Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.2.2.1:6.2.2.1 Inleiding
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/6.2.2.1
6.2.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS346732:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. ook Gribnau (2013), Kavelaars (2011), Van Vijfeijken (2011), blz. 243, Van den Dool en Heithuis (2009), blz. 183, Rijkers (2009), Stubbé (2008), Van Rijn (2000) en Zwemmer (2000).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 5 is de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de schenk- en erfbelasting getoetst. Op grond van deze faciliteit kan, indien sprake is van een materiële onderneming, een voorwaardelijke vrijstellingsfaciliteit ter zake van de verkrijging van ondernemingsvermogen worden toegepast. De faciliteit bestaat uit meer onderdelen. De verkrijging van ondernemingsvermogen wordt tot een bedrag van € 1.028.132 voorwaardelijk vrijgesteld (waarde going concern). Voor het surplus kan een vrijstelling worden verkregen van 83%. De resterende 17% wordt aangemerkt als geconserveerde waarde. Voor dit bedrag kan op grond van art. 25, twaalfde lid, IW 1990 rentedragend uitstel van betaling worden gekregen. Voorts geldt voor de verkrijger van ondernemingsvermogen nog een voorwaardelijke vrijstelling voor een eventueel verschil tussen de liquidatiewaarde en de waarde going concern. Tot slot kan de verkrijger van een onderbedelingsvordering, ter zake van door een medeverkrijger verkregen ondernemingsvermogen, een verzoek doen voor rentedragend uitstel van betaling.
In paragraaf 5.4 heb ik geconcludeerd dat overheidsingrijpen waar het betreft de verschuldigde erfbelasting over de verkrijging van ondernemingsvermogen legitiem kan zijn. Er kunnen belastingplichtigen zijn die met liquiditeitsproblemen worden geconfronteerd. Het kan de continuïteit van de onderneming bedreigen indien de middelen ter voldoening van de belastingschuld uit de onderneming moeten worden gehaald. Een faciliteit bij schenking van een IB-onderneming of ab-aandelen wijs ik af. Naar mijn mening is het ook hier niet aan de overheid hiervoor een faciliteit te bieden. Het is niet relevant of middelen aan de onderneming moeten worden onttrokken. Indien de begiftigde niet in staat is de schenkbelasting te betalen, is het aan de schenker om de schenkbelasting voor zijn rekening te nemen. Indien dat niet mogelijk is, kan de overdracht ook gedeeltelijk tegen schuldigerkenning plaatsvinden. Vanuit neutraliteitsoogpunt is een faciliteit bij schenking wel aanvaardbaar. Partijen kunnen zonder een faciliteit bij schenking wachten met de overdracht tot het moment van overlijden indien daarvoor wel een faciliteit geldt. In paragraaf 1.4 heb ik evenwel aangegeven dat de toetsing aan legitimiteit het uitgangspunt vormt. Indien een faciliteit niet legitiem is, is deze ook niet aanvaardbaar. Derhalve neem ik in mijn first-best voorstel geen faciliteit meer op voor de schenking van ondernemingsvermogen.
Naar mijn mening moet een vrijstellingsfaciliteit bij overlijden worden afgewezen. Een vrijstellingsfaciliteit heeft een te ruimewerking. Het is niet nodig, ook al is sprake van liquiditeitsproblemen, afstel van belastingheffing te verlenen. Dit geldt des te meer indien in het geheel geen sprake is van liquiditeitsproblemen. Indien de doelstelling is liquiditeitsproblemen bij de onderneming als gevolg van de belastingschuld weg te nemen is een invorderingsfaciliteit, mits juist vormgegeven, voldoende.1 Ook is de huidige voorwaardelijke vrijstelling betrekking hebbend op de waarde going concern in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast werkt de vrijstellingsfaciliteit verstorend. Belastingplichtigen worden verleid te wachten met de overdracht tot het moment van overlijden (indien schenking niet mogelijk is). Ook zullen belastingplichtigen trachten niet-ondernemingsvermogen te transformeren in ondernemingsvermogen om zo de faciliteit optimaal te kunnen benutten. Daarnaast werkt de huidige faciliteit verstorend indien niet alle erfgenamen voortzetten. Onder mijn first-best voorstel is dan ook geen plaats meer voor een vrijstellingsfaciliteit ter zake van de verkrijging van ondernemingsvermogen. Alleen invorderingsfaciliteiten zijn geschikt om potentiële liquiditeitsproblemen op te lossen. In paragraaf 6.2.2.2werk ik dit uit. In paragraaf 6.3.2.2 komt aan de orde of het aanvaardbaar is, en zo ja, onder welke voorwaarden, een vrijstellingsfaciliteit in het second-best voorstel op te nemen.