Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/6.3.3.a
6.3.3.a Inleiding
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS597682:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld OK 27 november 2012, ARO 2012/170 (Recreatie Maatschappij Texel); OK 8 januari 2004, JOR 2004/74 (Conservatrix); OK 29 augustus 1996, TVVS 1996, p. 320-321 (Milic); OK 5 oktober 1989, TVVS 1990, p. 258-259 (Schokbeton).
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/681; Prinsen (2004), p. 260-264; Van Vliet (1999), p. 20-21; Van den Ingh (1993), p. 17. Vgl. OK 24 februari 2009, JOR 2009/130 (Hagemeyer).
Art. 513 § 1W.Venn (jo. art. 42 Overname-KB). De uitkoopregeling in België gaat niet – zoals het Nederlandse systeem – uit van aandelen, maar van ‘effecten met stemrecht’. Voor de berekening van het 95%-criterium tellen dus ook winstbewijzen met stemrecht (art. 542W.Venn) mee. Dit betekent dat het uitkoopbod geen betrekking kan hebben op aandelen (of winstbewijzen) zonder stemrecht. Zie hierover Verhoest (2008), p. 177 en 179-180.
§ 327a AktG en § 39a(1)(2) WpÜG.
§ 39a(1)(2) WpÜG. Hierover Stohlmeier (2007), p. 147.
S. 979(3)(4) CA 2006.
Ten aanzien van de algemene uitkoopregeling van art. 2:92a/201a BW moet de uitkoper minimaal 95% van alle geplaatste aandelen verschaffen. Dit betekent dat ook uitstaande preferente- of prioriteitsaandelen meetellen.1 Voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW geschiedt de berekening van het kapitaalvereiste daarentegen per soort aandeel afzonderlijk. Indien de uitkoper wel voor het geplaatste kapitaal aan het kapitaalvereiste voldoet, maar niet per soort aandeel afzonderlijk, kan hij geen uitkoopprocedure ex art. 2:359c BW starten (§ 6.5.4).
De uitkoper moet het vereiste kapitaalbelang voor eigen rekening verschaffen (hierna sub b). Daarnaast tellen de aandelen waarvan de wet bepaalt dat daarvoor geen stem kan worden uitgebracht niet mee voor de berekening van het 95%-criterium (hierna sub c).
Doordat het wettelijk systeem van de uitkoopregeling aansluit bij het formeel geplaatste aandelenkapitaal, blijven uitstaande rechten, zoals aandelenopties, converteerbare obligaties of reeds betaalbaar gestelde maar nog niet geïnde stockdividenden, voor de berekening van het kapitaalvereiste buiten beschouwing.2 Een vordering tot uitkoop kan dan ook niet zien op deze ‘voorwaardelijke belangen’. Wel kan de OK onder omstandigheden rekening houden met dit soort rechten (hierna sub d).
In België3 en Duitsland4 ziet de drempel voor toepassing van de uitkoopregeling, net als de algemene uitkoopregeling in art. 2:92a/201a BW, op het totaal geplaatste kapitaal. Wel maakt de bijzondere uitkoopregeling in Duitsland onderscheid tussen kapitaal met en kapitaal zonder stemrecht (§ 6.4.2 sub a).5 De uitkoopregeling in het Verenigd Koninkrijk sluit daarentegen aan bij het systeem van de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW: de uitkoper moet de drempel per soort aandeel afzonderlijk bereiken.6 Een belangrijk verschil is dat de ontvankelijkheid van de uitkoper, anders dan in Nederland, gekoppeld is aan de acceptatiegraad van het voorafgaand bod (§ 2.3.3).
Opvallend is dat voor de uitkoopregeling in België en het Verenigd Koninkrijk ‘voorwaardelijke belangen’ wel meetellen en een uitkoopprocedure bovendien mede gericht kan zijn op de houders hiervan.