Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.1.2:2.4.1.2 Eigen opvatting
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.1.2
2.4.1.2 Eigen opvatting
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859269:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dekkers & Casman 2010, p. 271 en Pintens e.a. 2010, p. 752. Met de herziening van het erfrecht in 2012 is deze onwaardigheidsgrond uit de wet verdwenen. Zie hierover nader H5.
Parl. Gesch. Vast. Boek 4 2002, p. 90 en Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1175.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De onwaardigheidsbepaling is niet geschreven vanuit het perspectief van de onwaardige. Het doet niet ter zake of het de onwaardige om de erfenis of om het lasteren gaat. Het gaat erom dat bij een dergelijke misdraging ervan wordt uitgegaan dat het niet strookt met de wil van de erflater als de onwaardige opkomt in zijn nalatenschap. Bovendien geldt dat een afwijking van het Franse recht niet noodzakelijkerwijs mee hoeft te brengen dat geen aangifte of klacht wordt vereist. Wordt een uitstapje gemaakt naar het Belgische recht dan blijkt dat de wetgever ook daar van het Franse recht is afgeweken. In de oorspronkelijke versie van artikel 727 Belgisch BW is onwaardig ‘hij die (…) een beschuldiging heeft ingebracht van een feit waarop doodstraf is gesteld’. Nadien is dit artikel gewijzigd en gaat het om het lasterlijk inbrengen van een beschuldiging van een feit waarop levenslange opsluiting of levenslange hechtenis is gesteld. Niettemin wordt ook in deze gewijzigde versie een aangifte, klacht of getuigenis tegen de erflater verlangd.1
Uit het voorgaande volgt dat de argumentatie van Van der Kemp niet de doorslag geeft. Dat wil echter niet zeggen dat ik daarmee de heersende mening uit die tijd onderschrijf. Mijns inziens moet de uitkomst worden gezocht in het doel en de strekking van deze bepaling tezamen met het strafrecht en de wetgeschiedenis over de totstandkoming van artikel 4:3 BW.
Vanuit het perspectief van de erflater is het de misdraging, het uiten van een lasterlijke beschuldiging, waar het om draait. Vanuit die optiek is het minder relevant hoe daaraan uitvoering wordt gegeven. Een lasterlijke beschuldiging via sociale media kan ingrijpender gevolgen hebben voor de erflater, dan een aangifte of klacht die onderin de bureaulade van een politieagent verdwijnt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een lasterlijke beschuldiging op een openbaar toegankelijke internetbron dat de erflater een moord op zijn geweten heeft. In dat geval is het niet aannemelijk dat de erflater deze betichter in zijn nalatenschap wil laten opkomen. Dit pleit ervoor niet als voorwaarde te stellen dat de beschuldiging in een klacht of aangifte moet zijn gegoten.
Dit argument alleen is niet alles bepalend. Het strafrecht komt hier ook om de hoek kijken. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de lasterlijke beschuldiging door zowel de civiele rechter als de strafrechter kan worden vastgesteld.2 De strafrechter is bij zijn vaststelling – in de vorm van een veroordeling – gebonden aan de bestanddelen van de delictsomschrijving. Alleen als alle delictsbestanddelen zijn vervuld, mag hij tot een veroordeling komen. Biedt het strafrecht enkel mogelijkheden om met een aangifte of klacht tot een veroordeling te komen, dan vormt dat een sterke aanwijzing dat de wetgever bij artikel 4:3 lid 1 sub c BW wel degelijk een aangifte of klacht verlangt. Gelet hierop is een nadere beschouwingen van de strafrechtelijke mogelijkheden noodzakelijk.
Het lasterlijk inbrengen van een beschuldiging kent het strafrecht niet als zodanig. De delicten die hieraan gelieerd zijn, betreffen laster (art. 262 lid 1 Sr) en de lasterlijke aanklacht (art. 268 lid 1 Sr). Deze bepalingen luiden respectievelijk als volgt:
‘Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt, wetende dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is, wordt, als schuldig aan laster, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.’
‘Hij die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid een valse klacht of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam van die persoon wordt aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.’
Hieruit wordt duidelijk dat voor een lasterlijke aanklacht een valse klacht of aangifte een noodzakelijke voorwaarde is. Ontbreekt deze dan kan de strafrechter niet tot een veroordeling komen. Bij laster geldt deze voorwaarde niet. Dat betekent dat de strafrechter mogelijkheden ten dienste staan om een lasterlijke beschuldiging vast te stellen zonder dat sprake is van een klacht of aangifte. Het strafrecht staat daarom niet aan de interpretatie in de weg dat het inbrengen van een lasterlijke beschuldiging geen klacht of aangifte vereist.
Een ander strafrechtelijk argument dat ervoor spreekt geen aangifte of klacht te vereisen, is het feit dat beide delicten hetzelfde belang nastreven. De auteurs die bij onwaardigheid een aangifte of klacht verlangen, koersen derhalve strafrechtelijk gezien af op een veroordeling voor artikel 268 Sr. Dat artikel strekt tot bescherming van iemands reputatie. Het beschermt de aanspraak die eenieder heeft op zijn eer en goede naam.3 Voor artikel 262 Sr is dit niet anders.4 Bovendien komen de bepalingen overeen als het gaat om de strafbedreiging. Niet valt in te zien waarom een veroordeling voor artikel 268 Sr dan wel tot onwaardigheid leidt en artikel 262 Sr niet. Daar valt geen goede rechtvaardiging voor aan te dragen.
Tot slot geldt dat de rechtszekerheid niet in het gedrang komt als de wet geen aangifte of klacht vordert. Dat de betichter zich schuldig heeft gemaakt aan het lasterlijk inbrengen van een beschuldiging van een misdrijf dat met een maximum van ten minste vier jaren vrijheidsstraf is bedreigd, moet immers bij rechterlijke uitspraak worden vastgesteld.
Kortom, op grond van het voorgaande kom ik tot de conclusie dat het inbrengen van een beschuldiging ruim moet worden opgevat. De beschuldiging kan zijn neergelegd in een aangifte of klacht, maar artikel 4:3 lid 1 sub c BW is daartoe niet beperkt. Wordt de beschuldiging door de strafrechter vastgesteld, dan geldt dat zowel een veroordeling voor artikel 262 Sr als een veroordeling voor artikel 268 Sr onwaardigheid mee kan brengen. Wanneer van een lasterlijke beschuldiging sprake is, komt hierna aan de orde.