Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/6.4.2.1
6.4.2.1 Aanspraak, maar niet verschuldigd
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186847:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. TM, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 895.
Zie Asser/Sieburgh 6-I 2016/166, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/267, TM, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 146 en 153, MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 144, HR 30 januari 1987, NJ 1987/530 (WUH/Emmerig q.q.) r.o. 3.2 en HR 25 maart 1988, NJ 1989/200 (Staal Bankiers/Ambags q.q.), r.o. 3.2.
Vgl. Meijers 1948, p. 91: “Het blijft dan een incongruentie, maar geen onoverkomelijk bezwaar, dat bij het voorwaardelijk vorderingsrecht vóór de vervulling der voorwaarde wel een subjektief recht wordt aangenomen, doch daarbij nog niet van het bestaan van een verplichting van de eventuële schuldenaar kan gesproken worden.” Zie ook art. 6:25 BW en hierna par. 6.4.2.1.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 895.
Zie Asser/Sieburgh 6-I 2016/175. Als voor de verschuldigdheid van de vordering nog een wilsverklaring van de schuldenaar nodig is is de vordering toekomstig, HR 25 maart 1988,NJ 1989/200 (Staal Bankiers/Ambags q.q.). Er bestaat echter geen bezwaar tegen de voorwaarde dat de schuldenaar een bepaalde betaling zal verrichten of daartoe in staat zal zijn. Zie ook HR 30 september 2016,JOR 2016/354 (Schonk-Hooghuis/Bijlhout), r.o. 3.6.2.
Zie ook par. 6.4.2.2.
Zie Stolz 2015, par. 3.2.
319. Een verbintenis onder opschortende voorwaarde verkeert in een vreemd stadium tussen bestaan en niet-bestaan.1 De verbintenis bestaat, ook voordat de voorwaarde is vervuld, zij het in voorwaardelijke vorm.2 Het vorderingsrecht en de rechtsvordering van de schuldeiser bestaan ook, zij het met beperkingen.3 De daartegenover staande schuld bestaat nog niet, althans, de verschuldigdheid van de prestatie staat nog niet vast.4 Illustratief is dat in artikel 3:296 lid 2 BW bewust is vermeden de positie van de schuldeiser van een voorwaardelijke vordering als een subjectief recht te betitelen.5
Bij de bepaling van de gevolgen van de voorwaarde moet steeds recht worden gedaan aan de bijzondere posities van de schuldeiser en de schuldenaar. Voor de vervulling van de voorwaarde kan de schuldeiser geen nakoming afdwingen, maar het staat daarvoor wel al vast dat hij dat zal kunnen als een bepaalde (externe) gebeurtenis zich voordoet. De verplichting bestaat al, in die zin dat de schuldenaar al heeft geaccepteerd tot nakoming gehouden te zijn als de voorwaarde is vervuld. De schuldeiser heeft voor zijn aanspraak geen verdere instemming van de schuldenaar nodig. Daarom is de verbintenis waaraan een potestatieve voorwaarde is verbonden geen voorwaardelijke verbintenis.6 Als de schuldenaar door enkele wilswijziging het intreden van de voorwaarde kan voorkomen heeft hij de binding door die verbintenis nog niet werkelijk geaccepteerd en kan er dus geen sprake zijn van een verbintenis.
Omdat bij een voorwaardelijke verbintenis de schuldenaar al heeft geaccepteerd gebonden te zijn als de voorwaarde is vervuld heeft de aanspraak van de schuldeiser waarde. Die waarde moet de schuldeiser kunnen beschermen.7
De schuldenaar van een voorwaardelijke vordering heeft echter slechts ingestemd met verschuldigdheid van de bedongen prestatie indien en nadat de voorwaarde is vervuld.8 Vóór het onzekere intreden van de voorwaarde is de prestatie dus niet verschuldigd.9 Dit tast de verbintenis en de gevolgen daarvan aan.
Het doel van deze paragraaf is om de toestand van de voorwaardelijke vordering in dit schemergebied voor het intreden van de voorwaarde nader te duiden. Net als Stolz duid ik de gevolgen die uit de rechtsverhouding voortvloeien voordat de opschortende voorwaarde is vervuld aan met de term ‘Vorwirkung’.10