Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.6.3:19.6.3 Gering risico onbetrouwbaar bewijs
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.6.3
19.6.3 Gering risico onbetrouwbaar bewijs
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500767:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 10 september 2002 (Allen t. Verenigd Koninkrijk), FED 2003/589 (m.nt. Thomas); NJCM-Bulletin 2003, p. 160. Zie ook EHRM 8 april 2003 (King t. Verenigd Koninkrijk).
Voor de goede orde, deze vraag speelde niet in de gelijknamige zaken.
Zo had Funke het bestaan van verschillende buitenlandse rekeningen toegegeven. J.B. had op zijn beurt toegegeven dat hij zijn inkomsten niet juist en volledig had opgegeven (zie § 6.5.5.2.2 hiervoor).
Opzettelijk begane informatieverzuimen worden in de praktijk nauwelijks strafrechtelijk vervolgd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zo-even genoemde verschillen in aard tussen de Nederlandse fiscale boete- en strafprocedure zijn aanleiding te vermoeden dat de medewerking onder sanctiedreiging aan een fiscaal boeteonderzoek, niet serieus afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van verklaringen en ander wilsafhankelijk bewijs dat de boeteling moet verstrekken op grond van art. 47 AWR. Sterker, ik wil niet uitsluiten dat de betrouwbaarheid ervan eerder wordt aangetast door de vrees voor bestraffing vanwege de gebleken overtreding van een fiscaal voorschrift. Vgl. de zaak Allen. Daarin verstrekte de klager onjuiste informatie aan de Engelse belastingautoriteiten om zo bestraffing te ontlopen.1 Evenzo kan de vraag worden gesteld of de betrouwbaarheid van de van Funke, J.B. en Chambaz gevorderde informatie, wanneer wilsafhankelijk en verstrekt, niet vooral zou zijn beïnvloed door de vrees voor bestraffing wegens belastingfraude – en niet zozeer de sancties waarmee niet-medewerking werd bedreigd.2 Een bevestigend antwoord lijkt mij waarschijnlijk.3
Meer in het algemeen kan juridische sanctiedreiging juist tegenwicht bieden aan onbetrouwbare verklaringen (maar kan zij de procesautonomie aantasten; zie dadelijk). In de Nederlandse belastingpraktijk lijkt dat tegenwicht vooral te worden geboden door de omkering van de bewijslast.4 Zie ik het goed, dan doet de vrees voor de toepassing van deze processuele sanctie veel belastingplichtigen (alsnog) besluiten om hun fiscale verplichtingen juist en volledig na te komen. Waarschijnlijk is hetzelfde te zeggen over de civiele last onder dwangsom, die eveneens is gericht op herstel (en niet op bestraffing).