Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.2.c
6.3.2.c Interactie met ius conventionis
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS462846:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Is de beschermingsduur van de lex loci protectionis korter dan iure conventionis voorgeschreven, dan geldt immers het ius conventionis — ongeacht de beschermingsduur van de lex originis.
Is de beschermingsduur van de lex loci protectionis langer dan het conventionele minimum, maar korter dan die van de lex originis, dan is de duurvergelijking van art. 7 lid 8 uiteraard niet aan de orde.
Neemt men niet het litigieuze vreemde werk maar het gelijke eigen werk tot referentiepunt, dan doet het probleem zich niet voor. Dit werk geniet immers in het referentieland het ius conventionis. Het is echter de vraag of zo'n referentiepunt uit de bepaling kan worden afgeleid, zie alinea 850 hiervoor.
In deze zin Knap 1982, p. 237 e.v.
Knap 1982, p. 237 e.v. maakt het ius conventionis (de uniforme beschermingsduur) dus zinledig; vgl. ook Drexl 1990, p. 130.
Vgl. Actes BC 1948, p. 215 (Discussions et résultats); Drexl 1990, p. 129 e.v. (Drexl 1990, p. 131 ontzegt evenwel werken die niet in art. 2 lid 1 worden opgesomd, ten onrechte het ius conventionis c.q. de minimale beschermingsduur).
Vgl. Vaunois 1910, p. 23; Knap 1982, p. 238 e.v. Daartegen: Wauwermans 1910, p. 91; Boytha 1988, p. 411; Drexl 1990, p. 132; Fawcett & Torremans 1998, p. 471.
Daarnaast kan men m.i. niet over een verstreken (nuljarige) beschermingsduur spreken als er nooit bescherming heeft bestaan.
851. Verhouding tot ius conventionis. De duurvergelijking van artikel 7 lid 8 komt alleen in beeld indien de beschermingsduur van de lex loci protectionis (i) langer is dan iure conventionis is voorgeschreven1, en bovendien (ii) langer is dan die van de lex originis.2 Resteert de vraag of artikel 7 lid 8 de minimum-beschermingsduur die in lid 1 tot en met 5 als ius conventionis is voorgeschreven, kan doorbreken. Denkbaar is immers dat het vreemde werk in het land van oorsprong een kortere beschermingsduur geniet omdat het ius conventionis daar niet geldt (artikel 5 lid 3).3 Mag in de andere Unielanden de beschermingsduur dan worden ingekort tot deze korte beschermingsduur, daarbij onder de grens van het ius conventionis duikend? 4 Het antwoord moet ontkennend zijn. Onder de vigeur van de conventie geniet het vreemde werk ingevolge artikel 5 lid 1 immers een bescherming die bestaat uit twee componenten: nationale behandeling (traitement national) en ius conventionis (traitement unioniste). De reciprociteitsuitzondering van artikel 7 lid 8 vormt een uitzondering op het beginsel van nationale behandeling c.q. het non-discriminatiebeginsel, maar zij laat de andere beschermingscomponent van de conventie — het ius conventionis — onverlet.5 De 'strafkorting' van artikel 7 lid 8 vindt derhalve haar grens in de minimale beschermingsduur die iure conventionis is voorgeschreven.6
852. Ontbreken van bescherming in land van oorsprong. Dat geldt derhalve ook indien het werk in het land van oorsprong in het geheel niet wordt beschermd. Er is wel geopperd dat in dat geval sprake is van een nuljarige beschermingsduur, zodat het werk in de andere Unielanden ingevolge de materiële-reciprociteitsuitzondering evenlang (dus: niet) wordt beschermd.7 Deze truc ketst reeds op de verplichte minimale beschermingsduur af.8 Wel laat zich nog de vraag stellen of een inkorting van de beschermingsduur in dit geval überhaupt is toegelaten. Als de lex loci protectionis een langere beschermingsduur kent dan de conventie voorschrijft, moet zij het werk dan de volle beschermingsduur verlenen of mag zij afromen tot de verplichte minimumduur van de conventie? Strikt genomen zou inkorting niet zijn toegelaten: een duurvergelijking is immers onmogelijk nu de beschermingsduur in het land van oorsprong non-existent is. Dit leidt evenwel tot een scheef resultaat: geniet het werk in het land van oorsprong een inferieure beschermingsduur, dan is de inkorting van de beschermingsduur toegelaten - maar is de bescherming in het land van oorsprong zo inferieur dat het werk helemaal niet wordt beschermd, dan moet de volle beschermingsduur worden verleend, waarbij zelfs het ius conventionis wordt overschreden. Dat zal niet de bedoeling van de verdragsopstellers zijn geweest, zodat zich laat verdedigen dat de lex loci protectionis de beschermingsduur in dit geval mag inkorten tot het verplichte conventionele minimum.