Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/9.2.2
9.2.2 Ratio
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395954:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2015–2016, 34 323, nr. 6, blz. 7 en 8. De staatssecretaris geeft aan dat de regeling van de fiscale eenheid zijn inziens past in de systematiek van de vennootschapsbelasting en recht doet aan de concerngedachte. Er is volgens hem bij het fiscale eenheidsregime sprake van een belastingheffing die aansluit bij de werkelijkheid waarin belastingplichtigen in voorkomende gevallen als een concern optreden. Ook zonder een regime als dat van de fiscale eenheid lijkt het niet goed voorstelbaar dat er niet op enigerlei wijze wordt voorzien in een regeling voor verliesverrekening binnen een groep, aldus de staatssecretaris.
Voor een uiteenzetting van het concernbegrip, concernvorming en concernrecht verwijs ik naar Q.W.C.J.H. Kok, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, SDU Fiscaal wetenschappelijke reeks nr. 5, 2005, hoofdstuk 2. Kok verstaat onder concern: “Een concern is een onder centrale leiding van de moedermaatschappij staande economische eenheid van rechtspersonen en vennootschappen, welke met het oog op het voeren van een gemeenschappelijke strategie en het coördineren van het beleid van die rechtspersonen en vennootschappen, organisatorisch zijn verbonden.” Kok wijst er op dat de concerngedachte in de VPB naast het fiscale eenheidsregime verder nog tot uiting komt bij de deelnemingsvrijstelling, het begrip verbonden – en gelieerde lichamen en het afgeschafte concernfinancieringsregime van art. 15b Wet VPB 1969 (oud) en het civiel-juridische groepsbegrip van art. 10d Wet VPB 1969 (oud). Zie ook A.J. van Soest, De regeling van de fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, FED, 1983, blz. 149 e.v.
Vergelijk Verburg die wijst op de spanning tussen recht en economie in relatie met het concern. De juridische zelfstandigheid van de delen contrasteert met de economische eenheid van het geheel. J. Verburg, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, Belastingconsulentendag’77, nr. 22, FED, 1977, blz. 9.
Mijns inziens terecht merkt Dusarduijn op dat als de vennootschapsbelasting zich richt op het zelfstandig belasten van de belastbare winst van iedere vennootschap, de fiscale eenheid – de veronderstelling dat een aantal vennootschappen één vennootschap zou vormen – binnen deze wet als een rechtsfictie kwalificeert. De faciliteit schuift volgens haar immers de reguliere fiscale rechtswerkelijkheid van de zelfstandige belastingplicht bewust opzij. Echter, zoals ze in een voetnoot opmerkt sluit de fictie daardoor wel aan bij de economische werkelijkheid. S. Dusarduijn, De Rechtsfictie in de inkomstenbelasting, ISBN 978-90-9029380-6, blz. 136.
Zie bijvoorbeeld D. Juch, De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting, FED, 1974, blz. 10 e.v. en J. Verburg, vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 15.2.
Q.W.C.J.H. Kok, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, SDU Fiscaal wetenschappelijke reeks nr. 5, 2005, hoofdstuk 4.3.
G. van der Linde, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, WFR 1967/385.
Zie Kamerstukken II, 1939-1940, 239, nr. 4, blz. 23 en Kamerstukken II, 1939-1940, 239, nr. 5, blz. 32.
Q.W.C.J.H. Kok, De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting, SDU Fiscaal wetenschappelijke reeks nr. 5, 2005, hoofdstuk 3.2.1.
HR 22 februari 1956, nr. 12 518, BNB 1956/132.
J.H. Christiaanse, De historie van de deelnemingsvrijstelling vennootschapsbelasting in de buitenlandse verhouding in Duitsland, WFR 1962/399.
B.A. van Tuijl, Fiscale eenheid, WFR 1979/336, paragraaf 2.
Zie ook J. Verburg, vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2000, paragraaf 15.2. Verburg geeft aan dat slechts de fiscale zelfstandigheid van de dochtermaatschappij wordt uitgewist. Smeets geeft aan dat het object van heffing (van de dochtermaatschappij) aan de moedermaatschappij wordt toegerekend, maar de dochtermaatschappij wel subjectief belastingplichtig blijft. M.J.H. Smeets, Fiscale aspecten van houdstermaatschappijen, WFR 1968/4896.
Q.W.J.C.H. Kok/R.J. de Vries, Het nieuwe beleidsbesluit fiscale eenheid: Belangrijke stappen vooruit en gemiste kansen, WFR 2011/262, paragraaf 2.
Bij het onderzoek naar de grondslag van het fiscale eenheidsregime komt steevast naar voren de wens van de wetgever om voor de belastingheffing aan te sluiten bij het concern. “Het instituut van de fiscale eenheid voor de heffing van de vennootschapsbelasting van lichamen strekt ertoe concernvorming niet in de weg te staan’’, antwoordt de staatssecretaris van Financiën vrij recentelijk nog op de tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale eenheid gestelde vraag wat de filosofie achter de regeling van de fiscale eenheid is en wat het kabinet met de regeling tracht te bereiken.1 In de Wet op de vennootschapsbelasting wordt geen definitie gegeven van het begrip concern.2
Een ander punt dat bij het onderzoek naar de grondslag voor het fiscale eenheidsregime naar voren komt, is de spanning tussen het belasten op concernniveau (economisch uitgangspunt) en de hoofdregel in de vennootschapsbelasting dat ieder lichaam juridisch gezien zelfstandig vennootschapsbelastingplichtig is.3 Bij het fiscale eenheidsregime wordt met andere woorden (bij fictie) een uitzondering gemaakt op de hoofdregel dat ieder lichaam juridisch gezien zelfstandig vennootschapsbelastingplichtig is.4
In de literatuur is er meermaals op gewezen dat de economische realiteit van concernvorming moet worden erkend in de belastingwetgeving.5 Kok wijst op het welvaartsbeginsel en neutraliteitsbeginsel als grondslagen van het fiscale eenheidsregime. Aangezien concerns een belangrijke rol vervullen bij de “productie’’ van welvaart, moet volgens Kok hun ontwikkeling zo min mogelijk worden geremd door fiscale wetgeving. Daarnaast is Kok van mening dat de belastingwetgever zoveel mogelijk neutraal moet staan tegenover de wijze waarop belastingplichtigen “hun zaakjes’’ organiseren, dus ook ten opzichte van de keuze om de onderneming over meerdere entiteiten te verdelen of te concentreren in één entiteit.6
Van der Linde7 destilleert uit de totstandkomingsgeschiedenis8 van de fiscale eenheid twee doelstellingen van de wetgever, namelijk (i) het ne-bis-in-idem-beginsel zoals dat ook aan de deelnemingsvrijstelling ten grondslag ligt en (ii) het (horizontaal) kunnen verrekenen van verliezen van tot een groep behorende lichamen. Volgens Kok9 is er ook nog een derde doelstelling, namelijk het onbelast laten van interne transacties binnen fiscale eenheid. Deze laatste doelstelling is volgens Kok niet met zoveel woorden door de Kamer of de Minister van Financiën tot uitdrukking gebracht, maar het is volgens hem niet onvoorzichtig te veronderstellen, mede gelet op overleg tussen het bedrijfsleven en het Ministerie van Financiën, dat deze overweging mede ten grondslag heeft gelegen aan de keuze voor de “opgaan in’’ benadering, in plaats van bijvoorbeeld een beperktere regeling om fiscale verliezen binnen een groep over te dragen. Uit het hierboven in hoofdstuk 9.2.1 besproken arrest BNB 1956/13210 kan mijns inziens geconcludeerd worden dat de Hoge Raad het eens is met deze zienswijze. Ook Christiaanse geeft aan dat art. 27 Besluit Winstbelasting 1940 is gebaseerd op de eenheidstheorie.11 Van Tuijl is van mening dat uit de geciteerde woorden van de Kamerleden bij de totstandkoming met zoveel woorden blijkt dat de fiscale eenheid berust op de verlengstukgedachte.12
Het fiscale eenheidsregime is vanaf begin af aan louter een fiscale aangelegenheid geweest. De rechtspersoonlijkheid van de dochtermaatschappij blijft volledig in stand.13 Ook is in Nederland niet aangesloten bij het voor het civiele concernrecht belangrijke onderdeel consolidatie, met andere woorden, de commerciële geconsolideerde jaarrekening staat in principe geheel los van de consolidatiegedachte (opgaan-in-gedachte) van het fiscale eenheidsregime. In Nederland bestaat er dus niet zoiets als een (gesloten) systeem voor de belastingheffing van concerns. Er bestaan verschillende fiscale wettelijke regelingen die op concerns van toepassing zijn, maar wat betreft ratio, voorwaarden en uitwerking (sterk) van elkaar verschillen.
Bovenstaande samenvattend, sluit ik mij graag aan bij de omschrijving van De Vries en Kok die aangeven dat de fiscale eenheid een “faciliteit’’ is die inbreuk maakt op het aan de VPB ten grondslag liggende uitgangspunt dat alle lichamen zelfstandig in de heffing worden betrokken, doordat het belastingobject van alle tot de fiscale eenheid behorende lichamen aan de moedermaatschappij van die eenheid wordt toegerekend.14 De bedrijfseconomische realiteit van de groep wordt op verzoek als één geïntegreerde economische entiteit fiscaal gevolgd.