet.24 Het bestuur kan zelfs in gesprek gaan met een bevriende partij die vervolgens een (concurrerend) bod doet op de beursvennootschap (een white knight), als dit een strategisch alternatief is dat bijdraagt aan het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming.25
In de Verenigde Staten is de bekendste beschermingsmaatregel de poison pill (ook wel: shareholder rights plan).26 Hierbij worden aan bestaande aandeelhouders (anders dan de bieder) voorwaardelijke rechten uitgegeven tot verkrijging van aandelen met een aanzienlijke korting ten opzichte van de beurskoers (vaak voor de helft van de prijs).27 Hiertoe is de board of directors in beginsel bevoegd.28 Hij kan een dergelijke poison pill implementeren zonder goedkeuring van de AV, ook wanneer er geen directe dreiging bestaat, maar er wel een vermoeden is dat die in de toekomst zou kunnen ontstaan.29 De rechten kunnen worden uitgeoefend indien aan een bepaalde voorwaarde is voldaan, zoals een derde die een bepaald percentage van het geplaatst kapitaal heeft verkregen. Vanwege de verwatering die dit tot gevolg heeft, zal de bieder een veel hogere prijs moeten betalen dan hij voornemens was te doen. Dit duidt men wel aan als “flip-in”. Vaak kennen poison pills ook een “flip-over” element, wat inhoudt dat aandeelhouders van de doelvennootschap bij een fusie of vergelijkbare transactie na het openbaar bod rechten krijgen om tegen korting aandelen te kopen in de bieder, wiens aandeelhouders daarbij verwateren.30 Een dergelijke fusie is een gebruikelijke transactie na een openbaar bod, waardoor tevens alle rechten en plichten van de doelvennootschap overgaan op de verkrijgende vennootschap, inclusief de verplichting tot het uitgeven van aandelen in het kapitaal van de bieder.31 Overigens kan een bieder die zich geconfronteerd ziet met een poison pill er wel voor kiezen om de bestuurders van de doelvennootschap te vervangen in een contested election, mits er uiteraard geen staggered board is.32 De poison pill kan dan door de nieuwe bestuurders worden ontmanteld.33
Naast beschermingsmaatregelen die ingezet kunnen worden door de beursvennootschap of een daaraan gerelateerde stichting, zijn er ook vormen van bescherming die kunnen worden uitgeoefend door de overheid of een daaraan verbonden orgaan. In Nederland zijn dergelijke publieke beschermingsmaatregelen tot nog toe slechts beperkt aanwezig.34
In Nederland zijn enkele wettelijke overheidstoetsen vastgelegd. Zo is voor het verkrijgen van een gekwalificeerde deelneming in banken, verzekeraars en bepaalde andere financiële ondernemingen een verklaring van geen bezwaar vereist van DNB of (voor banken) de ECB.35 Daarnaast moeten overnames van grote elektriciteitscentrales en LNG-installaties worden getoetst door de minister van Economische Zaken en Klimaat.36 In 2017 publiceerden Bulten en De Jong een rapport van een onderzoek dat zij hadden uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrumonderzoek naar de wijze waarop (buitenlands) aandeelhouderschap gevolgen kan hebben voor de nationale veiligheid.37 In het regeerakkoord van datzelfde jaar is, kennelijk in lijn met de bevindingen van genoemd onderzoek, opgenomen dat vitale sectoren specifieke bescherming moesten krijgen.38 Die afspraak leidde in 2019 tot het voorstel voor de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (dat op het moment van schrijven in behandeling is).39 Volgens dit wetsvoorstel moet de minister van Economische Zaken en Klimaat de bevoegdheid krijgen om het verkrijgen of houden van overwegende zeggenschap in een telecommunicatiepartij te verbieden indien het verkrijgen of houden van deze zeggenschap naar zijn oordeel leidt tot een bedreiging van het publieke belang.40
In 2019 is ook de Europese verordening tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie aangenomen. Deze verordening biedt een Europees kader voor de screening van buitenlandse investeringen op het gebied van veiligheid en de openbare orde.41 In de Verenigde Staten bestaat al sinds de jaren 1970 een Committee on Foreign Investment in the United States (CFIUS), dat zich kan buigen over bepaalde investeringen in Amerikaanse ondernemingen om te bepalen of die een bedreiging vormen.42 Denkbaar is dat er in de nasleep van de COVID-19-pandemie aanvullende regelingen worden ingevoerd om belangrijke ondernemingen, die door de marktomstandigheden kwetsbaar zijn geworden voor ongewenste overnames, te beschermen.43
In dit proefschrift ga ik op dergelijke publieke goedkeuringsmogelijkheden niet dieper in, aangezien deze in beginsel geen invloed hebben op de machtsverhouding tussen het bestuur en de aandeelhouders (binnen de vennootschapsorganisatie). Het gaat in dit soort gevallen om bescherming die al dan niet verleend kan worden door een overheidsorgaan (buiten de vennootschapsorganisatie). Uiteraard zal een dergelijk goedkeuringsvereiste in het algemeen wel invloed kunnen hebben op hoe een bieder zich opstelt ten opzichte van een doelvennootschap.
Wanneer er een openbaar bod is uitgebracht, is het bestuur van een beursvennootschap bevoegd (en zelfs verplicht) om zich uit te spreken over het bod in zijn gemotiveerde standpuntbepaling (in de praktijk aangeduid als het position statement). Een dergelijke verklaring dient uiterlijk vier werkdagen voorafgaand aan de AV waarin het openbaar bod wordt besproken openbaar gemaakt te worden.44
In de Verenigde Staten dient de board of directors van de doelvennootschap binnen 10 werkdagen na publicatie van een openbaar bod een standpunt te bepalen.45 De board of directors kan ervoor kiezen het bod aan te bevelen of af te wijzen, maar kan er ook voor kiezen geen positie in te nemen (een neutrale standpuntbepaling) of aangeven dat hij niet in staat is een standpunt te bepalen.46
Het bestuur zal een openbaar bod enkel kunnen steunen en het in zijn standpuntbepaling kunnen aanbevelen aan de aandeelhouders van de beursvennootschap, indien de voorwaarden van het bod en de voorgenomen overname dienstig zijn aan het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Het bestuur van de beursvennootschap zal zich (binnen de grenzen van zijn bevoegdheid) actief moeten bemoeien met de beoordeling van een (mogelijk) openbaar overnamebod, ook al is en blijft een openbaar bod in beginsel een bod aan de houders van aandelen in een beursvennootschap en is het aan die aandeelhouders om te besluiten of zij dat bod aanvaarden en hun aandelen onder het bod aanmelden. In het geval van een vriendelijk overnamebod zal de bemoeienis van het bestuur en de raad van commissarissen onder andere tot uiting komen in het merger protocol, de overeenkomst waarin doelvennootschap en bieder afspraken maken over de voorwaarden van het openbaar bod dat de bieder zal uitbrengen op de aandelen in de beursvennootschap. In Nederland is het de praktijk hierin uitgebreide non-financial covenants op te nemen: afspraken tussen de bieder en de beursvennootschap waarin de bieder toezegt om voor een bepaalde periode specifieke rechten van stakeholders te eerbiedigen, waarbij alle of een deel van die verplichtingen enkel gewijzigd kunnen worden met instemming van één of meer onafhankelijke leden van de raad van commissarissen.47 Deze garanties kunnen zien op werkgelegenheid, de vestigingsplaats, de strategie, onderzoek & ontwikkeling (R&D), merken, financiering, corporate governance, integratieplannen, sociaal ondernemerschap (CSR) en de positie van minderheidsaandeelhouders van de doelvennootschap na gestanddoening van het openbaar bod. Deze verplichtingen kunnen na afronding van de overname indien nodig worden afgedwongen door de onafhankelijke commissarissen.
In het geval van een vijandig overnamebod dat naar het oordeel van het bestuur niet in het belang van de beursvennootschap is, zal de actieve rol van het bestuur zich moeten uiten in het feit dat het daaraan uiteindelijk geen medewerking verleent. In zijn standpuntbepaling zal het bestuur dan gemotiveerd aangeven waarom hij het bod niet steunt en niet aanbeveelt. Als de bieder het overnamebod zonder steun van het bestuur doorzet, dan zal het bestuur er vanuit zijn actieve rol voor kunnen kiezen het vennootschappelijk belang actief te (laten) beschermen. De vrijheid van het bestuur om een mogelijk overnamebod zelfstandig en naar eigen inzicht te beoordelen, betekent niet dat het zich in alle gevallen vrijelijk mag bedienen van vormen van bescherming tegen een dergelijk bod, indien de bieder na een afwijzing door het bestuur niettemin besluit het bod door te zetten. De rechtsverhouding tussen de doelvennootschap en de potentiële bieder wordt in zoverre door de redelijkheid en billijkheid beheerst, dat het bestuur van de doelvennootschap onder omstandigheden gehouden is de gerechtvaardigde belangen van (potentiële) bieders te respecteren en zich te onthouden van maatregelen die mogelijke biedingen kunnen frustreren en die de belangen van de desbetreffende bieders onevenredig kunnen schaden.48
De Hoge Raad geeft niet aan welke omstandigheden hij hier op het oog heeft gehad. Wel is het volgens hem relevant dat het gaat om ‘serieuze’ bieders gaat; het bestuur van de vennootschap hoeft geen acht te slaan op voorstellen die niet serieus of realistisch zijn. Er zijn mijns inziens verschillende omstandigheden die in dit kader relevant kunnen zijn. De vennootschap kan bijvoorbeeld uitlatingen hebben gedaan die bij een bieder gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt dat de vennootschap zich zou onthouden van beschermende of frustrerende maatregelen. Ook zou het gelijkheidsbeginsel een rol kunnen spelen wanneer meerdere bieders vergelijkbare voorstellen hebben gedaan.49 Volgens de Ondernemingskamer zijn er omstandigheden die ertoe kunnen bijdragen dat inhoudelijke besprekingen of onderhandelingen geboden zijn, zelfs indien een vennootschap niet het strategische besluit heeft genomen om het stand alone scenario te verlaten.50 Naast de voorgestelde biedprijs zijn die omstandigheden onder meer: wat de strategische bedoelingen van de potentiële bieder zijn, wat de inhoud van de voorstellen is, in hoeverre de doelvennootschap de voorstellen kan beoordelen zonder inhoudelijke besprekingen met de potentiële bieder en de inhoud en het verloop van de overige interactie tussen de doelvennootschap en de potentiële bieder. Als dergelijke omstandigheden potentieel kunnen leiden tot een verplichting tot onderhandelen met een bieder, dan zullen zij ook kunnen bijdragen aan de conclusie dat de vennootschap zich niet mag beschermen tegen een dergelijke bieder. Er is echter geen regel die voorschrijft dat bescherming niet kan worden ingeroepen wanneer een of meer van de hiervoor genoemde omstandigheden aan de orde zijn. Dit moet steeds van geval tot geval worden bekeken, waarbij de relevante belangen in aanmerking worden genomen.
Daar staat tegenover dat de vraag kan opkomen of het bestuur, gezien zijn fiduciaire taak en actieve rol, onder omstandigheden ook verplicht kan zijn om de beursvennootschap te beschermen.51 Ik denk dat dat onder omstandigheden het geval zal kunnen zijn. Als onderdeel van die verplichting kan het bestuur gehouden zijn een grondige analyse te maken van de mogelijke beschermingsmaatregelen die het tot zijn beschikking heeft, en in zijn besluitvorming omtrent de reactie op een vijandig overnamebod die beschermingsmogelijkheden ook zorgvuldig te overwegen. Het zal, zeker voor een in beginsel “onbeschermde” beursvennootschap (in de zin dat geen permanente beschermingsconstructies voorhanden zijn), van belang zijn om de potentiële ad hoc beschermingsmogelijkheden in kaart te brengen zodat adequaat gereageerd kan worden wanneer een dreiging zich aandient. Zo kan ook een onbeschermde beursvennootschap mogelijk toch beschermd worden wanneer de nood aan de man is, om het bestendige succes van de onderneming te bevorderen en te zorgen dat de belangen van stakeholders niet onevenredig worden geschaad.52
Hoe verhoudt de gedachte, dat het bestuur niet in alle gevallen onbeperkt bescherming kan effectueren, zich tot de gedachte dat het daartoe in andere gevallen zelfs verplicht kan zijn? Het antwoord is deels te vinden in de ABN AMRO-beschikking, waarbij in de passage over het respecteren van gerechtvaardigde belangen van potentiële (‘serieuze’) bieders wordt terugverwezen naar rechtsoverweging 4.2 van diezelfde beschikking. Rechtsoverwegingen 4.2 en 4.6 van de Hoge Raad samen lees ik aldus dat het bestuur gehouden is de gerechtvaardigde belangen van potentiële (‘serieuze’) bieders te respecteren en zich te onthouden van maatregelen die mogelijke biedingen kunnen frustreren en die de belangen van de desbetreffende bieders onevenredig kunnen schaden, indien er sprake is van een gecoördineerde manoeuvre gericht op het frustreren van de overname-intenties van de desbetreffende bieder die kwalificeert als een ongeoorloofde beschermingsmaatregel. Dit lijkt een nogal wonderlijke redenering van de Hoge Raad, die er kort en goed op neerkomt dat het bestuur zich moet onthouden van een beschermingsmaatregel indien deze ongeoorloofd is. Wanneer is dat het geval? Kort gezegd is dit het geval wanneer de beschermingsmaatregel in strijd is met de wet, statuten en de gedragsnormen die geformuleerd zijn in de jurisprudentie. Ik ga hier in de volgende paragraaf nader op in.
Tot slot zullen bij besluitvorming omtrent overnamebiedingen in het algemeen en beschermingsmaatregelen in het bijzonder ook tegenstrijdige belangen bij bestuurders en commissarissen een rol kunnen spelen.53 Een tegenstrijdig belang bestaat in het geval van een direct of indirect persoonlijk belang dat tegenstrijdig is met het belang van de NV en haar onderneming.54 Of sprake is van een dergelijk tegenstrijdig belang moet steeds worden beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden van het geval.55 Relevant kan zijn dat een bieder heeft aangekondigd dat hij bepaalde personen zal willen ontslaan of juist zal willen belonen bij het slagen van de overname.56 Behoudens dergelijke aanvullende omstandigheden zal over het algemeen geen sprake zijn van een tegenstrijdig belang, aangezien bestuurders en commissarissen veelal geen direct of indirect persoonlijk belang hebben waardoor zij niet in staat zouden zijn het belang van de NV en de daaraan verbonden onderneming met de vereiste integriteit en objectiviteit te behartigen.57 Het enkele feit dat bestuurders aandelen in de beursvennootschap houden maakt niet dat hun belangen strijdig zijn met het vennootschappelijk belang.58