Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.1:13.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/13.1
13.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940625:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 7.3.8 zijn de verschillende gradaties van bewijs aan de orde gekomen, zoals die sinds de invoering van de AWR in het belastingrecht worden gehanteerd. Als hoofdregel geldt de lichte gradatie van ‘aannemelijk maken’. Soms vereist de wet echter de zware gradatie van ‘doen blijken’, ook wel aangeduid als ‘overtuigend aantonen’. Uit paragraaf 7.3.8.3.1 is gebleken, dat het geven van een sluitende definitie van de beide gradaties lastig is. Wel kunnen enkele kenmerken van de lichte en de zware gradatie worden genoemd:
Aannemelijk maken betekent dat een bewering redelijkerwijs voor juist mag worden gehouden. Een redelijke mate van zekerheid of waarschijnlijkheid is voldoende. Dat betekent dat een alternatieve gang van zaken denkbaar kan zijn. De meest voor de hand liggende of meest waarschijnlijke uitleg is dan de uitleg die ‘aannemelijk’ is.
Doen blijken is overtuigend aantonen: de juistheid van de bewering kan redelijkerwijs niet in twijfel worden getrokken. In beginsel is er, behoudens extreme gevallen die uiterst onwaarschijnlijk zijn, geen andere verklaring of lezing mogelijk. De te bewijzen feiten hoeven echter niet onomstotelijk vast te staan.
Het Nederlandse fiscale bestuurlijke boeterecht kent geen geschreven voorschriften voor wat betreft de te hanteren bewijsgradatie. Gelet op de vangnet-functie van de gradatie ‘aannemelijk maken’ binnen het algemene fiscale bewijsrecht, ligt het voor de hand om ook voor de boete terug te vallen op deze hoofdregel. Voor het bewijs van de fiscale bestuurlijke boete zou dan dus evenzeer de gradatie van aannemelijk maken gelden, eenvoudigweg omdat er volgens de wet geen bijzondere (verzwaarde) gradatie vereist is. Dat uitgangspunt is echter onjuist, althans voor zover het om het bewijs van de centrale stellingen gaat. De Hoge Raad heeft in 2022 bepaald dat voor het bewijs van die stellingen de zware gradatie is vereist.
In dit hoofdstuk onderzoek ik de juistheid van dat oordeel in het licht van art. 6 EVRM en in hoeverre de zware gradatie ook voor de perifere stellingen zou moeten gelden. Daartoe sta ik in paragraaf 13.2 allereerst kort stil bij het onderscheid tussen centrale en perifere stellingen. Vervolgens werk ik in paragraaf 13.3 de vereiste bewijsgradatie voor het bewijs van de centrale stellingen nader uit. In paragraaf 13.4 doe ik hetzelfde voor de perifere stellingen. Ik sluit in paragraaf 13.5 af met conclusies.