Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.6.2
2.6.2 Gewijzigde opvatting Van der Grinten
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS390596:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handboek Van der Grinten 1962, nr. 42 (met in noot 4 verwijzing naar Löwensteyn 1959, p. 14).
Ibid, nr. 49.
Zie ook Raaijmakers Th. 1987, p. 5 (stellende dat het Handboek de dissertatie van Löwensteyn ‘volgde’).
Handboek Van der Grinten 1955, nr. 78.
Ibid.
Handboek Van der Grinten 1962, nr. 78.
Ibid, nr. 218.
Handboek Van der Grinten 1962, nr. 333.
W.J.M. Noldus, Ongeldigheid van besluiten in de naamloze vennootschap, diss. Nijmegen 1969, Van der Heijden-reeks nr. 1, Deventer: Kluwer 1969, p. 191-192.
Van der Grinten 1952, p. 341-342.
Handboek Van der Grinten 1962, nr. 164 noot 1.
Ibid, nrs. 41-43.
Löwensteyn 1959, p. 19-20
Ibid, p. 136 (onder meer verwijzend naar Van der Grinten 1952, p. 341).
Löwensteyn 1959, p. 133. Op p. 131 stelt Löwensteyn reeds: “De N.V. streeft in het algemeen naar het behalen van winst ten einde deze onder de aandeelhouders te verdelen. Dit volgt uit haar aard en behoeft niet in de statuten vermeld te worden.” (verwijzend naar Handboek Van der Grinten 1955, nr. 78 en Van der Grinten 1952).
Löwensteyn 1959, p. 133-134.
In navolging van de dissertatie van Löwensteyn wijzigde ook Van der Grinten in de zevende druk van het Handboek uit 1962 van opvatting. De eerdere opvatting over de N.V. als contractuele rechtsbetrekking en bijzondere maatschapsvorm werd expliciet verlaten voor de institutionele visie van Löwensteyn: “N.V. en vereniging zijn naar Nederlands recht niet-contractuele rechtsbetrekkingen, waaraan rechtspersoonlijkheid is verleend. Zij zijn primaire rechtspersonen met een eigen – niet-contractueel – rechtsregiem.”1 In het verlengde hiervan liet Van der Grinten tevens de functionele opvatting van Van der Heijden over het wezen en de strekking van de rechtspersoonlijkheid los: “Tengevolge van de rechtspersoonlijkheid verkrijgt de vennootschappelijke betrekking een nieuwe en eigen dimensie. De vennootschappelijke betrekking is niet een contractuele betrekking tussen de vennoten, doch is een betrekking binnen de N.V. zelf, waarvan de N.V. het middelpunt is. De vennoten – aandeelhouders – staan in een lidmaatschapsverhouding tot de N.V.. Tussen de aandeelhouders onderling bestaat niet een contractuele band.”2 Hiermee bracht Van der Grinten het Handboek dus expliciet in lijn met de opvattingen uit de dissertatie van Löwensteyn.3
Naast deze wendingen bevatte deze bewerking van het Handboek ten opzichte van de vorige drukken nog twee noemenswaardige wijzigingen. Ten eerste nuanceerde Van der Grinten ook zijn eerdere stelling (en die van Van der Heijden voor hem) dat het doel van de N.V. “het belangrijkste deel der vennootschappelijke constructie” was.4 In de voorgaande druk had hij bij dit uitgangspunt reeds de kanttekening geplaatst dat het Departement bij het verlenen van de vereiste verklaring van geen bezwaar voor statuten en statutenwijzigingen in de praktijk reeds toeliet dat zeer brede, en daarmee weinig bepalende, doelomschrijvingen in statuten werden opgenomen.5 In de bewerking van 1962 zwakte Van der Grinten zijn uitgangspunt af tot de stelling dat het doel “theoretisch een belangrijk element” in de vennootschappelijke constructie was.6 Hiermee erkende Van der Grinten impliciet dat de statutaire doelomschrijving in de praktijk weinig richtinggevend meer was voor het handelen van bestuurders en aandeelhouders. Een tweede wijziging treft men aan bij Van der Grinten’s commentaar op de regeling inzake diskwalificatie van stemrecht van aandeelhouders (artikel 44c WvK). In aanvulling op de praktische bezwaren die eerder door Van der Heijden tegen de werkbaarheid van deze regeling waren aangevoerd, stelde Van der Grinten nu tevens vast dat het inmiddels vaste praktijk was geworden om artikel 44c WvK bij statuten buiten werking te stellen.7 Te meer nu de regeling van artikel 44c WvK ook niet meer was opgenomen in het in 1960 vastgestelde nieuw BW moest worden geconstateerd dat aan de diskwalificatieregeling van artikel 44c WvK op dat moment weinig tot geen praktisch belang meer toekwam. Hiermee was voor aandeelhouders het equivalent van de tegenstrijdig belangregeling die op grond van artikel 51 WvK voor bestuurders gold verlaten.
Het feit dat Van der Grinten nu aanvaardde dat de N.V. formeel-juridisch niet langer als contractuele rechtsbetrekking kon worden beschouwd maakte niet dat hij de rechtsfiguur van de N.V. wezenlijk anders ging beschouwen. Enerzijds had Van der Grinten naar aanleiding van ontwikkelingen in wetenschap, rechtspraak en praktijk eerder op punten de strikte maatschapsbenadering van Van der Heijden verlaten, zoals de beperking van de zelfstandige bestuursmacht tot zaken van de gewone dagelijkse bedrijfsuitoefening en de vermeende instructiebevoegdheid van de AVA ten aanzien van het bestuur. Ook de hierboven beschreven wijzigingen vallen als zodanig te verklaren; Van der Grinten was bereid om zijn opvattingen telkens bij voortschrijdend inzicht op punten bij te stellen. Van een complete systeemwending lijkt in zijn bewerking van het Handboek van 1962 dan ook geen sprake te zijn. Van der Grinten paste zich eerder aan de door hem gepercipieerde wijzigingen in de heersende rechtsopvattingen.
Anderzijds behield Van der Grinten ook bij aanvaarding van het institutionele karakter van de N.V. een wezenlijk uitgangspunt dat vanuit de maatschapsgedachte in de context van de besloten N.V. was ontwikkeld: het belang van de N.V. waardoor bestuurders en commissarissen zich bij de uitoefening van hun bevoegdheden en bij hun handelen dienden te laten leiden stond gelijk aan het belang van de gezamenlijke aandeelhouders. Weliswaar repte Van der Grinten in zijn bewerking van het Handboek uit 1962 op één plaats van “het belang van de aandeelhouders of van de N.V.”8 wat een schijnbare tegenstelling impliceert, maar hij lijkt daarmee – zoals Noldus later gemotiveerd zou betogen9 – geen wijziging ten opzichte van zijn eerder in 1952 verkondigde opvatting10 te hebben beoogd. Het feit dat Van der Grinten ook in de nieuwe druk van het Handboek volhardde in zijn kritiek ten aanzien van het Doetinchemse Ijzergieterij-arrest11 laat zien dat Van der Grinten ook voor de institutionele N.V. vasthield aan het vennootschappelijk karakter. Tegen deze achtergrond bezien was de draai die Van der Grinten in de nieuwe druk van het Handboek aanbracht door de contractuele opvatting te verruilen voor de institutionele opvatting van de N.V. uit dogmatisch oogpunt wellicht opzienbarend, maar de praktische implicaties van een en ander vielen mee.
Ook Löwensteyn had het vennootschappelijk karakter van de institutionele N.V. benadrukt. Net als Van der Grinten12 beschouwde Löwensteyn de N.V. als een samenwerkingsvorm.13 Evenmin als Van der Grinten, erkende Löwensteyn de mogelijkheid van het bestaan van een eigen belang van de N.V. los van het belang van de gezamenlijke aandeelhouders: “Eigen belangen hebben alleen natuurlijke personen. Rechtspersonen kunnen alleen in overdrachtelijke zin belangen hebben. Onder het ‘belang’ der vereniging of der N.V. zullen wij moeten verstaan het doel in eigenlijke zin.”14 Het ‘doel in eigenlijke zin’ van de N.V. verstond Löwensteyn als het behalen van winst ten bate van alle aandeelhouders: “Bestuurders moeten het eigenlijk doel nastreven, niet dus hun eigen belang of dat van bepaalde aandeelhouders, ook niet dat van de meerderheid van de aandeelhouders, maar het belang van alle aandeelhouders, objectief en onpartijdig.”15 Op één punt ging Löwensteyn verder dan Van der Grinten: hij betoogde dat onder het belang van alle aandeelhouders tevens de belangen van toekomstige aandeelhouders begrepen moesten worden: “Eén der eigenschappen van de rechtspersoon is immers haar duurzaamheid. (…). De N.V. wordt dan ook niet opgericht met de bedoeling, dat zij alleen voor korte tijd, ten behoeve van de tegenwoordige aandeelhouders, zal functioneren. De aandelen zijn immers overdraagbaar. Te eniger tijd kan het aandeelhouderspersoneel dus ingrijpend gewijzigd zijn. (…). Zulks kan ook het gevolg zijn van latere uitgiften van aandelen. Dit brengt mede, dat de machthebbers van vandaag rekening hebben te houden met de aandeelhouders van morgen.”16 Löwensteyn voorzag derhalve een zekere abstractie van het belang van de N.V. van haar concreet aandeelhoudersbestand zoals dat op enig moment is samengesteld. De nadruk op het duurzame karakter van een eenmaal opgerichte N.V. getuigt ook op dit punt van een meer institutionele benadering dan men toentertijd bij Van der Grinten aantrof.