Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/7.5.2
7.5.2 Onvoldoende onderzoek door de burger
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS511056:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Zie bijvoorbeeld Rb. Zwolle-Lelystad 21 april 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BN0380, r.o. 4.6 (Pluimveestal Lelystad) en Rb. ‘s-Gravenhage 1 september 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BV1555, r.o. 4.16 (SCS/Teylingen). Vgl. Rb. Amsterdam 19 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BV7472, r.o. 4.25 (Erfpacht Hollands Noorderkwartier) en Rb. Arnhem 20 juni 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX3594, r.o. 4.6 (Bijgebouw Lingewaard).
In zijn conclusie voor HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (’s-Hertogenbosch/ Van Zoggel) schrijft A-G Spier, onder 4.5.2 en in voetnoot 4, dat aan de justitiabele zelf de nodige eisen mogen worden gesteld om eventuele schade te voorkomen, hetgeen mogelijk is langs de lijnen van artikel 6:101 BW.
Zie Hof Den Haag 11 november 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4598, r.o. 3.3 (Roder Sana/Staat) en N. van Triet in haar noot bij Rb. Overijssel 27 september 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3757, BR 2017/106, onder 12 (Oldenzaalse openingstijden).
HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/223 m.nt. J. Hijma (Woonboerderij). De roepnaam is afkomstig van Hijma.
In het arrest wordt verwezen naar HR 30 november 1973, NJ 1974/97 m.nt. G.J. Scholten (Van der Beek/Van Dartel) respectievelijk HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0407 (Van Dalfsen/Kampen).
Vgl. ook HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9855, r.o. 3.8 (Mooijman c.s./ WLTO) in de verhouding opdrachtgever-opdrachtnemer. Zie over dit arrest Jansen 2012b.
Zie ook Castermans 1992, p. 145, die voor deze conclusie weinig woorden nodig heeft.
Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 350-351. Zie ook Castermans 1992, p. 144.
Hier komt bij dat criteria als ‘gerede twijfel’ (Barendrecht e.a. 2002, p. 92), ‘redelijke grond voor twijfel’ (HR 15 juni 1979, NJ 1980/61 m.nt. M. Scheltema, AB 1979/528 m.nt. J.R. Stellinga (Grubbenvorst/Caldenbroich)) of ‘zo onmiskenbaar onjuist’ (HR 22 november 1985, NJ 1986/722 m.nt. M. Scheltema, AB 1986/245 m.nt. G.A.C.M. van Ballegooij (V&D en Super Doe/Groningen)) al snel te restrictief zijn, omdat daarbij de drempel der onrechtmatigheid vaak niet zal kunnen worden genomen en men dan niet toekomt aan de vraag of een succesvol beroep op artikel 6:101 BW kan worden gedaan. Vgl. nog ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3488, AB 2018/444 m.nt. K.J. de Graaf & W.P. van der Meulen, r.o. 16.1 (Buxuskwekerij Assendelft), waarin de Afdeling bestuursrechtspraak het criterium ‘zonneklaar’ hanteert.
Vgl. HR 13 februari 1981, NJ 1981/441 m.nt. C.J.H. Brunner, r.o. 3 (Kleuskens/Janssen). Blijkens CBb 5 juni 2018, ECLI:NL:CBB:2018:262, AB 2018/358 m.nt. L.J.A. Damen, r.o. 4.3 (Jonge landbouwers) dient de belanghebbende de desbetreffende regelgeving, waarop hij was gewezen, zelf te raadplegen.
Vgl. Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727, r.o. 4.8 (Principebesluit Zwijndrecht).
Zie daarover Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, r.o. 2.15 (Appartementencomplex Rijssen-Holten), Hof Leeuwarden, BR 2005/84 m.nt. B.J.P.G. Roozendaal, r.o. 12 (Van der Veen c.s./Ten Boer), Rb. Zwolle-Lelystad 21 april 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BN0380, r.o. 4.4 (Pluimveestal Lelystad) en Rb. Gelderland 10 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:716 (Principebesluit Brummen).
Vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 2 november 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3229, r.o. 3.13 (LPG-vulpunt Uden II) en Rb. Arnhem 31 augustus 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BT7176, r.o. 4.5 (Woning Overbetuwe).
Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727, r.o. 4.8 (Principebesluit Zwijndrecht).
Zie hierover Van de Sande 2018, p. 293-294.
Vgl. Scheltema 2013, p. 263, die op dit punt een ontwikkeling signaleert. Vgl. ook Loth & Tjong Tjin Tai 2014, punt 31-32.
Vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 2 november 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3229, r.o. 3.9.1 (LPG-vulpunt Uden II) en Hof ‘s-Hertogenbosch 17 juni 2003, ECLI:NL:GHSHE:2003:AH9155, r.o. 4.7 (‘s-Hertogenbosch/Grasgroep).
Vgl. de conclusie van A-G Spier, onder 4.6.2 en 4.8, HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel) en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2820, NJ 2010/622 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 4.6 (TMF Financial Services) in het kader van artikel 6:194 BW.
Vgl. CRvB 1 maart 1990, AB 1990/471 m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens (Vrijwillige ziekenfondsverzekering).
Barendrecht e.a. 2002, p. 91-93. In dit kader merken zij op dat het probleem kan spelen dat ‘een burger meent juiste of volledige informatie te hebben ontvangen, maar hij een (ontoereikend of verkeerd) verzoek om informatie heeft ingediend waarop door de overheid op zich juiste maar voor de burger verkeerde of ontoereikende informatie is gegeven’. Dat vind ik echter geen probleem dat speelt binnen het kader van eigen schuld. In zo’n situatie zal namelijk meestal geen sprake zijn van onrechtmatige informatieverstrekking. Zie paragraaf 4.7.2 e.v.
Vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 2 november 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO3229, r.o. 3.9.1 (LPG-vulpunt Uden II). Vgl. verder HR 15 juni 1979, NJ 1980/61 m.nt. M. Scheltema, AB 1979/528 m.nt. J.R. Stellinga (Grubbenvorst/Caldenbroich) en HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2820, NJ 2010/622 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 4.6 (TMF Financial Services) in het kader van artikel 6:194 BW.
Vgl. Scheltema & Scheltema 2013, p. 416-417, die de aard van de informatie beslissend achten.
Hierbij valt in aanmerking te nemen dat het – vanuit rechtseconomisch opzicht – inefficiënt is als de burger op zoek moet naar informatie waarover de overheid zou moeten beschikken. Vgl. Jansen 2012a, p. 7 en Barendrecht & Van den Akker 1999, p. 192-193.
Verheij 2015, p. 53, stelt terecht dat het gevolg van het verdisconteren van zeer onvoorzichtig gedrag in de vestigingsfase is dat het onwaarschijnlijk is dat iemand in beginsel wel aansprakelijk wordt geacht op grond van artikel 6:162 BW, maar dat zijn vergoedingsplicht vervolgens wegens de grote onvoorzichtigheid van het slachtoffer op grond van artikel 6:101 BW wordt gereduceerd tot nihil. Vgl. Keirse & Jongeneel 2013, p. 44-45.
Vgl. HR 11 maart 1938, NJ 1939/128 m.nt. E.M. Meijers (Staat Hamburg) ‘dat echter ook, indien aangenomen zou moeten worden, dat Hamburg door bij het controleren van de door Hartog overgelegde bescheiden niet de noodige zorgvuldigheid te betrachten, gezegde schade mede heeft veroorzaakt en derhalve daaraan mede schuld heeft, die schuld, welke dan zou bestaan in een lichtvaardig geloof hechten aan hetgeen door Hartog werd voorgegeven, zoo gering zou zijn in vergelijking met het boosaardig opzet, waarmede deze handelde, dat zij, tegenover dat opzet, bij de beoordeling van de aansprakelijkheid voor de toegebrachte schade, als factor zou dienen te worden verwaarloosd’. Hierin ging het echter wel om ‘boosaardig opzet’ van Hartog.
Vgl. de noot van Hijma onder HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/ 223 m.nt. J. Hijma, onder 11 (Woonboerderij). Het zou Hijma in situaties van dwaling niet verbazen als vele verdeelsleutels op of in de buurt van 2:1 gaan uitkomen, dat wil zeggen, dat uiteindelijk 2/3 deel van de schade wordt vergoed. Deze voorspelling sluit aan bij Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727, r.o. 4.8 (Principebesluit Zwijndrecht).
HR 23 mei 1997, NJ 1998/192 m.nt. C.J. van Zeben (Rabobank/Everaars), HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7419, NJ 2005/103 m.nt. C.E. du Perron, r.o. 3.6.3 (Van Zuylen/Rabobank) en de effectenlease-zaken HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 4.16.2 en 5.6.2 e.v. (De Treek/Dexia), HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2811, NJ 2012/183 m.nt. J.B.M. Vranken, r.o. 4.7.11 e.v. en 4.9.2 (Levob/Bolle) met nuance in HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1725, NJ 2014/176 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, r.o. 3.4.2 (Van Uden/NBG) en samenvatting en nuance in HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, NJ 2017/9 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Cliëntenremisier Dexia).
Zie in het bijzonder HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1725, NJ 2014/176 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, r.o. 3.4.2 (Van Uden/NBG) en HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, NJ 2017/9 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, r.o. 5.1.6 en 5.6.2 (Cliëntenremisier Dexia).
In deze paragraaf wordt ingegaan op het nalaten van de burger om voldoende onderzoek te doen om de onjuistheid van de verstrekte informatie te onderkennen, als grond voor vermindering van de schadevergoedingsplicht die op de overheid rust. In algemene zin rijst hierbij allereerst de vraag of het überhaupt mogelijk is om aan de burger, jegens wie onrechtmatig is gehandeld doordat hij er – in de bewoordingen van het arrest ’s-Hertogenbosch/ Van Zoggel1 – redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen werden gegeven, vervolgens alsnog tegen te werpen dat hij eigen schuld aan het ontstaan van de schade heeft doordat hij heeft nagelaten om de juistheid of volledigheid van die inlichtingen te controleren.
Men zou immers kunnen zeggen dat de burger die erop mocht vertrouwen dat hij juist en volledig werd geïnformeerd, reeds daarom geen aanleiding had om de informatie te controleren, zodat het nalaten van deze controle geen eigen schuld kan opleveren. Het gaat dan niet om een omstandigheid die aan de burger kan worden toegerekend, omdat hij niet onvoorzichtig heeft gehandeld door die controle niet uit te voeren.
Deze benadering is in de feitenrechtspraak wel gevolgd.2 Als algemene regel vind ik haar echter veel te ongenuanceerd. Het enkele feit dat een onderzoeksplicht in een concreet geval niet zo zwaar weegt dat zij zich verzet tegen het aannemen van een gerechtvaardigd vertrouwen, brengt mijns inziens niet mee dat het verzaken van een eigen onderzoeksplicht onder geen beding op de voet van artikel 6:101 BW aan de benadeelde in rekening kan worden gebracht.3 Of de burger beter had moeten weten dan wel nader onderzoek had moeten doen, is mijns inziens zowel van belang bij de vaststelling van de onrechtmatigheid van het verstrekken van onjuiste informatie, als bij de beoordeling of de burger eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade.4
Ter vergelijking wijs ik op het Woonboerderij-arrest van de Hoge Raad.5 Hierin herhaalde de Raad dat, indien een verkoper vóór de totstandkoming van de overeenkomst aan een koper bepaalde inlichtingen had behoren te geven teneinde te voorkomen dat die koper zich omtrent het desbetreffende punt een onjuiste voorstelling zou maken, redelijkheid en billijkheid zich in het algemeen ertegen verzetten dat de verkoper ter afwering van een beroep op dwaling of non-conformiteit aanvoert dat de koper het ontstaan van de onjuiste voorstelling mede aan zichzelf heeft te wijten.6 Daaraan voegt de Hoge Raad toe dat dit echter niet wegneemt dat ‘een eventueel uit schending van de mededelingsplicht voortvloeiende verplichting van de verkoper tot schadevergoeding, op de voet van artikel 6:101 lid 1 BW kan worden verminderd indien de onjuiste voorstelling van zaken mede is te wijten aan de koper, bijvoorbeeld door gebrek aan onderzoek aan zijn zijde’.7
De casus en het juridisch kader in het Woonboerderij-arrest verschillen van het onderwerp van dit boek, maar de boodschap lijkt helder. Het voorgaan van een mededelingsplicht staat er niet aan in de weg dat de schending van een onderzoeksplicht wordt bestraft met een vermindering van de schadevergoeding in het kader van artikel 6:101 BW.8 Dit geldt temeer, omdat een categorisch afwijzende houding ten opzichte van de toepassing van artikel 6:101 BW in de context van het nalaten om de verstrekte informatie te controleren onverenigbaar is met het uitgangspunt dat het er bij die toepassing om gaat of de benadeelde burger zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens zou hebben gedaan.9 In dit kader zijn alle omstandigheden van het geval relevant, en daarmee strookt het categorisch uitsluiten van de toepassing van artikel 6:101 BW geenszins.
Tegelijkertijd is het lastig om meer specifiek aan te geven wanneer artikel 6:101 BW daadwerkelijk tot vermindering of verval van de schadevergoedingsplicht kan of zelfs moet leiden. Ook is het moeilijk om in abstracto aan te geven of de burger zelf maatregelen zou moeten nemen, en zo ja welke, om zich ervan te vergewissen dat de verstrekte informatie correct is. Dat hangt zoals gezegd af van alle relevante gezichtspunten van het betreffende geval (die in hoofdstuk 4 zijn behandeld). Het is dan ook naar mijn mening niet mogelijk om ter zake hard and fast rules te formuleren, zoals de regel dat bij ‘gerede twijfel’ of ‘goede reden tot twijfel’ (vgl. artikel 3:11 BW) aan de juistheid van de verstrekte informatie een verplichting bestaat om zelf nader onderzoek te doen,10 op straffe van verval van (een deel van) de schadevergoedingsverplichting op grond van artikel 6:101 BW.
Men neme het voorbeeld waarin de gemeente de mededeling doet dat op een perceel in het buitengebied een woonbestemming vigeert. Kan men dan van de maatman-burger verwachten dat hij vervolgens zelf het bestemmingsplan raadpleegt,11 dat hij een planologisch adviseur of jurist in de arm neemt om het bestemmingsplan voor hem te raadplegen of dat hij een principeverzoek indient bij het gemeentebestuur?12 Of, in het uiterste geval, dat hij een omgevingsvergunning aanvraagt voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1 lid 1, aanhef en onder c, Wabo), om de juistheid van de informatie te (ver)zekeren door middel van een besluit van het bevoegde bestuursorgaan met een daartoe strekkend rechtsgevolg?13
Doorslaggevend is steeds of in het concrete geval in redelijkheid van de burger kon worden verlangd dat hij, hoewel hij redelijkerwijs mocht afgaan op de verkregen overheidsinformatie, die informatie toch op één van de hiervoor genoemde manieren zou (laten) verifiëren.14 Een belangrijk gezichtspunt in dit verband is de mate van bezwaarlijkheid van het uitvoeren van eigen onderzoek (vgl. paragraaf 4.7.12.1). Dit kan vooral worden gevergd indien de controlemiddelen ‘ready and available’ waren en de controle weinig kost in termen van geld en moeite.15
Ten aanzien van de bestemming van een perceel en bijbehorende planregels brengen deze gezichtspunten mijns inziens mee dat van de burger kan worden gevergd dat hij de voornoemde mededeling van de gemeente controleert op juistheid. De meeste actuele bestemmingsplannen zijn tegenwoordig voor eenieder op eenvoudige wijze digitaal te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl.16 Hiervoor is geen bijzondere deskundigheid vereist. Hierbij speelt een rol dat de eigen verantwoordelijkheid van de burger is toegenomen doordat de mate van bezwaarlijkheid van het doen van eigen onderzoek in het digitale tijdperk is afgenomen.17 Niet alleen bestemmingsplannen maar ook wetten zijn tegenwoordig eenvoudiger via het internet raadpleegbaar. Deze omstandigheid maakt niet dat eenieder ineens kennisneemt van de wet en/of de wet daadwerkelijk begrijpt. Deze omstandigheid brengt wel mee dat – in toekomstige rechtspraak – wellicht eerder in redelijkheid van de burger kan worden verwacht dat hij zelf onderzoek doet.
Andere situaties waarin het zorgvuldigheidshalve aangewezen kan zijn om de juistheid van de verstrekte informatie te (doen) verifiëren (al dan niet door een (deskundige) derde), zijn die waarin grote financiële belangen gemoeid zijn met de juistheid van de informatie18 en die waarin de burger ternauwernood mag vertrouwen op de juistheid van de verstrekte informatie. Hiermee doel ik op situaties waarin het vertrouwen maar nét gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld indien de gegeven informatie niet uitblinkt in helderheid19 of anderszins aanleiding bestaat voor twijfel.20 Een ander belangrijk gezichtspunt is de hoedanigheid van de burger (paragraaf 4.7.11).
Op dit punt stellen Barendrecht e.a. dat eigen schuld van een burger aan de orde kan zijn wanneer van de getroffen burger verwacht mag worden dat hij de juistheid van de door de overheid verstrekte informatie controleert en wanneer hij anderszins op de hoogte behoort te zijn van de juiste stand van zaken.21 Hierbij achten zij de deskundigheid van de burger van belang: gaat het om een individu dat een uitkering aanvraagt of om een grote multinationale onderneming, die in het algemeen over meer controlemogelijkheden zal beschikken, in het bijzonder indien het gaat om informatie op het terrein van haar bedrijfsactiviteiten.22 Van een notaris mag bijvoorbeeld ook meer worden verwacht dan van een particulier. Op degene die commercieel gebruik maakt van de verstrekte informatie rust – voor zover dat binnen zijn vermogen ligt – zelfs een verplichting om de juistheid en volledigheid daarvan te controleren, en om door te vragen ten opzichte van de overheid bij ‘gerede twijfel’ aan de juistheid van de informatie, aldus Barendrecht e.a.23
Evenwel is mijn indruk dat terughoudendheid moet worden betracht bij het honoreren van een beroep van de overheid op artikel 6:101 BW in deze context.24 Aan deze opvatting ligt vooral ten grondslag dat de Hoge Raad een relatief terughoudende maatstaf heeft aangelegd in het arrest ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel voor de vestiging van aansprakelijkheid (paragraaf 4.7.2), die objectief moet worden toegepast (paragraaf 4.7.3). In deze maatstaf ligt besloten dat pas tot overheidsaansprakelijkheid kan worden geconcludeerd indien de eigen onderzoeksplicht van de burger niet prevaleert boven de waarheidsplicht van de overheid. Het ligt dan ook voor de hand dat het aannemen van een meer zwaarwegende onderzoeksplicht – bijvoorbeeld van een professionele partij – leidt tot het oordeel dat de benadeelde niet mocht vertrouwen op de juistheid van de verstrekte informatie. Bij dit oordeel heeft de overheid niet onrechtmatig jegens de benadeelde gehandeld, en wordt aan de beoordeling van een beroep op artikel 6:101 BW niet toegekomen. In dit licht ligt het niet in de rede dat een zwaarwegende onderzoeksplicht ‘slechts’ leidt tot vermindering van de schadevergoeding op grond van artikel 6:101 BW. Dit betekent dat in het kader van artikel 6:101 BW doorgaans alleen betekenis zal toekomen aan een minder ver strekkende onderzoeksplicht, bijvoorbeeld van een maatman-burger. Het gaat niet aan om een dergelijke onderzoeksplicht, die niet in de weg staat aan een onrechtmatigheidsoordeel, langs de omweg van artikel 6:101 BW alsnog spoedig aan de benadeelde tegen te werpen,25 althans om dat steeds of voor een groot deel van de schade te doen.26 Dat zou de aansprakelijkheid te zeer beperken.27
Ter vergelijking wijs ik op de lijn in de rechtspraak van de Hoge Raad op het punt van de toepassing van artikel 6:101 BW bij de schending van bijzondere zorgplichten – door professionele en bij uitstek deskundige partij- en, zoals dienstverleners op het gebied van beleggingen – die naar hun aard als strekking hebben om de (niet-professionele) wederpartij te beschermen tegen het gevaar van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, wegen fouten van de cliënt die voortvloeien uit die lichtvaardigheid of dat gebrek aan inzicht bij de toepassing van de maatstaf van artikel 6:101 BW in beginsel minder zwaar dan fouten waardoor degene op wie de zorgplicht rust, daarin is tekortgeschoten.28 Het feit dat de dienstverlener geldt als professionele en bij uitstek deskundige partij, en bij de cliënt een zodanige professionaliteit en deskundigheid ontbreken, brengt mee dat de cliënt er in beginsel van mag uitgaan dat de dienstverlener zijn zorgplicht naleeft. Hieruit volgt dat de cliënt minder snel bedacht behoeft te zijn op, en zich minder snel uit eigen beweging behoeft te verdiepen in, niet vermelde risico’s.29
Iets vergelijkbaars geldt bij informatieverstrekking door de overheid, waarbij de bij uitstek deskundige overheid een bijzondere zorgplicht uit hoofde van de rechtszekerheid heeft ten opzichte van de ondeskundige burger (paragraaf 2.3.1). Bij schending van deze zorgplicht doordat de burger erop mocht vertrouwen dat hij juist werd geïnformeerd, terwijl hij eigenlijk onjuiste informatie ontving, ligt in de vaststelling van dat vertrouwen besloten dat in het kader van artikel 6:101 BW minder gewicht toekomt aan het nalaten van de burger om zich deugdelijk te (laten) informeren dan aan het aansprakelijkheid scheppende handelen van de overheid. De aard van de aansprakelijkheid van de overheid verzet zich ertegen dat de eigen onwetendheid van de burger op grond van artikel 6:101 BW ertoe leidt dat een groot deel van de schade niet wordt vergoed. Naar mijn mening ligt het omslagpunt daar waar onwetendheid overgaat in onvoorzichtigheid. Waar de burger zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan, bijvoorbeeld door de juistheid van de verstrekte informatie niet te controleren terwijl de aard en omvang van de betrokken belangen daartoe noopten, en het uitvoeren van eigen onderzoek niet bezwaarlijk was in termen van moeite en kosten, treft hem wel degelijk eigen schuld.