De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.5:9.5 Verschillende casus met betrekking tot een fusie of splitsing van de moeder- of de 403-maatschappij
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.5
9.5 Verschillende casus met betrekking tot een fusie of splitsing van de moeder- of de 403-maatschappij
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250421:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de volgende paragrafen werk ik verschillende casus uit waarbij de moeder- of de 403-maatschappij fuseert, zuiver splitst of afsplitst. Ik beperk mij tot enkele ‘standaard’-casus om de hoofdlijnen van de gevolgen van een fusie, zuivere splitsing of afsplitsing voor de aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring te onderzoeken.
Als eerste ga ik in op een fusie van de moeder- of de 403-maatschappij waarbij deze het vermogen van een andere (verdwijnende) rechtspersoon verkrijgt (§ 9.6). Vervolgens behandel ik een fusie waarbij de moeder- of de 403-maatschappij ophoudt te bestaan (§ 9.7 en § 9.8). Voorts komt een zuivere splitsing van de moeder- of de 403-maatschappij aan de orde (§ 9.9). Tot slot ga ik in op een afsplitsing van de moeder- of de 403-maatschappij (§ 9.10). Voor de duidelijkheid introduceer ik iedere casus met een afbeelding waarmee ik het resultaat laat zien van de desbetreffende fusie of splitsing.
Met betrekking tot iedere casus geef ik antwoord op drie vragen. Ten eerste ga ik na welke partij na de fusie of de splitsing op grond van de 403-verklaring aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij tot dat moment heeft verricht. Vervolgens onderzoek ik of er na de fusie of de splitsing nog nieuwe aansprakelijkheid op grond van deze verklaring kan ontstaan. Tot slot geef ik antwoord op de vraag of het mogelijk is om na de fusie of de splitsing de 403-verklaring in te trekken en de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen. Bij de beantwoording van deze laatste vraag onderzoek ik in het bijzonder of door de fusie of de splitsing is voldaan aan de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW voor de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken.
Ik verwijs bij de beantwoording van bovengenoemde vragen naar mijn eerdere conclusies met betrekking tot de overgang van de 403-aansprakelijkheid onder algemene titel1 en de uitleg van de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken.2 Ik behandel ook afwijkende standpunten ten aanzien van deze onderwerpen. Ik ga bij de verschillende casus echter niet in op het recht van een crediteur op grond van art. 2:316 BW, respectievelijk art. 2:334l jo. art. 2:334k BW om in verzet te komen tegen de desbetreffende fusie of splitsing en te verlangen dat hem een waarborg wordt gegeven voor de voldoening van zijn vordering. De norm of een crediteur recht heeft op een waarborg is te casuïstisch voor een algemene bespreking van een casus zonder nadere uitwerking van fictieve vermogensposities van de desbetreffende partijen. Ik verwijs hiervoor naar mijn eerdere opmerkingen over dit onderwerp.3