Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/9.2.3.7:9.2.3.7 Voorraadeis
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/9.2.3.7
9.2.3.7 Voorraadeis
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398347:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het huidige regime is opname van een als voorraad gehouden dochter in een fiscale eenheid niet mogelijk (art. 15 lid 4, onderdeel f Wet VPB 1969). Een belang in een BV dat als voorraad wordt gehouden, kwalificeerde tot 1 januari 2007 niet voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de wetgever vond het derhalve ook niet nodig om zo’n lichaam toegang te geven tot de regeling van de fiscale eenheid. Vanaf 1 januari 2007 worden voorraadaandelen wettelijk niet langer uitgesloten van de deelnemingsvrijstelling (zie hoofdstuk 8.2.3.2), maar vooralsnog heeft de wetgever daarin geen aanleiding gezien om voorraaddochters wel toe te laten tot de fiscale eenheid. Wel geldt op grond van het besluit BNB 2011/63 dat ingeval een kasgeldvennootschap als dochtermaatschappij wordt opgenomen in een fiscale eenheid, voor zoveel goedgekeurd wordt dat de aandelen in de dochtermaatschappij niet, onmiddellijk of middellijk, als voorraad geacht worden te zijn gehouden. De staatssecretaris verbindt hieraan de voorwaarde dat de discount bij aankoop en de upcount bij verkoop van de kasgeldvennootschap tot de winst wordt gerekend van het jaar waarin de aankoop respectievelijk verkoop plaatsvindt. Uiteraard moet verder aan alle vereisten voor de toepassing van art. 15 Wet VPB 1969 zijn voldaan.