Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/1.3
1.3 Overzicht, plan van aanpak, afbakening en methodiek
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verrijking is van geen van de genoemde delicten een bestanddeel, maar normaal gesproken zal bij de vermogensdelicten altijd sprake zijn van (een oogmerk van) verrijking.
Door de ruime interpretatie van ‘geweld’ vallen veel zaken die in het dagelijks leven chantage zouden heten overigens toch onder afpersing, vgl. HR 19 juni 1979, NJ 1979, 585.
Vgl. bijv. Noyon-Langemeijer/Remmelink, Titel XXII, aantekening 1 (online, bijgewerkt tot en met 15 mei 2015).
Den Hartog & De With 2002, p. 871-872. Het Engelse procesrecht zal buiten beschouwing blijven. Het Engelse procesrecht kent weliswaar alternative verdicts, ook in de Theft Act, maar deze alternatieven zijn (net als in Nederland) beperkt en bieden geen oplossing voor het hier geschetste probleem. Vgl. Criminal Law Act 1967, s.6(3) en Theft Act 1968, s.12(4).
In dit onderzoek zal vaak worden gesproken over ‘de vermogensdelicten’. Het Wetboek van Strafrecht kent vele vermogensdelicten, maar in het kader van dit onderzoek worden daaronder in verband met de praktische uitvoerbaarheid slechts begrepen de delicten diefstal (met geweld), afpersing, verduistering en oplichting. Deze vier veelvoorkomende vermogensdelicten vertonen zo veel overeenkomsten dat een overkoepelende delictsomschrijving denkbaar is. De delicten hebben min of meer gemeen dat iemand zich op een ontoelaatbare manier ten koste van een ander verrijkt.1 De verrijking is ontoelaatbaar (wederrechtelijk) omdat het een gevolg is van een niet gerechtvaardigde inbreuk op eigendom van een ander. Vanwege het ontbreken van een directe niet gerechtvaardigde inbreuk valt heling niet onder deze definitie. Aan het delict heling zal daarom geen speciale aandacht worden besteed. Ook het delict afdreiging (art. 318 Sr) komt niet aan de orde omdat het verschil met afpersing te klein is, zodat de toegevoegde waarde van het betrekken van dit delict bij het onderzoek beperkt is.2
In de hierna volgende hoofdstukken komen de in de vorige paragraaf geformuleerde onderzoeksvraag en deelvragen aan de orde.
Hoofdstuk 2 is voornamelijk wetshistorisch van aard en handelt over het onderscheid tussen formele en materiële delicten, oftewel delicten waarin een handeling dan wel een gevolg strafbaar is gesteld. Er wordt stilgestaan bij de totstandkoming van de huidige vermogensdelicten, waarbij getracht wordt een verklaring te vinden voor de differentiatie. Voorts wordt aan de hand van literatuur stilgestaan bij het onderscheid als zodanig.
In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling van de vermogensdelicten geschetst. Daarbij zal ik mij vooral concentreren op de onderscheidende bestanddelen van diefstal, afpersing, verduistering en oplichting. Hiertoe zal de Nederlandse wet, literatuur en jurisprudentie vanuit een vooral historisch perspectief worden bezien.
Zoals al aangegeven, kunnen zich tussen de verschillende vermogensdelicten grensproblemen voordoen. Ook zijn overlappingen ontstaan. Deze worden besproken in hoofdstuk 4. Aldus wordt geprobeerd antwoord te vinden op de vraag wat er van het oorspronkelijke stelsel is overgebleven.
De hoofdstukken 5 en 6 zijn voornamelijk rechtsvergelijkend van aard. In hoofdstuk 5 komt het Engelse (materiële) recht met betrekking tot vermogensdelicten, de law of theft en de law of fraud, aan de orde. Hiervoor is gekozen omdat het Engelse systeem anders is opgebouwd dan het onze en in de literatuur wordt aangenomen dat het Engelse theft meer omvat dan alleen diefstal. Ook wat wij verduistering noemen zou hieronder kunnen worden gebracht.3 Dit deel van het onderzoek heeft het doel handvatten te identificeren voor het beantwoorden van de vraag of een andere wetssystematiek een redelijk alternatief zou kunnen bieden. Hoofdstuk 6 is procesrechtelijk van aard en begint met een korte inleiding over de Nederlandse grondslagleer en de stand van zaken met betrekking tot alternatieve bewezenverklaringen en kwalificaties. Heel kort samengevat is het deze grondslagleer die ervoor zorgt dat een verdachte moet worden vrijgesproken als het verkeerde delict ten laste is gelegd. Het verbod op alternatieve bewezenverklaringen leidt ertoe dat een verdachte moet worden vrijgesproken als weliswaar duidelijk is dat een verdachte op ontoelaatbare wijze in het bezit is gekomen van een goed, maar niet op welke ontoelaatbare wijze. Vervolgens zal het Duitse procesrecht op dit punt worden besproken, aangezien het de Duitse rechter wel is toegestaan tot een alternatieve bewezenverklaring te komen.4 De bevindingen over het Duitse recht kunnen helpen bij het formuleren van mogelijke aanpassingen in het Nederlandse procesrecht.
Hoofdstuk 7 is ten slotte concluderend van aard. In dit laatste hoofdstuk zal de centrale onderzoeksvraag worden beantwoord.
Het onderzoek is afgesloten op 1 oktober 2016.