Rechtbank Rotterdam 17 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:5849.
HR, 10-04-2026, nr. 24/04040
ECLI:NL:HR:2026:596
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-04-2026
- Zaaknummer
24/04040
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Mededingingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:596, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑04‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:1412
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:999
ECLI:NL:PHR:2025:999, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:596
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑10‑2024
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht; onrechtmatige daad (art. 6:162 BW; art. 6:163 BW). Europees recht; mededingingsrecht. Handelt dochtermaatschappij die inbreuk maakt op mededingingsrecht, onrechtmatig jegens moedermaatschappij aan wie als onderdeel van 'onderneming' boete wordt opgelegd? Regres voor betaalde boete door moedermaatschappij op dochtermaatschappij die daadwerkelijk inbreukmakende handelingen heeft verricht?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/04040
Datum 10 april 2026
ARREST
In de zaak van
1. BENCIS CAPITAL PARTNERS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. BBOF II GENERAL PARTNER B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Bencis,
advocaat: B.F.L.M. Schim,
tegen
1. DOSSCHE MILLS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Kerkrade,
2. DOSSCHE MILLS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
3. ROTTERDAM BRIELSELAAN B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna gezamenlijk: Dossche,
advocaten: A. Stortelder, B.T.M. van der Wiel en A. Knigge.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/588118 / HA ZA 19-1182 van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2021 en 23 februari 2022;
b. het arrest in de zaak 200.314.735/01 van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2024.
Bencis heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Dossche heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Bencis mede door D.F. den Blaauwen en voor Dossche mede door D.R.G. Ballestrero.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.De advocaat van Bencis heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Tussen 26 november 2004 en 15 juli 2011 hield Bencis, een investeringsmaatschappij, indirect aandelen in verweersters in cassatie, destijds geheten Meneba B.V., Rotterdam Brielselaan B.V. en Meneba Holding B.V. (hierna gezamenlijk: Meneba). Meneba is een meelfabrikant.
(ii) De Nederlandse Mededingingsautoriteit, de rechtsvoorgangster van de ACM, heeft bij besluit van 16 december 2010 (hierna: eerste sanctiebesluit) aan Meneba een boete opgelegd van € 9 miljoen omdat zij in de periode van 12 september 2001 tot en met 16 maart 2007 met andere binnen- en buitenlandse meelfabrikanten inbreuk had gemaakt op het kartelverbod van art. 6 Mededingingswet (hierna: Mw) en art. 101 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).
(iii) Naast Meneba heeft de ACM in het eerste sanctiebesluit nog een aantal andere meelproducenten beboet voor deelname aan hetzelfde kartel.
(iv) Meneba heeft bezwaar gemaakt tegen het eerste sanctiebesluit. Dat bezwaar is ongegrond verklaard. Meneba heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Bij uitspraak van 17 juli 20141.heeft die rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Meneba is van de uitspraak van de rechtbank in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb). Het CBb heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd bij uitspraak van 14 juli 20162..
(v) Naar aanleiding van bezwaren van twee andere betrokken ondernemingen tegen het eerste sanctiebesluit heeft de ACM onderzocht of de inbreuk van Meneba ook aan Bencis als haar (indirecte) moedermaatschappij moest worden toegerekend. Bij andere deelnemers aan hetzelfde kartel was de inbreuk wél tevens aan hun moedermaatschappij toegerekend. De ACM is bij dit onderzoek tot het oordeel gekomen dat dit verschil in behandeling rechtgezet moest worden.
(vi) Bij besluit van 20 november 2014 (hierna: tweede sanctiebesluit) heeft de ACM aan Bencis een boete opgelegd van € 1.271.432,--. Daaraan heeft de ACM ten grondslag gelegd dat de in het eerste sanctiebesluit vastgestelde mededingingsrechtelijke inbreuk ook aan Bencis moet worden toegerekend, omdat Bencis in een deel van de inbreukperiode – van 26 november 2004 tot en met 16 maart 2007 – beslissende invloed uitoefende op Meneba en daarom in deze periode met Meneba één onderneming vormde in de zin van het mededingingsrecht.
(vii) Bencis heeft tegen het tweede sanctiebesluit bezwaar gemaakt. De ACM heeft dat bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 januari 20173.heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van Bencis tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 maart 20194.heeft het CBb de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
(viii) In 2018 heeft het Dossche-concern Meneba overgenomen. Meneba wordt in deze uitspraak ook wel aangeduid als Dossche.
2.2
In dit geding vordert Bencis een verklaring voor recht dat Dossche met de gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht onrechtmatig jegens Bencis heeft gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door Bencis geleden schade, alsmede hoofdelijke veroordeling van Dossche tot betaling aan Bencis van het bedrag van de aan Bencis opgelegde boete. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.5.
2.3
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.6.Daartoe heeft het onder meer, samengevat, het volgende overwogen.
De verdeling van aansprakelijkheid voor een boete wegens een overtreding van de mededingingsregels binnen een onderneming is een kwestie van nationaal recht. Dat heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in zijn rechtspraak bevestigd. Wel heeft het HvJEU daaraan toegevoegd: “met inachtneming van het recht van de Unie”. Kennelijk heeft het HvJEU daarmee het oog op algemene beginselen van Unierecht als het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel. (rov. 6.5)
De vraag of Bencis zich kan verhalen op Dossche (Meneba), wordt dus beheerst door Nederlands recht. Naar Nederlands recht komt het in essentie aan op de vraag of Meneba, door inbreuk te maken op het mededingingsrecht, onrechtmatig heeft gehandeld jegens Bencis, dan wel of Meneba ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Bencis. Bencis heeft ook een beroep gedaan op de zorgvuldigheidsnorm van art. 2:8 BW en de norm voor bestuurdersaansprakelijkheid van art. 2:9 BW. Die artikelen kunnen in dit geval echter niet dienen als zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid. De daarin opgenomen normen zijn hoogstens relevant als inkleuring van de toerekeningsmaatstaf voor de door Bencis gestelde onrechtmatige daad. (rov. 6.6)
Een inbreuk op het mededingingsrecht wordt gepleegd door een onderneming. De inbreuk is in dit geval dus gepleegd door Bencis en Meneba samen. Daarvoor is niet van belang of Bencis van de inbreuk op de hoogte was, en of zij een bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, maar volstaat dat zij in het relevante tijdvak als moedermaatschappij een beslissende invloed op Meneba kon uitoefenen. Een inbreuk op het mededingingsrecht die Bencis geacht wordt mede zelf te hebben gepleegd, kan niet tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis zijn. (rov. 6.7)
Het is niet uitgesloten dat in een geval als dit, waarin moeder en dochter volgtijdig en daardoor niet hoofdelijk zijn beboet, onderling verhaal kan plaatsvinden volgens eenzelfde uitgangspunt als opgenomen in art. 6:10 BW (het gedeelte van de gezamenlijke boetes dat ieder aangaat). Daarbij kunnen de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking een rol spelen. (rov. 6.8)
Het hof is echter van oordeel dat Bencis in dit geval geen vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking jegens Meneba toekomt. In de eerste plaats hebben Bencis en Meneba beide naar draagkracht bijgedragen aan de boete. Verder valt niet in te zien waarom uitsluitend Meneba, als de directe eigenaar van de inbreukmakende onderneming, en niet ook Bencis, als de uiteindelijke beleidsbepalende rechtspersoon in de relevante periode, de verantwoordelijkheid voor de inbreukmakende handelingen van de natuurlijke personen werkzaam voor Meneba zou moeten dragen. Het hof sluit niet uit dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin een rechtspersoon die deel uitmaakt van een onderneming en een boete heeft betaald die aan die onderneming is opgelegd, zich kan verhalen op een andere rechtspersoon die een grotere invloed heeft uitgeoefend op het beleid van de onderneming. Hier gaat het echter om een moedermaatschappij met een beslissende invloed op het beleid van de inbreukmakende onderneming. Die kan niet stellen dat de inbreuk uitsluitend de dochter aangaat, alleen omdat zij een due diligence onderzoek heeft verricht en navraag heeft gedaan naar mogelijke wetsovertredingen. Dat is onvoldoende reden om haar in de verhouding tot de dochter te ontslaan van een verantwoordelijkheid voor de inbreuk die zijn grondslag vindt in haar beslissende invloed op het beleid. (rov. 6.9-6.10)
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte de op art. 6:10 BW (regres bij hoofdelijkheid, analogisch toegepast), art. 6:162 BW (onrechtmatige daad) en art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking) gebaseerde vorderingen van Bencis heeft afgewezen op de grond dat Bencis voor de toepassing van het mededingingsrecht onderdeel vormt van dezelfde onderneming als Meneba, met het daaraan verbonden mededingingsrechtelijke gevolg dat ook Bencis een inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, ongeacht of Bencis van de inbreuk op de hoogte was en of zij een bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd. Het hof heeft volgens het onderdeel miskend dat de beoordeling of Bencis een vordering heeft op Dossche (Meneba), moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van de genoemde bepalingen, en/of dat handelingen van Meneba die in het mededingingsrecht worden toegerekend aan Bencis als onderdeel van dezelfde onderneming in mededingingsrechtelijke zin, niet reeds om die reden ook bij de toepassing van die bepalingen in de verhouding tussen Dossche (Meneba) en Bencis kunnen worden toegerekend aan Bencis. Voor toerekening van gedragingen van Meneba aan Bencis is vereist dat deze gedragingen in het maatschappelijke verkeer als gedragingen van Bencis hebben te gelden. Daarbij komt betekenis toe aan de stellingen van Bencis dat zij niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen was gehouden, dat het zwaartepunt van de inbreukmakende gedragingen van Meneba begon in de periode voordat Bencis een indirect belang kreeg in Meneba en dat Bencis geen bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd. De enkele omstandigheid dat Bencis beslissende invloed kon uitoefenen op het beleid van Meneba, is onvoldoende voor toerekening, aldus het onderdeel.
Onderdeel 2 komt op tegen de afwijzing van de vordering op grond van onrechtmatige daad in rov. 6.7. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat de inbreuk op het mededingingsrecht door Meneba, afhankelijk van de omstandigheden, een doen of nalaten kan opleveren in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt, en dat daarbij betekenis toekomt aan de stellingen dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen was gehouden, dat zij geen bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, dat zij voorafgaand aan de verkrijging van de aandelen in Meneba due diligence onderzoek had gedaan en/of dat zij jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen.
Deze onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.1.2
Uitgangspunt is dat de verdeling binnen een onderneming van aansprakelijkheid voor een boete wegens een overtreding van de mededingingsregels een kwestie is van nationaal recht en dat het aan de nationale rechterlijke instanties is om deze verdeling op grond van het op het geding toepasselijke nationale recht te bepalen met inachtneming van het recht van de Unie.7.Het hof heeft dit in het bestreden arrest (rov. 6.5) met juistheid vooropgesteld.
3.1.3
Een inbreuk op het mededingingsrecht door een dochtermaatschappij is niet zonder meer onrechtmatig jegens haar moedermaatschappij, ook niet als die moedermaatschappij niet op de hoogte was van de inbreuk. Bijkomende omstandigheden kunnen het gedrag van de dochtermaatschappij onrechtmatig doen zijn jegens de moedermaatschappij, bijvoorbeeld als de dochter de moeder bewust heeft misleid of onkundig heeft gehouden ten aanzien van de inbreuk op het mededingingsrecht.
3.1.4
De rechtbank heeft (na bewijslevering; zie rov. 2.2-2.7 van haar eindvonnis) geoordeeld dat niet zijn komen vast te staan de stellingen van Bencis:
- dat Bencis in het due diligence-onderzoek voorafgaand aan de overname van de aandelen Meneba specifiek heeft gevraagd naar mededingingsrechtelijke overtredingen,
- dat daarbij van de zijde van Meneba uitdrukkelijk is bevestigd dat er geen overtredingen zijn of werden gepleegd, en
- dat dat jaarlijks is bevestigd door Meneba.
Het hof heeft in de stellingen van Bencis in hoger beroep kennelijk niet een – voldoende duidelijke – grief gelezen tegen dat oordeel. De enkele stelling van Bencis dat Meneba de inbreuk voor haar verborgen heeft gehouden, heeft het hof kennelijk als onvoldoende concreet verworpen. Het oordeel van het hof komt er aldus op neer dat geen sprake is van bijkomende omstandigheden als hiervoor in 3.1.3 bedoeld.
3.1.5
De onderdelen stuiten af op hetgeen hiervoor in 3.1.2-3.1.4 is overwogen.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.3
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt Bencis in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dossche begroot op € 16.410,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Bencis deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 10 april 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑04‑2026
College van Beroep voor het bedrijfsleven 14 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:188.
Rechtbank Rotterdam 26 januari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:588.
College van Beroep voor het bedrijfsleven 19 maart 2019, ECLI:NL:CBB:2019:120.
Rechtbank Rotterdam 23 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1655.
Gerechtshof Den Haag 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1412.
HvJEU 10 april 2014, gevoegde zaken C 231/11 P - C 233/11 P, ECLI:EU:C:2014:256 (Siemens/Commissie), punten 58-62; vgl. HvJEU 28 oktober 2020, zaak C 611/18 P, ECLI:EU:C:2020:868 (Pirelli), punt 99.
Conclusie 12‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Mededingingsrecht. Aansprakelijkheidsrecht. Verhaal boete ACM door investeringsmaatschappij op voormalig dochter; rechtsgrondslag; onrechtmatige daad; relativiteitvereiste; in pari delicto-verweer; regres; ongerechtvaardigde verrijking.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/04040
Zitting 12 september 2025
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1. Bencis Capital Partners B.V.,
2. BBOF II General Partner B.V.,
eiseressen in het principaal cassatieberoep,
verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: B.F.L.M. Schim,
tegen
1. Dossche Mills Nederland B.V.,
2. Dossche Mills B.V.,
3. Rotterdam Brielselaan B.V.
verweersters in het principaal cassatieberoep,
eiseressen in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: B.T.M. van der Wiel, A. Knigge en A. Stortelder.
Eiseressen worden hierna verkort aangeduid als BCP en BBOF II, en gezamenlijk als Bencis. Verweersters worden gezamenlijk aangeduid als Dossche.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze zaak zijn zowel een dochtermaatschappij als de voormalige moedermaatschappij van die dochter door de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) beboet voor een inbreuk op het kartelverbod. Bijzonder in deze zaak is dat de boetes volgtijdelijk zijn opgelegd, eerst aan de dochter en pas later aan de voormalig moeder. Meestal wordt de moeder beboet gelijk met de dochter en is er sprake van hoofdelijkheid. Dat is hier niet het geval. Toen de moeder werd beboet, had zij de dochter al verkocht.
1.2
Het gaat in deze zaak, en ook dat is uitzonderlijk, om de interne rechtsverhouding tussen de moeder en de dochter. De voormalige moeder stelt dat het aan de dochter is toe te rekenen dat zij is beboet en zij wil in deze procedure het bedrag van de door haar betaalde boete door de dochter vergoed zien. In geschil is of daar een rechtsgrondslag voor is. Bij de start van deze civiele procedure was de boete van de moeder bevestigd door de bestuursrechter en daarmee onherroepelijk.
1.3
De aan de voormalige moeder opgelegde boete berust op haar persoonlijke aansprakelijkheid voor de kartelinbreuk omdat zij beslissende invloed kon uitoefenen op het marktgedrag van de dochter. Volgens het hof kan in dat geval niet tegelijkertijd sprake zijn van een onrechtmatige daad van de dochter, die de inbreukmakende gedragingen feitelijk heeft uitgevoerd, jegens de moeder. Verder acht het hof toepassing van art. 6:10 BW niet mogelijk. Tot slot oordeelt het hof dat aan de voormalige moeder geen vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking toekomt.
1.4
De voormalige moeder komt in cassatie tegen deze oordelen op, naar ik meen tevergeefs.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Feiten1.
2.2
BCP is een investeringsmaatschappij met deelnemingen in bedrijven uit verschillende sectoren in Nederland, België en Duitsland. BBOF II is een 100% dochter van BCP.
2.3
Tussen 26 november 2004 en 15 juli 2011 hield Bencis, via door haar beheerde investeringsfondsen en Bencis Meneba Investment B.V. (hierna: BMI), aandelen2.in Meneba B.V., Rotterdam Brielselaan B.V. en Meneba Holding B.V. (hierna gezamenlijk: Meneba). Meneba is een meelfabrikant.
2.4
De Nederlandse Mededingingsautoriteit, de rechtsvoorgangster van de ACM, heeft bij besluit van 16 december 20103.(hierna: eerste sanctiebesluit) aan Meneba een boete opgelegd van € 9 miljoen omdat zij in de periode van 12 september 2001 tot en met 16 maart 2007 met andere binnen- en buitenlandse meelfabrikanten inbreuk had gepleegd op het kartelverbod van art. 6 Mededingingswet (hierna: Mw) en art. 101 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).
2.5
Meneba heeft bij de ACM bezwaar gemaakt tegen het besluit. Dat bezwaar is ongegrond verklaard.4.Meneba heeft beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Bij uitspraak van 17 juli 2014 heeft die rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard.5.Meneba is in hoger beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb). Bij uitspraak van 14 juli 20166.heeft het CBb de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
2.6
Naar aanleiding van bezwaren van twee andere betrokken ondernemingen tegen het eerste sanctiebesluit heeft ACM onderzocht of de inbreuk van Meneba ook aan Bencis als (indirecte) moedermaatschappij moest worden toegerekend. Bij andere deelnemers aan hetzelfde kartel was de inbreuk wél tevens aan de moedermaatschappij toegerekend. De ACM is naar aanleiding daarvan7.een onderzoek gestart en is daarbij tot het oordeel gekomen dat dit verschil in behandeling recht moest worden gezet.
2.7
Bij besluit van 20 november 20148.(hierna: tweede sanctiebesluit) heeft de ACM aan Bencis een boete opgelegd van € 1.271.432. Daaraan heeft de ACM ten grondslag gelegd dat de in het eerste sanctiebesluit vastgestelde inbreuk van Meneba ook aan Bencis moest worden toegerekend, omdat Bencis gedurende een deel van de inbreukperiode (van 26 november 2004 tot 16 maart 2007) met Meneba in mededingingsrechtelijke zin één onderneming vormde.
2.8
Bencis heeft tegen het tweede sanctiebesluit bezwaar gemaakt. De ACM heeft dat bezwaar ongegrond verklaard.9.Bij uitspraak van 26 januari 201710.heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van Bencis tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 maart 2019 heeft het CBb de uitspraak van de rechtbank bevestigd.11.
2.9
In 2018 heeft Dossche, een Belgische meelproducent, Meneba overgenomen.12.
Procesverloop13.
2.10
Bencis heeft Dossche op 9 december 2019 (dus nadat zij door de bestuursrechter definitief in het ongelijk was gesteld) gedagvaard bij de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank). Samengevat vordert Bencis: (i) een verklaring voor recht dat Dossche onrechtmatig jegens Bencis heeft gehandeld met de gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht en hoofdelijk aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade, en (ii) Dossche te veroordelen tot betaling van het bedrag van de boete opgelegd aan Bencis, vermeerderd met rente en kosten.
2.11
De rechtbank heeft bij tussenvonnis14.Bencis in de gelegenheid gesteld bepaalde stukken over te leggen. Na aktewisseling heeft de rechtbank bij eindvonnis van 23 februari 2022 de vorderingen van Bencis afgewezen.15.De overwegingen van de rechtbank in deze vonnissen laten zich als volgt samenvatten:
(i) Op grond van het Unierecht kan aan meerdere vennootschappen hoofdelijk een geldboete worden opgelegd als zij deel uitmaken van dezelfde onderneming. Het Unierecht is niet van toepassing op de onderlinge verhouding tussen de hoofdelijke medeschuldenaren. De vraag of in die onderlinge verhouding regres mogelijk is, wordt bepaald door het toepasselijke nationale recht (in dit geval: Nederlands recht).
(ii) ACM heeft geoordeeld dat Bencis naast Meneba de mededingingsregels heeft overtreden, omdat de overtreding van Meneba wordt toegerekend aan Bencis op grond van de beslissende invloed die Bencis op Meneba kon uitoefenen. Bencis is dus door de ACM beboet vanwege een eigen mededingingsrechtelijke inbreuk.
(iii) Aangezien er als gevolg van de beslissingen van de ACM in de rechtsverhouding tussen Bencis en Meneba geen hoofdelijke schuld bestaat, is op grond van art. 6:10 BW geen regres van Bencis op Meneba mogelijk.
(iv) De stelling van Bencis dat het handelen van Meneba in strijd met het mededingingsrecht een onrechtmatige daad oplevert jegens Bencis strandt op het relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW).16.Ook op art. 2:8 BW kan dan geen aansprakelijkheid van Meneba worden gebaseerd.
(v) Uit de stukken die Bencis na tussenvonnis heeft overgelegd, is niet gebleken dat Bencis voorafgaand aan de overname van de aandelen navraag heeft gedaan naar mogelijke wetsovertredingen door Meneba.
2.12
Bij dagvaarding van 17 mei 2022 is Bencis bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) in hoger beroep gekomen van de beide vonnissen van de rechtbank. Bij arrest van 6 augustus 202417.heeft het hof de vonnissen bekrachtigd. Daartoe heeft het – zakelijk weergegeven – overwogen:
a. De verdeling binnen een onderneming van de aansprakelijkheid voor een boete wegens overtreding van de mededingingsregels is een kwestie van nationaal recht. De nationale rechter moet bepalen hoe de boete binnen een onderneming moet worden verdeeld, met inachtneming van de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid. (rov. 6.5)
b. Het komt erop aan of Meneba, door inbreuk te maken op het mededingingsrecht, onrechtmatig heeft gehandeld jegens Bencis, dan wel of Meneba ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Bencis. Art. 2:8 en art. 2:9 BW kunnen in dit geval niet dienen als zelfstandige grond voor aansprakelijkheid. De daarin opgenomen normen zijn hooguit relevant als inkleuring van de toerekeningsmaatstaf voor de door Bencis gestelde onrechtmatige daad. (rov. 6.6, slot)
c. De inbreuk is gepleegd door de onderneming waarvan zowel Bencis als Meneba deel uitmaakten. De inbreuk is dus gepleegd door Bencis en Meneba samen. Daartoe volstaat dat Bencis als moedermaatschappij een beslissende invloed op Meneba kon uitoefenen. Een inbreuk die Bencis wordt geacht mede zelf te hebben gepleegd, kan niet tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis zijn. (rov. 6.7)
d. Bencis en Meneba zijn niet hoofdelijk, maar afzonderlijk beboet. Het is niet uitgesloten dat in dit geval onderling verhaal kan plaatsvinden volgens een zelfde uitgangspunt als in art. 6:10 BW (het gedeelte van de gezamenlijke boetes dat ieder aangaat). Daarbij kunnen de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking een rol spelen. (rov. 6.8)
e. Bencis komt geen vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking toe. Bencis was in de relevante periode deel van de inbreukpleger. Daarom valt niet in te zien waarom alleen Meneba de verantwoordelijkheid moet dragen, ook niet als Bencis bij Meneba due diligence en navraag heeft gedaan. De wijze waarop de ACM het totaal van de twee boetes heeft verdeeld, is niet onredelijk jegens Bencis. (rov. 6.9-6.11)
2.13
Bencis heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Dossche heeft (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. Partijen voeren over en weer verweer. Zij hebben hun zaak schriftelijk laten toelichten, Bencis mede door D.F. den Blaauwen en Dossche mede door D.R.G. Ballestrero. Ten slotte hebben partijen gerepliceerd en gedupliceerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
3.1
Het middel bestaat uit vier onderdelen. Deze laten zich als volgt samenvatten:
- Onderdeel 1: klachten met de strekking dat civielrechtelijke interne verhoudingen tussen rechtspersonen die in mededingingsrechtelijke zin behoren tot dezelfde onderneming, niet worden bepaald door het mededingingsrechtelijke ondernemingsbegrip.
- Onderdeel 2: klachten gericht op de overweging dat een inbreuk op het mededingingsrecht die Bencis geacht wordt mede zelf te hebben gepleegd, niet tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis kan zijn.
- Onderdeel 3: klachten over de veronderstelde analoge toepassing van art. 6:10 BW.
- Onderdeel 4: bestrijding van de afwijzing van de vordering op voet van art. 6:212 BW.
3.2
Bij de bespreking houd ik de door het middel gehanteerde volgorde van de klachten aan.
Onderdeel 1: betekenis van het mededingingsrechtelijke begrip ‘onderneming’
3.3
Met dit onderdeel bestrijdt Bencis rov. 6.7 en 6.10. Deze overwegingen luiden als volgt (de onderstrepingen hieronder en in de citaten hierna zijn door mij toegevoegd):
“6.7 Een inbreuk op het mededingingsrecht wordt gepleegd door een onderneming. In dit geval is de inbreuk gepleegd door een onderneming waarvan in het relevante tijdvak (van 26 november 2004 tot 15 juli 2011) zowel Bencis als Meneba deel uitmaakten. De inbreuk op het mededingingsrecht is in dit geval dus gepleegd door Bencis en Meneba samen. Daarvoor is niet van belang of Bencis van de inbreuk op de hoogte was, en/of zij een bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, maar volstaat dat zij in het relevante tijdvak als moedermaatschappij een beslissende invloed op Meneba kon uitoefenen. Een inbreuk op het mededingingsrecht die Bencis geacht wordt mede zelf te hebben gepleegd, kan niet tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis zijn.
(…)
6.10
Verder neemt het hof het volgende in overweging. De feitelijke handelingen waarmee inbreuk op het mededingingsrecht wordt gemaakt, worden niet verricht door rechtspersonen, maar door natuurlijke personen die werkzaam zijn voor de inbreukmakende onderneming. Rechtspersonen worden daar vervolgens voor verantwoordelijk gehouden. Bencis beschouwt Meneba als de inbreukpleger. Zij verliest echter uit het oog dat zij in de relevante periode zelf ook deel uitmaakte van de inbreukpleger. Het valt niet in te zien waarom uitsluitend Meneba, als de directe eigenaar van de inbreukmakende onderneming, en niet ook Bencis, als de uiteindelijke beleidsbepalende rechtspersoon in de relevante periode, de verantwoordelijkheid voor de inbreukmakende handelingen van de natuurlijke personen werkzaam voor Meneba zou moeten dragen. Bencis heeft daarvoor geen overtuigende argumenten aangevoerd. Zij kan niet volstaan met erop te wijzen dat zij niet betrokken was bij de inbreuk en dat zij ook niet van de inbreuk op de hoogte was, ondanks het due diligence onderzoek dat zij voorafgaand aan de verkrijging van Meneba heeft gedaan en het feit dat zij jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen. Bencis was wél betrokken bij de inbreuk, omdat de inbreuk van de onderneming wordt toegerekend aan rechtspersonen die het beleid van de onderneming bepaalden. Op dezelfde grond wordt de inbreuk toegerekend aan Meneba. Hierin verschillen Bencis en Meneba niet van elkaar, zodat dit geen reden kan zijn om te concluderen dat de inbreuk uitsluitend Meneba aangaat. Het feit dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, maakt het niet anders. Het hof sluit niet uit dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin een rechtspersoon die deel uitmaakt van een onderneming en een boete heeft betaald die aan die onderneming is opgelegd, zich kan verhalen op een andere rechtspersoon die een grotere invloed heeft uitgeoefend op het beleid van de onderneming. Hier gaat het echter om een moedermaatschappij met een beslissende invloed op het beleid van de inbreukmakende onderneming. Die kan niet stellen dat de inbreuk uitsluitend de dochter aangaat, alleen omdat zij een due diligence onderzoek heeft verricht en navraag heeft gedaan naar mogelijke wetsovertredingen. Dat is onvoldoende reden om haar in de verhouding tot de dochter te ontslaan van een verantwoordelijkheid voor de inbreuk die zijn grondslag vindt in haar beslissende invloed op het beleid.”
3.4
Bencis klaagt dat het hof heeft miskend (i) dat de beoordeling van de vraag of Bencis jegens Dossche een regres- en/of schadevordering heeft (op de voet van art. 6:10 BW, art. 6:162 juncto art. 6:163 BW en/of art. 6:212 BW) moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van deze bepalingen, en/of (ii) dat handelingen van Meneba die in het mededingingsrecht aan Bencis worden toegerekend niet reeds om die reden óók bij de toepassing van voormelde civielrechtelijke wetsbepalingen aan haar kunnen worden toegerekend. In de civielrechtelijke context zijn Bencis en Meneba te onderscheiden rechtspersonen met eigen verantwoordelijkheden, ook tegenover elkaar. De enkele omstandigheid dat Bencis beslissende invloed kon uitoefenen op het beleid van Meneba, is onvoldoende voor toerekening.
3.5
Ik stel het volgende voorop. Rechtssubject van het mededingingsrecht is een ‘onderneming’. Daaronder wordt verstaan elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.18.Het is dus een economisch begrip. Een boete kan echter alleen worden opgelegd aan een rechtspersoon als drager van rechten en plichten. Dat kan de dochtermaatschappij zijn die de inbreuk feitelijk heeft gepleegd, maar ook of daarnaast de moedermaatschappij voor zover die in de inbreukperiode beslissende invloed op het commerciële beleid van de dochter heeft uitgeoefend.19.Beslissende invloed wordt vermoed aanwezig te zijn indien de moedermaatschappij direct of indirect (bijna) 100% van de aandelen in de dochtermaatschappij houdt. Het hebben van zeggenschap (beslissende invloed kunnen uitoefenen) en het houden van (nagenoeg) 100% van de aandelen levert dus het vermoeden op dat beslissende invloed wordt (of is) uitgeoefend.20.Het gevolg daarvan is dat de moedermaatschappij, als deel van de onderneming die de inbreuk heeft gepleegd, in mededingingsrechtelijke zin persoonlijk aansprakelijk is voor de kartelinbreuk. Dit wordt het leerstuk van parental liability genoemd. Uitgemaakt is dat dit leerstuk ook van toepassing is als de moeder een investeringsmaatschappij is (private equity).21.
3.6
Dit mededingingsrechtelijke leerstuk van parental liability werkt ook door in de private handhaving van het mededingingsrecht. Zo heeft het Hof van Justitie in het Skanska-arrest het begrip ‘onderneming’ doorgetrokken naar de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht.22.De aansprakelijkheid van de moedermaatschappij jegens (externe) derden, zoals afnemers, wordt gegrond op het bestaan van een economische eenheid (‘onderneming’) die inbreuk heeft gemaakt23., en niet op toerekening in civielrechtelijke zin.24.
3.7
Het is de vraag of de beboete moedermaatschappij andere bij de kartelinbreuk betrokken actoren kan aanspreken (in plaats van aangesproken te worden). Die vraag wordt beheerst door het toepasselijke nationale aansprakelijkheidsrecht, dat echter moet voldoen aan de bekende Unierechtelijke randvoorwaarden van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.25.Dit wordt geïllustreerd in zaken waarin een moedermaatschappij een kartelboete probeerde te verhalen op (voormalig) bestuurders. Ik verwijs als voorbeelden naar de volgende rechtspraak:
a. In Engeland heeft het Court of Appeal in 2010 geoordeeld dat het door een rechtspersoon afwentelen van een mededingingsboete op de bestuurder niet mogelijk is.26.De reden daarvoor is – kort samengevat – dat de boete aan de vennootschap personal to the undertaking is. De vennootschap heeft zelf onbetamelijk gehandeld en daarom heeft zij geen vordering.27.
b. In Duitsland hebben het Landgericht Saarbrücken28., het Landgericht Düsseldorf29.en het Oberlandesgericht Düsseldorf30.geoordeeld dat een aan de vennootschap opgelegde mededingingsboete niet op een bestuurder kan worden verhaald.31.Recent heeft het Bundesgerichtshof in het beroep tegen de zojuist genoemde uitspraak van het OLG Düsseldorf een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie gesteld.32.Die vraag luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:
“Verzet artikel 101 VWEU zich tegen een nationaalrechtelijke regeling op grond waarvan een rechtspersoon aan wie een nationale mededingingsautoriteit een geldboete heeft opgelegd wegens een door zijn bestuursorgaan begane inbreuk op artikel 101 VWEU, van het bestuursorgaan vergoeding kan vorderen voor de schade die hij als gevolg van die inbreuk heeft geleden?”
c. In Nederland is in 2022 door Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat het inderdaad (daarmee terugverwijzend naar de hiervoor besproken rechtspraak uit Duitsland en Engeland) de vraag is of een vennootschap een vordering op de bestuurder heeft met het oog op het doel en nuttig effect van art. 101 VWEU, maar dat de specifieke omstandigheden van die zaak maakten dat er wel een vordering bestond.33.Die omstandigheden waren dat het ging om een vennootschap die in staat van faillissement verkeerde en niet in staat was een door de Commissie opgelegde boete of zelfs maar enig deel daarvan te betalen.
3.8
De vraag is vervolgens of een vordering van de beboete moedermaatschappij tegen de dochtermaatschappij op voorhand afketst op het Unierecht, namelijk op de persoonlijke aansprakelijkheid van de moeder, dan wel op het doeltreffendheidbeginsel. Deze vraag kan zich met name voordoen als de moeder een boete krijgt opgelegd op het moment dat zij niet langer de moeder van de bewuste dochter is en vervolgens die dochter aanspreekt voor schade waarvan de omvang overeenkomt met haar boeteverplichting (plus rente). De moeder kan betogen dat de onrechtmatige daad van de dochter die bestond in het maken van de inbreuk op het kartelverbod ook jegens haar een onrechtmatige daad vormt omdat zij door die onrechtmatige daad als het ware wordt meegesleept in het plegen van een andere onrechtmatige daad via de beslissende invloed en zelf boeteaansprakelijk wordt, en vergoeding vorderen van de schade die daar het gevolg van is.
3.9
Een dergelijk vordering lijkt mij niettemin af te ketsen op het voorgaande, althans indien de feitelijke grondslag daarvan is beperkt tot het feit dat de dochter de inbreuk heeft gepleegd waarvoor de toenmalige moeder mede verantwoordelijk is gehouden. Voor een vordering uit onrechtmatige daad zie ik daarentegen wel ruimte als deze wordt gebaseerd op aan de dochter toe te rekenen bijkomende omstandigheden (dus naast het plegen van de inbreuk als zodanig). Dat zou bijvoorbeeld kunnen zijn het opzettelijk achterhouden van informatie waardoor de moeder niet kon ingrijpen om ervoor te zorgen dat de dochter niet (langer) aan een kartel zou deelnemen. In dat geval kan er sprake zijn van een aparte onrechtmatige daad zijn jegens de moeder (dus te onderscheiden van de kartelinbreuk).
3.10
Mijns inziens kan niet snel worden aangenomen dat dergelijke omstandigheden zich voordoen. Niet relevant lijkt mij bijvoorbeeld dat de dochter de moeder niet actief ervan op de hoogte heeft gesteld dat zij deelnam aan een kartel34.en ook niet dat de moeder niet zelf feitelijk aan de inbreuk heeft bijgedragen (vgl. in die zin ook rov. 6.7). Wat de onderhavige zaak betreft lijkt het mij weinig aannemelijk dat Bencis, voordat zij zelf in de vuurlinie van de ACM kwam te liggen, onkundig was van de (vermoede) kartelinbreuk. De ACM heeft namelijk al op 10 december 2009, ruim 1,5 jaar voordat Bencis haar aandelen in Meneba verkocht, aan de meelfabrikanten een ‘rapport’ als bedoeld in art. 59 Mw uitgebracht. In een rapport zet de ACM (vaak uitvoerig) uiteen op grond van welke feiten en om welke redenen zij van oordeel is dat de geadresseerde ondernemingen hebben deelgenomen aan een kartel, waartegen deze ondernemingen zich vervolgens kunnen verweren. Mocht Bencis door Meneba onverhoopt niet van het rapport in kennis zijn gesteld, dan toch in elk geval van het eerste sanctiebesluit van 16 december 2010, omdat toen aan Meneba een boete van € 9 miljoen is opgelegd (en de ACM een persbericht heeft uitgebracht).
3.11
In het eerste sanctiebesluit was aan de moedermaatschappij van enkele andere deelnemers aan het meelkartel een (hoofdelijke) boete opgelegd. Bencis was toen buiten schot gebleven (mogelijk omdat toen nog onzeker was of private equity-partijen konden worden aangesproken; zie 3.5). In hun bezwaren tegen het eerste sanctiebesluit hebben twee andere ondernemingen waarvan de moeder wel hoofdelijk was beboet, geklaagd over een ongelijke behandeling, omdat de moeder van Meneba als enige niet was beboet. In haar besluit op bezwaar van 14 maart 2012 overweegt de ACM naar aanleiding van dat bezwaar het volgende:
“85. De Adviescommissie heeft overwogen dat de Raad [waarmee is bedoeld: de Raad van bestuur van de toenmalige NMa; A-G] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom niet is toegerekend aan Bencis, terwijl de Raad wel heeft toegerekend aan moedermaatschappijen van andere betrokken ondernemingen als Dossche en Ceres. De Adviescommissie oordeelt dat de Raad hierdoor de verschillende betrokken ondernemingen ongelijk kan hebben behandeld. De Adviescommissie overweegt dan dat dit op twee manieren kan worden hersteld: (i) de Raad kan terugkomen op de toerekening aan de moedermaatschappijen van Ceres, Dossche en de andere ondernemingen die zich in een gelijke positie als die ondernemingen bevinden, of (ii) de Raad kan een rapport in de zin van artikel 59 Mw opmaken jegens Bencis, waarna het bedrag waarmee de boete van Meneba (…) is verlaagd, aan Bencis wordt opgelegd. De Adviescommissie geeft daarbij de voorkeur aan de tweede aanpak.”
3.12
De ACM heeft toen besloten dat aan Bencis als de toenmalige moedermaatschappij van Meneba alsnog een boete diende te worden opgelegd. Met dit tweede sanctiebesluit heeft zij de geconstateerde ongelijkheid in het eerste sanctiebesluit dus recht gezet. Had de ACM Bencis direct in het eerste sanctiebesluit ‘meegenomen’ (zoals eigenlijk had gemoeten), dan was er voor Bencis vermoedelijk geen aanleiding om tegen haar (toen nog) eigen dochtermaatschappij een vordering in te stellen. Dat, in de werkelijke situatie, Bencis haar aandelenbelang in Meneba had verkocht toen aan haar afzonderlijk alsnog een boete werd opgelegd en zij die boete dus ook niet meer in de verkoopprijs kon verdisconteren, vormt evenmin een reden waarom de boete ten laste moet kunnen worden gebracht van de verkochte onderneming (en indirect van Dossche, de opvolgend overnemer en aandeelhouder van die onderneming).
3.13
Gelet op het voorgaande faalt onderdeel 1. Ik voeg hier aan toe dat, ook als naar het oordeel van uw Raad onderdeel 1 wél slaagt, dit niet leidt tot cassatie van het bestreden arrest omdat niet voldaan is aan de voorwaarden van elk van de door Bencis aangevoerde grondslagen voor betaling van het haar gevorderde bedrag: onrechtmatige daad (onderdeel 2), regres (onderdeel 3) en ongerechtvaardigde verrijking (onderdeel 4).
Onderdeel 2: onrechtmatige daad
3.14
Met dit onderdeel richt Bencis haar pijlen op rov. 6.6 (laatste twee zinnen) en rov. 6.7. Deze overwegingen luiden, voor zover hier relevant, als volgt:
“6.6 De vraag of Bencis zich kan verhalen op Dossche (Meneba), wordt dus beheerst door Nederlands [nationaal] recht (…) Naar Nederlands recht komt het in essentie aan op de vraag of Meneba, door inbreuk te maken op het mededingingsrecht, onrechtmatig heeft gehandeld jegens Bencis, dan wel of Meneba ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van Bencis. Bencis heeft ook een beroep gedaan op de zorgvuldigheidsnorm van artikel 2:8 BW en de norm voor bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 2:9 BW. Die artikelen kunnen in dit geval echter niet dienen als zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid. De daarin opgenomen normen zijn hoogstens relevant als inkleuring van de toerekeningsmaatstaf voor de door Bencis gestelde onrechtmatige daad.
6.7
Een inbreuk op het mededingingsrecht wordt gepleegd door een onderneming. In dit geval is de inbreuk gepleegd door een onderneming waarvan in het relevante tijdvak (van 26 november 2004 tot 15 juli 2011) zowel Bencis als Meneba deel uitmaakten. De inbreuk op het mededingingsrecht is in dit geval dus gepleegd door Bencis en Meneba samen. Daarvoor is niet van belang of Bencis van de inbreuk op de hoogte was, en/of zij een bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, maar volstaat dat zij in het relevante tijdvak als moedermaatschappij een beslissende invloed op Meneba kon uitoefenen. Een inbreuk op het mededingingsrecht die Bencis geacht wordt mede zelf te hebben gepleegd, kan niet tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis zijn.”
3.15
Subonderdeel 2.1 richt rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 6.7.
3.15.1
De eerste klacht houdt in dat het oordeel onjuist is voor zover het hof heeft miskend dat de door Bencis ingeroepen aansprakelijkheidsgronden, in de omstandigheden van het geval, een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis kunnen opleveren. Het was voor Meneba voorzienbaar dat Bencis als gevolg van de kartelinbreuk schade zou lijden en dat deelname aan de inbreuk in strijd is met art. 6 Mw en art. 101 VWEU.
3.15.2
Volgens de tweede klacht heeft het hof miskend dat bij de beoordeling van de onrechtmatigheid betekenis toekomt aan de stellingen dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen was gehouden, dat zij geen bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, dat Bencis voorafgaand aan de verkrijging van de aandelen in Meneba een due dilligence onderzoek had gedaan en/of dat zij jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen.
3.15.3
Het hof had althans, aldus de derde klacht, in het licht hiervan nader moeten motiveren waarom het handelen van Meneba niet onrechtmatig is.
3.15.4
De vierde klacht behelst dat het oordeel van het hof onjuist is voor zover is miskend dat de door Bencis ingeroepen aansprakelijkheidsnormen naar doel en strekking bij uitstek gericht zijn op bescherming van het belang van Bencis als (indirect) aandeelhouder en moedervennootschap van Meneba met het oog op specifiek de voor haar nadelige gevolgen van de mededingingsinbreuk van Meneba, waaronder het risico van een boete en het moeten maken van juridische kosten. De (inbreukmakende) gedragingen van Meneba kunnen dus wel degelijk tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis zijn.
3.15.5
Het hof had althans, zo betoogt tot slot de vijfde klacht, nader moeten motiveren waarom de gedragingen van Meneba niet een onrechtmatige daad jegens Bencis kunnen vormen.
3.16
Ik stel vast dat deze klachten enkel betrekking hebben op de gedragingen waarmee Meneba inbreuk op het kartelverbod heeft gepleegd. Dat is dus ook kennelijk de onrechtmatige daad waarop Bencis haar vorderingen baseert (vgl. hiervoor 3.9). De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.17
Naar mijn mening treffen de klachten geen doel. Het oordeel van het hof is bovendien toereikend gemotiveerd, zodat ook de motiveringsklachten falen. Ik licht dat toe.
3.18
Wanneer de overtreden norm in het algemeen de strekking heeft een of meer bepaalde personen in hun belangen te beschermen, kan naar Nederlands aansprakelijkheidsrecht op deze bescherming geen aanspraak worden gemaakt door een partij die zich door zijn eigen gedrag heeft onttrokken aan de bescherming door de geschonden norm.35.
3.19
De basis daarvoor is gelegen in twee algemene beginselen: nemo auditur suam turpitudinem allegans (de rechter geeft geen gehoor aan iemand die een beroep doet op zijn eigen onbetamelijkheid) en in pari delicto potior est condicio defendentis (bij gelijke onrechtmatigheid is de situatie van de gedaagde sterker).36.Deze adagia hebben een (zeer) lange geschiedenis.37.Zij zijn weliswaar niet in een wetsregel terug te vinden, maar hebben wel degelijk een plaats in het Nederlandse recht.38.Het komt – kort gezegd – neer op het ontbreken van (persoonsgebonden) relativiteit. Vranken merkt hierover het volgende op:39.
“Geen van de figuren is in het Nederlandse recht als leerstuk erkend. Hun zeggingskracht is desalniettemin groot, omdat ze in één zin helderder maken waarom iemands vordering niet mag slagen dan het nogal kleurloze “ontbreken van relativiteit”. In die zin zullen ze onuitroeibaar zijn. Ik pleit er echter niet voor ze alsnog een plaats in ons systeem te geven, omdat in het soort gevallen waarop ze betrekking hebben men prima met (het ontbreken van) relativiteit als grondslag uit de voeten kan, al klinkt het wat minder spannend.”
3.20
Nemo auditur is, net als het estoppel-beginsel uit het common law, ook in het Unierecht een erkend beginsel.40.In het arrest Courage/Crehan41.heeft het Hof van Justitie dit beginsel erkend als grondslag voor de uitzondering op de regel dat eenieder vergoeding kan vorderen van schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen. Ik citeer uit dat arrest:
“26 Aan de volle werking van artikel [101] van het Verdrag, in het bijzonder het nuttig effect van het in lid 1 neergelegde verbod, zou worden afgedaan indien niet eenieder vergoeding kon vorderen van schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen.
27 (…)
28 In die omstandigheden kan niet a priori worden uitgesloten, dat een dergelijke vordering wordt ingediend door een partij bij een overeenkomst die in strijd met de mededingingsregels zou worden geacht.
(…)
31 Mits de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd (…) staat het gemeenschapsrecht er evenmin aan in de weg dat het nationale recht een partij ten aanzien waarvan is vastgesteld dat zij in aanzienlijke mate verantwoordelijk is voor de verstoring van de mededinging, het recht ontzegt schadevergoeding te vorderen van haar contractpartij. Overeenkomstig een beginsel dat in de meeste rechtsstelsels van de lidstaten wordt erkend en door het Hof reeds is toegepast (…) mag een justitiabele niet profiteren van zijn eigen onrechtmatig handelen, wanneer dit is komen vast te staan.”
3.21
Het Hof van Justitie doelt hier op het nemo auditur-beginsel. In zijn conclusie voorafgaand aan dit arrest gaat A-G Mischo op dit beginsel in:42.
“Zoals Courage daarentegen terecht opmerkt, mogen de partijen bij een mededingingsregeling normalerwijze niet dezelfde bescherming genieten, aangezien zij de ‘oorzaak van de mededingingsregeling’ zijn. Dit is een toepassing van het in de meeste ontwikkelde rechtsstelsels en ook in de communautaire rechtsorde erkende rechtsbeginsel, dat een partij niet mag profiteren van haar eigen onoirbaar handelen. (12) In casu betekent dit, dat zij zich niet op haar eigen onrechtmatig handelen mag beroepen om de voor haar nadelige gevolgen daarvan ongedaan te maken.”
In voetnoot 12 bij deze paragraaf noemt de A-G uitdrukkelijk het nemo auditur-beginsel, onder verwijzing naar diverse arresten van het Hof van Justitie.43.
3.22
Het arrest Courage/Crehan wordt in de literatuur ook wel geduid als een toepassing van het adagium in pari delicto.44.Ik citeer Van Kooten:45.
“Aan rechtsoverweging 31 valt verder op dat daarin ook de in pari delicto-gedachte een rol speelt: geen schadevergoeding kan worden gevorderd door de contractspartij die in aanzienlijke mate verantwoordelijk is voor de verstoring van de mededinging, de contractspartij die derhalve in maiore delicto verkeert. Tegen een dergelijke regel van nationaal recht verzet het gemeenschapsrecht zich niet (r.o. 36 en beslissing onder 3). Mutatis mutandis is de vordering tot schadevergoeding van een partij als Crehan, die ten opzichte van Courage als de partij in minore delicto moet worden aangemerkt, toewijsbaar.”
3.23
Uitgangspunt in het aansprakelijkheidsrecht is dat ook iemand die zich misdraagt, nog niet behoeft te berusten in misdragingen van anderen jegens hem.46.Een uitzondering daarop is de situatie van in pari delicto.47.In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn voorbeelden daarvan terug te vinden.48.Onder omstandigheden kan een beroep op het feit dat de benadeelde in pari delicto verkeert, leiden tot afwijzing van de vordering49.omdat hij zich met dat gedrag aan bescherming van de ingeroepen norm heeft onttrokken.50.
3.24
De toepassing van het in pari delicto-verweer kan niettemin vragen oproepen, wat de toepassing ervan kan bemoeilijken.
3.25
De eerste vraag in dat verband is of het volstaat dat beide partijen ‘iets’ verkeerd hebben gedaan of dat is vereist dat ze ‘in dezelfde mate’ (en dus letterlijk ‘in pari’) iets verkeerd hebben gedaan. Ik meen dat het verkeerde handelen min of meer gelijkwaardig moet zijn.
3.26
De tweede vraag is hoe genoemd verweer zich verhoudt tot het leerstuk van ‘eigen schuld’ (art. 6:101 BW). Die vraag was reeds aan de orde in een ouder arrest over de beroepsaansprakelijkheid van een notaris.51.Deze werd door SHV aangesproken wegens het afgeven van een onjuiste verklaring omtrent de bevoegdheid van een zekere M. om SHV te vertegenwoordigen, terwijl SHV zelf had bijgedragen aan de totstandkoming van die onjuiste verklaring. De Hoge Raad oordeelde:
“3.3. (…) Het hof heeft in het licht van de in zijn arrest tot uitgangspunt genomen feiten terecht aangenomen dat de notaris jegens SHV onrechtmatig heeft gehandeld door een, in de zienswijze van het hof onjuiste, verklaring af te geven omtrent de bevoegdheid van M. om SHV te binden. De houding en gedragingen van SHV, als door het hof gereleveerd, kunnen alsdan geen grond geven voor de opvatting dat SHV 'zich heeft onttrokken aan de bescherming, die de norm beoogde te verlenen' en dat als gevolg daarvan op schending van die norm gebaseerde aanspraken — zonder enige verdere afweging — zullen falen.
Wel kunnen gedragingen van de aard als aangevoerd, indien zij komen vast te staan, eigen schuld van SHV opleveren in dier voege dat de vergoedingsplicht op die grond kan worden verminderd of zelfs geheel kan vervallen als gevolg van de daartoe voorgeschreven afweging naar de op dit punt geldende maatstaven, die door het hof echter niet zijn gehanteerd. Na verwijzing zal alsnog aan de orde kunnen komen waartoe deze maatstaven in het onderhavige geval leiden.”
3.27
In dit verband kan een nadeel van de in pari delicto-benadering zijn dat de partij aan wie dat wordt tegengeworpen geheel wordt onttrokken aan de bescherming van de ingeroepen norm. Op grond van eigen schuld kan een genuanceerde(re) uitkomst worden bereikt52., al is ook dan mogelijk dat geen schadevergoedingsplicht overblijft vanwege 100% eigen schuld.
3.28
De geschetste verhouding met ‘eigen schuld’ zou ook kunnen verklaren waarom de Hoge Raad in de mededingingszaak BP/[…] tot het volgende oordeel kwam:53.
“3.8.2 (…). Naar Nederlands recht handelt een partij die haar wederpartij aan een ingevolge art. 6 Mw nietig exclusieve afnamebeding houdt, in beginsel onrechtmatig. Dit strookt met de rechtspraak van het HvJEU, volgens welke aan de volle werking van art. 101 VWEU, in het bijzonder het nuttig effect van het in lid 1 neergelegde verbod, zou worden afgedaan indien niet eenieder vergoeding kan vorderen van schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen (HvJEG 20 september 2001, C-453/99, ECLI:NL:XX:2001:AE0853, NJ 2002/43, (Courage/Crehan), punt 26; HvJEG 13 juli 2006, C-295/04 tot C-298/04, ECLI:NL:XX:2006:AY6820, NJ 2007/34, (Manfredi), punt 60).
Daaraan doet niet af dat het nationale recht aan een partij ten aanzien van wie is vastgesteld dat zij in aanzienlijke mate verantwoordelijk is voor de verstoring van de mededinging, het recht kan ontzeggen schadevergoeding te vorderen (het hiervoor aangehaalde Courage-arrest, punten 31-33). Naar Nederlands recht behelst een daartoe strekkend verweer een beroep op eigen schuld als bedoeld in art. 6:101 BW, dat ook in de schadestaatprocedure kan worden gedaan. (…).”
In die zaak was het beroep op het Courage/Crehan-arrest een beroep op ‘eigen schuld’, omdat het onrechtmatig handelen van BP jegens […] vaststond.
3.29
Ik keer terug naar het middel. Anders dan waar het kennelijk van uitgaat (en wat in BP/[…] het geval was), staat hier niet vast dat Meneba jegens Bencis onrechtmatig heeft gehandeld. Wat wél vaststaat is dat Meneba én Bencis (anders dan in BP/[…]), als delen van dezelfde onderneming in mededingingsrechtelijke zin, allebei onrechtmatig hebben gehandeld door het kartelverbod te overtreden. In zo’n geval komt het relativiteitsvereiste wél aan bod. Immers, de normschending constitueert pas onrechtmatigheid jegens een concrete eiser als mede aan dat vereiste is voldaan.
3.30
Nu er vanuit moet worden gegaan dat de normschending door Meneba bestaat in het plegen van de kartelinbreuk (zie nogmaals 3.16)54., gaat het hier om een norm die er niet toe strekt Bencis te beschermen tegen de gevolgen van het inbreukmakend gedrag van Meneba waar zij zelf mede voor verantwoordelijk is. Aan het relativiteitsvereiste (sec) is daarom niet voldaan. Daar komt dan nog bij dat Bencis gelet op haar belang van ten minste 92% in Meneba beslissende invloed uitoefende op het commerciële beleid van Meneba en daarom geacht moet worden te hebben bijgedragen aan de kartelinbreuk. Indien zou moeten worden aangenomen dat de ingeroepen norm wél ertoe strekt haar te beschermen, heeft Bencis zich aan die bescherming onttrokken.
3.31
Gelet op al het voorgaande slaagt subonderdeel 2.1 niet.
3.32
In subonderdeel 2.2 voert Bencis twee rechtsklachten aan. Ten eerste zou het hof blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het in rov. 6.6 (drie laatste volzinnen) en rov. 6.7 heeft miskend dat (i) onder de omstandigheden vermeld in subonderdeel 2.1, de deelname door Meneba aan de inbreuk en het verzwijgen daarvan wel degelijk in strijd met art. 2:8 BW is of kan zijn tegenover Bencis en (ii) Meneba Holding als bestuurder in strijd met art. 2:9 BW handelde of kon handelen doordat zij bewerkstelligde en op zijn minst toeliet dat Meneba daaraan deelnam. Ten tweede zou onjuist zijn het oordeel in rov. 6.6 dat deze normen hoogstens relevant kunnen zijn voor de toerekeningsmaatstaf, voor zover het hof daarmee miskent dat schending van deze twee normen een onrechtmatige daad kan opleveren en/of mede inkleuring geven of kunnen geven aan de door Bencis ingeroepen maatschappelijke zorgplicht van Meneba tegenover Bencis.
3.33
Met deze klachten gaat Bencis uit van een verkeerde lezing van rov. 6.6 en 6.7 zodat de klachten feitelijke grondslag missen.55.Het hof neemt het beroep op art. 2:8 BW en art. 2:9 BW mee in de beoordeling van de aanspraak uit hoofde van onrechtmatige daad, omdat die artikelen in dit geval niet kunnen dienen als zelfstandige grondslag (zie rov. 6.7). Zoals zojuist uiteengezet, heeft Bencis zich onttrokken aan de bescherming van de norm die haar zou moeten beschermen tegen het gedrag van Meneba. Er is dus geen sprake van een schending van de art. 2:8 en 2:9 BW.
3.34
Subonderdeel 2.3 bevat de klacht dat voor zover het hof zich baseert op de omstandigheid dat Bencis en Meneba voor de toepassing van het mededingingsrecht onderdeel waren van dezelfde onderneming met als rechtsgevolg dat het handelen van Meneba wordt toegerekend aan Bencis en laatstgenoemde wordt geacht de mededingingsinbreuk zelf te hebben gepleegd, het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting om de in onderdeel 1 vermelde redenen.
3.35
Deze klacht faalt op dezelfde gronden als onderdeel 1. Onderdeel 2 faalt dus in zijn geheel.
Onderdeel 3: regres
3.36
De klachten in dit onderdeel zijn gekant tegen rov. 6.8 t/m 6.11 die als volgt luiden:
“6.8 Als Bencis en Meneba hoofdelijk waren beboet voor de inbreuk, zou Bencis op grond van artikel 6:10 BW mogelijk regres op Meneba hebben kunnen nemen indien zij een groter deel van de boete zou hebben betaald dan haar in de onderlinge verhouding met Meneba aanging. Die mogelijkheid heeft zij nu niet, omdat zij en Meneba afzonderlijk zijn beboet. Het CBb heeft in het betoog van Bencis dat zij geen beroep kan doen op artikel 6:10 BW, geen reden gezien om Bencis geen boete op te leggen (vgl. rechtsoverweging 10.3.1 van de uitspraak van het CBb, hiervoor geciteerd in 6.3). Het is evenwel niet uitgesloten dat in een geval als dit, waarin moeder en dochter volgtijdig en daardoor niet hoofdelijk zijn beboet, onderling verhaal plaats kan vinden volgens eenzelfde uitgangspunt als opgenomen in artikel 6:10 BW (het gedeelte van de gezamenlijke boetes dat ieder aangaat). Daarbij kunnen de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking een rol spelen.
6.9
Het hof is echter van oordeel dat Bencis in dit geval geen vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking jegens Meneba toekomt. Daarbij neemt het hof in de eerste plaats in aanmerking dat de boete opgelegd aan Meneba is uitgekomen op het wettelijke maximum van 10% van de omzet van de onderneming (waarbij de omzet van Bencis niet in aanmerking is genomen, omdat de ACM er toen niet van uitging dat Bencis en Meneba tot dezelfde onderneming behoorden). Vervolgens is aan Bencis een boete opgelegd die eveneens is begrensd op 10% van de omzet van Bencis. Meneba en Bencis hebben dus beide naar draagkracht (waarvan het wettelijk maximum van 10% van de omzet een benadering is) bijgedragen aan de boete.
6.10
Verder neemt het hof het volgende in overweging. De feitelijke handelingen waarmee inbreuk op het mededingingsrecht wordt gemaakt, worden niet verricht door rechtspersonen, maar door natuurlijke personen die werkzaam zijn voor de inbreukmakende onderneming. Rechtspersonen worden daar vervolgens voor verantwoordelijk gehouden. Bencis beschouwt Meneba als de inbreukpleger. Zij verliest echter uit het oog dat zij in de relevante periode zelf ook deel uitmaakte van de inbreukpleger. Het valt niet in te zien waarom uitsluitend Meneba, als de directe eigenaar van de inbreukmakende onderneming, en niet ook Bencis, als de uiteindelijke beleidsbepalende rechtspersoon in de relevante periode, de verantwoordelijkheid voor de inbreukmakende handelingen van de natuurlijke personen werkzaam voor Meneba zou moeten dragen. Bencis heeft daarvoor geen overtuigende argumenten aangevoerd. Zij kan niet volstaan met erop te wijzen dat zij niet betrokken was bij de inbreuk en dat zij ook niet van de inbreuk op de hoogte was, ondanks het due diligence onderzoek dat zij voorafgaand aan de verkrijging van Meneba heeft gedaan en het feit dat zij jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen. Bencis was wél betrokken bij de inbreuk, omdat de inbreuk van de onderneming wordt toegerekend aan rechtspersonen die het beleid van de onderneming bepaalden. Op dezelfde grond wordt de inbreuk toegerekend aan Meneba. Hierin verschillen Bencis en Meneba niet van elkaar, zodat dit geen reden kan zijn om te concluderen dat de inbreuk uitsluitend Meneba aangaat. Het feit dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, maakt het niet anders. Het hof sluit niet uit dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin een rechtspersoon die deel uitmaakt van een onderneming en een boete heeft betaald die aan die onderneming is opgelegd, zich kan verhalen op een andere rechtspersoon die een grotere invloed heeft uitgeoefend op het beleid van de onderneming. Hier gaat het echter om een moedermaatschappij met een beslissende invloed op het beleid van de inbreukmakende onderneming. Die kan niet stellen dat de inbreuk uitsluitend de dochter aangaat, alleen omdat zij een due diligence onderzoek heeft verricht en navraag heeft gedaan naar mogelijke wetsovertredingen. Dat is onvoldoende reden om haar in de verhouding tot de dochter te ontslaan van een verantwoordelijkheid voor de inbreuk die zijn grondslag vindt in haar beslissende invloed op het beleid.
6.11
In deze omstandigheden is bij een onderlinge verdeling van het totaal van de twee boetes naar rato van de wederzijdse draagkracht van Bencis en Meneba naar het oordeel van het hof geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking van Meneba ten koste van Bencis. Het hof acht het ook redelijk om bij de bepaling van die draagkracht uit te gaan van het wettelijke boetemaximum van 10% van de omzet van de onderneming. Bencis heeft nog gesteld dat de werkelijke draagkracht van Meneba groter is, en dat de financiële positie van Meneba sinds het opleggen van de boete is verbeterd. Het gaat hier echter om een criterium dat door de mededingingsautoriteiten representatief voor de draagkracht wordt geacht en dat voor Bencis en Meneba gelijk is. Dat maakt het naar het oordeel van het hof in de omstandigheden van het geval een geschikt ijkpunt, ongeacht de naar andere maatstaven en/of tegen andere tijdsmomenten berekende draagkracht van Bencis en Meneba. Het komt er dus op neer dat het hof de wijze waarop het totaal van de twee boetes door de ACM over Bencis en Meneba is verdeeld, niet onredelijk acht jegens Bencis. Met een dergelijke verdeling wordt ook geen afbreuk gedaan aan het doeltreffendheidsbeginsel of het gelijkwaardigheidsbeginsel.”
3.37
De klachten berusten op de aanname dat het hof de regresvordering naar analogie van art. 6:10 BW heeft afgewezen. Naar mijn mening is dit niet wat het hof heeft geoordeeld en mist de klachten daarom feitelijke grondslag.
3.38
In de tweede zin van rov. 6.8 oordeelt het hof dat art. 6:10 BW niet van toepassing is. Het hof oordeelt vervolgens dat in een casus als de onderhavige wél verhaal kan plaatsvinden volgens een zelfde uitgangspunt als opgenomen in art. 6:10 BW. Daarmee doelt het hof op het uitgangspunt dat verhaal op de overige schuldenaren alleen mogelijk is voor het gedeelte van de schuld dat ieder aangaat. Hoe groot dat gedeelte is, hangt af van de onderlinge rechtsverhouding van de schuldenaren, waarbij de beginselen van ongerechtvaardigde verrijking een rol kunnen spelen.56.Het hof oordeelt dus in rov. 6.8 dat verhaal niet uitgesloten is, maar dat de basis daarvoor niet is gelegen in art. 6:10 BW. Het hof geeft in rov. 6.9 t/m 6.11 verder alleen een oordeel over de vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW). Dat blijkt uit de eerste zinnen van rov. 6.9 en rov. 6.11 (zie de onderstrepingen in het citaat hiervóór), en ook uit rov. 6.6 waar staat dat het erop aankomt of Meneba onrechtmatig heeft gehandeld of ongerechtvaardigd is verrijkt.57.Een derde mogelijkheid, regres naar analogie van art. 6:10 BW, noemt het hof daar niet.
3.39
Overigens start onderdeel 4 van het middel met de zin: “Onderdeel 4 komt op tegen de afwijzing in rov. 6.9 t/m 6.11 van de vordering op de voet van art. 6:212 BW.” Dat onderdeel komt dus niet op tegen een oordeel dat analoge toepassing van art. 6:10 BW niet mogelijk is. Dat is terecht, mede gelet op de figuur van de analoge toepassing van een wetsbepaling. Daarbij wordt een specifieke regel die is vastgelegd in de wetsbepaling herleid tot een algemene regel, die niet woordelijk in de wet is opgenomen. Aan de hand van deze algemene regel wordt dan het bijzondere geval dat voorligt getoetst.58.Een deductieve redeneermethode dus. Dat doet het hof hier niet. Het hof toetst niet het onderhavige bijzondere geval aan de in art. 6:10 BW gevonden algemene regel, maar aan de wettelijke regeling van art. 6:212 BW (waarop Bencis ook beroep heeft gedaan).59.
3.40
Voor het geval de bestreden overwegingen moeten worden gelezen als een analoge toepassing van art. 6:10 BW, dan geldt dat Bencis geen belang heeft bij haar klachten omdat art. 6:10 BW niet, en ook naar analogie, op het onderhavige geval van toepassing kan zijn.60.Art. 6:10 BW bepaalt in hoeverre de hoofdelijke schuldenaar ten laste van wie de schuld is gedelgd of door wie kosten zijn gemaakt, verhaal kan nemen op de overige schuldenaren. In art. 6:6 lid 2 BW is geregeld wanneer sprake is van hoofdelijke verbondenheid: indien de prestatie ondeelbaar is, of indien uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn. Van hoofdelijke aansprakelijkheid is hier evenwel geen sprake. Ook art. 6:102 lid 1 BW is niet van toepassing omdat het in deze zaak niet gaat om een op twee of meer personen rustende verplichting tot vergoeding van dezelfde schade. Het gaat hier niet om schadevergoeding, maar om een bestuursrechtelijke boete die moest worden betaald. De hoofdelijkheidsvraag is hier simpelweg niet aan de orde.
3.41
De wetgever heeft wel ruimte gelaten om de bepalingen over hoofdelijkheid analoog toe te passen bij toevallig samenlopende verbintenissen.61.In een aantal opzichten vertonen hoofdelijkheid en deze samenlopende verbintenissen verwantschap.62.Een voorbeeld is dat bij hoofdelijkheid nakoming door één van de hoofdelijke schuldenaren zijn medeschuldenaren tegenover de schuldeiser bevrijdt (art. 6:7 lid 2 BW); ook bij toevallig samenlopende verbintenissen kan de schuldeiser maar eenmaal in zijn vermogensbelang bevredigd worden.63.Dit kenmerk ontbreekt in het onderhavige geval. Het gaat om twee afzonderlijk en volgtijdelijk, en dus niet hoofdelijk, door de ACM opgelegde boetes. Zowel Bencis als Meneba kunnen alleen worden aangesproken voor het bedrag van hun eigen boete. Betaling door Bencis van haar boete bevrijdt Meneba niet van enige verplichting die zij heeft ten opzichte van de ACM. Omdat de regeling van hoofdelijkheid dus niet (analoog) van toepassing kan zijn in dit geval, is ook toepassing van art. 6:10 BW niet aan de orde.
Onderdeel 4: ongerechtvaardigde verrijking
3.42
Ook dit onderdeel is gericht tegen rov. 6.9 t/m 6.11. In subonderdeel 4.1 klaagt Bencis – samengevat – dat de bestreden oordelen onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd althans onjuist zijn, omdat daaruit niet valt op te maken dat het hof de maatstaf van art. 6:212 BW heeft aangelegd.
3.43
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof gaat na of Meneba is verrijkt ten koste van Bencis. Dat is niet het geval, omdat Meneba en Bencis naar draagkracht hebben bijgedragen aan de boete (rov. 6.9), waarbij het hof verder in overweging neemt dat niet valt in te zien waarom alleen Meneba de verantwoordelijkheid voor de inbreukmakende handelingen moet dragen, althans de inbreuk alleen haar aangaat (rov. 6.10). In die omstandigheden is geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking van Meneba ten koste van Bencis (rov. 6.11).
3.44
De klacht in subonderdeel 4.2 gaat uit van de lezing dat het hof heeft geoordeeld dat de verrijking van Meneba niet ongerechtvaardigd is tegenover Bencis.
3.45
Bencis heeft geen belang bij de klacht. Het hof oordeelt slechts dat geen sprake is van een verrijking van Meneba ten koste van Bencis. De vraag naar de rechtvaardigheid van een hypothetische verrijking hoefde het hof niet te behandelen.
3.46
Om deze redenen faalt ook onderdeel 4.
Slotsom
3.47
Nu geen van de klachten leidt tot cassatie dient het principaal cassatieberoep te worden verworpen. Het incidenteel cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal cassatieberoep geheel of gedeeltelijk slaagt. Aan die voorwaarde is niet voldaan. Het incidenteel cassatieberoep behoeft daarom niet te worden besproken.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑09‑2025
De feiten zijn grotendeels overgenomen uit par. 3 van het bestreden arrest: Hof Den Haag 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1412.
BMI hield ten minste 92% en dus een ruime meerderheid van de aandelen in Meneba. In 2011 heeft zij haar aandelenpakket verkocht aan het management van Meneba.
Overgelegd als productie B-1 bij de inleidende dagvaarding.
De openbare versie van dit besluit van 14 maart 2012 is te raadplegen op: https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/4666/Besluit-op-bezwaar-kartel-meelproducenten.
En het advies van de bezwaaradviescommissie van 12 augustus 2011.
De openbare versie van dit besluit is overgelegd als productie B-3 bij inleidende dagvaarding en is te raadplegen op: https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/13711/ACM-beboet-investeringsmaatschappij-in-meelzaak. Uit randnummer 4 blijkt dat het advies van de bezwaaradviescommissie aanleiding was voor het onderzoek naar Bencis.
De openbare versie is overgelegd als productie B-4 bij inleidende dagvaarding en te raadplegen op: https://www.acm.nl/nl/publicaties/publicatie/14839/Besluit-op-bezwaar-Bencis-in-kartelzaak-meelproducenten.
Rb. Rotterdam 26 januari 2017, ECLI:NL:RBOT:2017:588, JOR 2017/102, m.nt. R.P.A. Kraaijeveld & A.J. van Es.
CBb 19 maart 2019, ECLI:NL:CBB:2019:120.
Het procedureverloop is gebaseerd op par. 4 en 5 van het bestreden arrest.
Rb. Rotterdam 26 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5501.
Dit aspect wordt kritisch besproken in: T.S. Hoyer, ‘Aspecten van civiele aansprakelijkheid wegens een inbreuk op het Europees mededingingsrecht’, MvV 2021/11, p. 369-370 (par. 3.4).
Hof Den Haag 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1412.
Vaste rechtspraak sinds HvJ 23 april 1991, C-41/90, ECLI:EU:C:1991:161, NJ 1993/592 (Höfner), punt 21.
Zie al HvJ 14 juli 1972, 48/69, ECLI:EU:C:1972:70 (Imperial Chemical Industries), punten 132-133.
HvJ 10 september 2009, C-97/08 P, ECLI:EU:C:2009:536, NJ 2009/572 (Akzo Nobel/Commissie), punt 61. Het Hof van Justitie heeft gepreciseerd dat het daarbij om een weerlegbaar vermoeden gaat (al is dat weerleggen in de praktijk nauwelijks mogelijk gebleken).
Zie Gerecht 16 november 2011, T-54/06, ECLI:EU:T:2011:667 (Kendrion/Commissie), punt 6; Gerecht 24 januari 2014, T-395/09, ECLI:EU:T:2014:23, punten 53-57; en vooral Gerecht 12 juli 2018, T-419/14, ECLI:EU:T:2018:445 (Goldman Sachs /Commissie), bevestigd in HvJ 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:73. Zie over het arrest van het Gerecht: R.A. Struijlaart & M.C. Brabers, ‘Goldman Sachs/Europese Commissie. Private equity in het vizier van de mededingingsautoriteiten’, Markt & Mededinging, 2018, p. 259-269.
HvJ 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204, NJ 2020/58 m.nt. J.S. Kortmann, Ondernemingsrecht 2019/74 m.nt. B.J. Drijber, JOR 2019/151 m.nt. S.A. van Dijk, SEW 2019/11 m.nt. D. Wouters (Skanska), punten 28 en 31.
HvJ 6 oktober 2021, C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800, JOR 2022/22 m.nt. S.A. van Dijk (Sumal), punt 43. Zie o.m. O.V. Korneeva & W. VerLoren van Themaat, ‘Het Sumal-arrest. Doorbraak in aansprakelijkheid van de onderneming voor mededingingsinbreuken’, NtER 2022/3, p. 68-73, T.S. Hoyer, ‘Aspecten van civiele aansprakelijkheid wegens een inbreuk op het Europees mededingingsrecht. De stand van zaken na Skanska, Cogeco, Otis en Sumal’, MvV 2021/11, p. 363-373, en B.J. Drijber, ‘Dit gebeurt al jaren: hoe het mededingingsrecht concernverhoudingen op zijn kop zet’, Ondernemingsrecht 2024/29, p. 174-184.
Kersting, in: Kersting/Meyer-Lindemann/Podszun, Kartellrecht (5e druk) 2025, GWB § 33a Schadensersatzpflicht, par. 15-16. Zie ook W. Wurmnest, ‘Liability of “undertakings” in damages actions for breach of Articles 101, 102 TFEU: Skanska’, CMLR 2020 (57) 3, p. 929-930 (citaat zonder voetnoot): ”( …) As a consequence of the ECJ’s finding that EU law determines passive standing, it is also not possible to use principles of domestic law, such as the criterion of fault (faute, Verschulden), to limit the liability of a parent company to cases in which it was aware of the infringement. In order to hold the company that exercised decisive influence over the direct infringer liable, it is sufficient that the “undertaking” acted wrongfully.”
In HvJ 11 juni 2009, ECLI:EU:C:2009:359, NJ 2009/433 m.nt. M.R. Mok, AB 2009/341 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven (Inspecteur van de Belastingdienst/X) punt 39 oordeelde het HvJ dat de (gedeeltelijke) fiscale aftrekbaarheid van een boete wegens schending van art. 101 lid 1 VWEU tot gevolg heeft dat de boetebeschikking van de Commissie aanzienlijk aan doeltreffendheid zou inboeten.
Court of Appeal 21 december 2010, EWCA Civ 1472 (Safeway Stores Ltd v Twigger). Zie over deze uitspraak: J.T. van der Kroon, ‘Safeway stores limited vs. Twigger vanuit Nederlands perspectief bezien’, Actualiteiten Mededingingsrecht 2011/3, p. 77-80.
N.a.v. deze uitspraak maakte ik ook enige opmerkingen: B.J. Drijber, ‘Mededingingsovertreding als grond voor bestuurdersaansprakelijkheid’, in: B.F. Assink e.a. (red.), De vele gezichten van Maarten Kroeze’s ‘bange bestuurders’, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 134-135.
LG Saarbrücken 15 september 2020, 7HK O 6/16, ECLI:DE:LGSAARB:2020:0915.7HKO6.16.0A, BeckRS 2020, 32440, rov. 122-123: “Zumindest der Regress aus der Kartellbuße verletzte nach Auffassung der Kammer den nützlichen Effekt (effet utile) der Art. 101, 105 AEUV. (…) Von ihr verhängte Geldbußen müssen eine hinreichend abschreckende Wirkung erzielen. (…) Eine Regressierbarkeit von Kartellbußen milderte diesen Effekt ab und berührte mithin den Kern der öffentlich-rechtlichen Kartellverfolgung durch die Kommission und damit des Art. 101, 105 AEUV.”
LG Düsseldorf 10 december 2021, 37 O 66/20, ECLI:DE:LGD:2021:1210.37O66.20KART.00, rov. 65: “(…) Der mit einer Geldbuße verbundene wesentliche Zweck der Sanktionierung des Unternehmens könnte nicht wirksam erreicht werden, wenn sich die Rechtsordnung zu sich selbst in Widerspruch setzte, indem sie zivilrechtlich die Kompensation der verhängten Sanktion zuließe. (…)”
OLG Düsseldorf 27 juli 2023, 6 U 1/22, ECLI:DE:OLGD:2023:0727.6U1.22KART.00, GRUR-RS 2023, 19301. In het persbericht van het Oberlandesgericht (nr. 26/2023) staat onder meer het volgende: “Das Landgericht habe zutreffend entschieden, dass hinsichtlich des gegen die GmbH festgesetzten Bußgeldes kein Regress gegen den Beklagten in Betracht komme. Eine persönliche Haftung des Geschäftsführers und des Vorstandes, hier des Beklagten, für Kartellbußen eines Unternehmens scheide aus. Andernfalls werde die kartellrechtliche Wertung unterlaufen, wonach – wie vorliegend – getrennte Bußgelder gegen die handelnde Person und das Unternehmen selbst festgesetzt werden. (…). Durch den Rückgriff auf den Geschäftsführer bestehe darüber hinaus die Gefahr, dass der Sanktionszweck eines Unternehmensbußgeldes gefährdet werde. So könnten Unternehmen sich durch den Rückgriff auf Geschäftsführer und Vorstände faktisch ihrer kartellrechtlichen Bußgeldverantwortung entziehen. (…).”
Over de Duitse rechtspraak heeft in appel in deze zaak debat plaatsgevonden. In de spreekaantekeningen van partijen worden ook nog andere uitspraken genoemd.
Hof Arnhem-Leeuwarden 6 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10497 (X/[…]), JOR 2023/147 m.nt. A. Karapetian, JAR 2023/52 m.nt. A.M. Helstone, rov. 6.5.
Het kan overigens voorkomen dat de deelnemers aan wat achteraf gezien als kartel wordt aangeduid zich daarvan geen rekenschap gaven.
Asser/Sieburgh 6-IV 2023/137, onder verwijzing naar o.a. HR 16 februari 1973, NJ 1973/463 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (…]/[….) en HR 23 februari 2007, NJ 2008/492 m.nt. J.B.M. Vranken ([…]/Io Vivat).
Zie over het in pari delicto-beginsel: A.L.M. Keirse & B.M. Paijmans, ‘In pari delicto; als de pot de ketel verwijt’, MvV 2017/7, p. 207-219. Kritisch over het gebruik van Romeinse adagia in deze context is: D.A. van der Kooij, Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (diss. Rotterdam), Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 14.2.
Voor de herkomst van deze adagia zie R. Feenstra, ‘Nemo auditur turpitudinem allegans’ in: J.E. Spruit en M. van de Vrugt (red.), Brocardica in honorem G. C. J. J. van den Bergh: 22 studies over oude rechtsspreuken, Deventer: Kluwer 1987, p. 31-36.
S.D. Lindenbergh, ‘Ore stabit’, in: A.G. Castermans e.a. (red.), Ex libris Hans Nieuwenhuis, Deventer: Kluwer 2009, p. 579. In Kamerstukken II 1981/82, 16 983, nr. 3 (MvT), p. 28 (bovenaan) staat dat het een algemeen beginsel is dat men zich niet tegenover een ander kan beklagen over gedragingen die men ook zelf verricht. Als voorbeeld wordt gegeven de beperking van het beroep op onrechtmatige daad op grond van het eigen gedrag van de gelaedeerde, onder verwijzing naar HR 16 februari 1973 (…]/[….), vermeld in noot 35.
Zie punt 7 van zijn noot onder NJ 2008/492 ([…]/Io Vivat), vermeld in noot 35.
Meestal in zaken waarin een lidstaat voordeel wil halen uit zijn eigen nalaten om tijdig een Europese richtlijn in nationale regelgeving om te zetten. Zie o.a. HvJ 5 april 1979, 148/78, ECLI:EU:C:1979/44 (Ratti), punt 22. Zie verder K. Lenaerts en P. van Nuffel, Europees Recht, Antwerpen: Intersentia 2023, nr. 801 en S. Prechal, Directives in EC Law, Oxford: OUP 2004, nr. 220. Zie ook H.J. van Kooten, ‘De beginselen nemo auditur en fraus omnia corrumpit in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie’, WPNR 2011/6901, p. 828-835.
HvJ 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465, NJ 2002/43, Ondernemingsrecht 2001/51 m.nt. M.R. Mok (Courage/Crehan). De door mij geciteerde overwegingen uit Courage/Crehan zijn onderdeel geweest van het partijdebat in hoger beroep: memorie van grieven onder 74, memorie van antwoord onder 20.14-20.16, spreekaantekeningen zijdens Bencis onder 42, pleitaantekeningen zijdens Dossche, par. 2.
Conclusie van A-G Mischo van 22 maart 2001, ECLI:EU:C:2001:181, punt 39.
Zie ook Mok in zijn noot in Ondernemingsrecht 2001/51: “(…) Terecht doet de A-G een beroep op het nemo auditur-beginsel (waarin het Hof hem, zonder gebruik van Latijn, heeft gevolgd) (…).”
Zie bijv. C.H. Sieburgh, ‘EU law and non-contractual liability of the Union, member states and individuals’, in: A.S. Hartkamp e.a. (red.), The influence of EU law on national private law, Deventer: Kluwer 2014, p. 465 e.v. (m.n. par. 8 en 19). Zij plaatst het in pari delicto-verweer in de sleutel van het vereiste van (rechtstreeks) causaal verband tussen inbreuk en schade om staatsaansprakelijkheid te kunnen aannemen. Zie ook I. Haazen, ‘Schade in een niet rechtmatig belang’, WPNR 2009/6816, p. 831 (voetnoot 43); en A.L.M. Keirse & B.M. Paijmans, ‘Two wrongs don’t make a right – or do they?’, in: L. Dalhuisen e.a. (red.), Rechtvaardig redresseren, Den Haag: Boom 2025, p. 223 (voetnoot 7).
H.J. van Kooten, a.w. voetnoot 40, p. 830.
C.J.J.C. van Nispen, Het rechterlijk verbod en bevel, Amsterdam: deLex 2025, p. 253 (bovenaan), met verwijzing naar Hof Amsterdam 8 november 1973, ECLI:NL:GHAMS:1973:AC0572, NJ 1974/163 (…]/[….).
C.J.J.C. van Nispen, Het rechterlijk verbod en bevel, Amsterdam: deLex 2025, p. 253 (laatste alinea).
HR 4 januari 1963, ECLI:NL:HR:1963:AG2064, NJ 1964/434 m.nt. G.J. Scholten (….); HR 16 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AD7415, NJ 1973/463 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (…]/[….); HR 27 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4748, NJ 1984/536 m.nt. W.C.L. van der Grinten (Verstekeling); HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6219, NJ 2008/492 m.nt. J.B.M. Vranken ([…]/Io Vivat); HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:162, NJ 2016/173 m.nt. T. Hartlief (Hangmat II). Zie voor een nadere toelichting: K.J.O. Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 7.3.4.3 én GS Onrechtmatige daad, art. 6:163 BW, aant. 3.6.2 (actueel t/m 30 december 2024) en A.L.M. Keirse & B.M. Paijmans, ‘In pari delicto; als de pot de ketel verwijt’, MvV 2017/7, p. 211-214 (par. 4.2).
K.J.O. Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 7.3.4.2 én GS Onrechtmatige daad, art. 6:163 BW, aant. 3.6.1 (actueel t/m 30 december 2024).
Vgl. C.J.H. Brunner, bespreking van G.H.A. Schut, Onrechtmatige daad (Studiepockets privaatrecht nr. 21)), RM Themis 1981/1, p. 39. Brunner bespreekt t.a.p. de zijns inziens onjuiste interpretatie van Schut van het arrest …]/[…. (NJ 1973/463, zie voetnoot 35) en merkt daarbij op dat onrechtmatigheid jegens eiser in abstracto en in concreto naast elkaar staan.
HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0070, NJ 1991/474 m.nt. E.A.A. Luijten. Vgl. ook HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:4, NJ 2019/49 (echtgenote/notaris e.a.).
Zie over deze beslissing ook G.H. Lankhorst, De relativiteit van de onrechtmatige daad (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1992, p. 177: “Met de beslissing op zich kan men vrede hebben: het was inderdaad nogal radicaal om SHV iedere claim te ontzeggen en om de fouten aan de zijde van de notaris niet mee te laten wegen. Bovendien was het twijfelachtig of er wel sprake was van een pot-versus-ketel-situatie als in het arrest […]/[…], waar over en weer dezelfde norm was overtreden. Hier leek eigenlijk juist geen sprake van “in pari delicto”: de fout van de notaris laat zich niet zo gemakkelijk vergelijken met de fout aan de kant van SHV. Een en ander zomaar “tegen elkaar wegstrepen” is dan ook uit den boze. Geen relativiteit dus, maar wel eigen schuld. (…).”
HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2123, NJ 2014/347 m.nt. M.R. Mok en Jac. Hijma (BP/[…]).
Dit zou anders kunnen zijn bij een andere normschending, namelijk het op het benadelen van de moeder gerichte opzet van de dochter. Daarvan blijkt uit de gedingstukken niet, althans heeft het hof dat niet vastgesteld.
Zie in deze zin ook de schriftelijke toelichting van Dossche onder 3.2.10.
Aldus ook W.L. Valk & J.J. Valk, in: T&C BW, commentaar op art. 6:10 BW, aant. 2 (actueel t/m 1 maart 2025).
Zie overigens ook de samenvatting onder 1.2 van het arrest, waarin (alleen) staat dat Bencis geen schadevergoeding kan vorderen en dat Meneba niet ten koste van Bencis ongerechtvaardigd is verrijkt.
Asser/Scholten Algemeen deel* 1974, §15 (p. 61, midden). Zie verdiepend over de analogie: J.H. Nieuwenhuis, ‘Legitimatie en heuristiek van het rechterlijk oordeel’, RM Themis 1976, p. 501-505.
Memorie van grieven, punt 87-91, waarbij punt 87 luidt: “In aanvulling op de hiervoor en in eerdere processtukken van Bencis uitgewerkte grondslagen beroept Bencis zich (subsidiair) ook op artikel 6:212 BW als zelfstandige grondslag voor haar vorderingen op Geïntimeerden.”
Zoals ook Dossche in haar schriftelijke toelichting (onder 3.3.2) terecht opmerkt.
Van Zeben, Du Pon & Olthof (red.), Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 91 (nr. 5). Zie ook A-G Wissink in nrs. 2.13 en 2.14.1 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:905) vóór HR 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2790, RvdW 2017/1177 (X/Encare Arbozorg). Zie nader over het begrip ‘toevallig samenlopende verbintenissen’ dat onder het oude recht een grotere betekenis had: W.H. van Boom, Hoofdelijke verbintenissen, Den Haag: Boom juridisch 2016, par. 2.3.
Zie A-G Wissink in punt 2.14.2 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:905) vóór HR 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2790, RvdW 2017/1177 (X/Encare Arbozorg).
Zie bijv. HR 28 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2120, NJ 1997/102 m.nt. J.W. Zwemmer, AB 1997/165 m.nt. T.G. Drupsteen ([…]/Ontvanger), rov. 3.5.3. In dit geval lijkt overigens analoge toepassing van art. 6:10 BW bij samenlopende verbintenissen door de Hoge Raad te zijn afgewezen, omdat de grondslag voor regres volgens de Hoge Raad moet worden gezocht in art. 6:212 BW (ongerechtvaardigde verrijking). Zie in deze zin: W.H. van Boom, a.w. genoemd in voetnoot 61, die zo ver gaat als te stellen dat het erop lijkt dat de deur voor analoge toepassing van de regels inzake hoofdelijkheid met deze uitspraak vrijwel geheel is dichtgedaan (zie par. 3.5.6 op p. 52).
Beroepschrift 31‑10‑2024
Procesinleiding vorderingsprocedure Hoge Raad
Algemeen
Datum indienen | 31 oktober 2024 |
Gerecht | Hoge Raad der Nederlanden |
Uiterste verschijndatum verweerder | 6 december 2024 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, om 10.00 uur.
Partijen en advocaten
Eiseressen tot cassatie
Eiseres 1
Naam | Bencis Capital Partners B.V. |
Woonplaats | Amsterdam |
Rechtsvorm | Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid |
Toevoeging | Nee |
Eiseres 2
Naam | BBOF II General Partner B.V. |
Woonplaats | Amsterdam |
Rechtsvorm | Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid |
Toevoeging | Nee |
Eiseressen tot cassatie worden hierna ook aangeduid als ‘Bencis’.
De door Bencis aangewezen advocaat bij de Hoge Raad, die hen in het geding zal vertegenwoordigen en bij wie Bencis woonplaats kiezen:
Naam | mr. B.F.L.M. Schim (NautaDutilh N.V.) |
Kantooradres | Beethovenstraat 400 |
1082 PR Amsterdam | |
Postadres | Postbus 7113 |
1007 JC Amsterdam |
Verweersters in cassatie
Verweerster 1
Naam | Dossche Mills Nederland B.V. |
Woonplaats | Kerkrade |
Rechtsvorm | Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid |
Verweerster 2
Naam | Dossche Mills B.V. |
Woonplaats | Rotterdam |
Rechtsvorm | Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid |
Verweerster 3
Naam | Rotterdam Brielselaan B.V. |
Woonplaats | Rotterdam |
Rechtsvorm | Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid |
Advocaat vorige instantie
Naam | mr. S. Beeston (Van Doorne N.V.) |
Adres | Jachthavenweg 121 |
Plaats | (1081 KM) Amsterdam |
Verweersters in cassatie worden hierna ook aangeduid als ‘Dossche’.
Bestreden uitspraak
Instantie | Gerechtshof Den Haag |
Zaaknummer | 200.314.735/01 |
Datum | 6 augustus 2024 |
Appellantes | Bencis |
Geïntimeerden | Dossche |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het hof ten onrechte heeft geoordeeld en beslist zoals weergegeven in zijn hiervoor vermelde op 6 augustus 2024 uitgesproken arrest, zulks om één of meer van de volgende, waar nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen.
In navolging van het hof in rov. 3.3, slotzin, duidt Bencis Dossche tezamen aan als Meneba voor zover het de periode betreft dat Bencis de (indirect) aandeelhouder was van Dossche en hun respectieve rechtsvoorgangers.
1. Onderdeel 1 — Mededingingsrechtelijke verhoudingen bepalen niet de civielrechtelijke interne rechtsverhoudingen en met name niet het regres en/of verhaal
1
Onderdeel 1 keert zich tegen de volgende overwegingen. In rov. 6.7 overweegt het hof:
‘Een inbreuk op het mededingingsrecht wordt gepleegd door een onderneming. In dit geval is de inbreuk gepleegd door een onderneming waarvan in het relevante tijdvak (van 26 november 2004 tot 15 juli 2011) zowel Bencis als Meneba deel uitmaakten. De inbreuk op het mededingingsrecht is in dit geval dus gepleegd door Bencis en Meneba samen. Daarvoor is niet van belang of Bencis van de inbreuk op de hoogte was, en/of zij een bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, maar volstaat dat zij in het relevante tijdvak als moedermaatschappij een beslissende invloed op Meneba kon uitoefenen. Een inbreuk op het mededingingsrecht die Bencis geacht wordt mede zelf te hebben gepleegd, kan niet tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis zijn.’
In rov. 6.10 overweegt het hof:
‘De feitelijke handelingen waarmee inbreuk op het mededingingsrecht wordt gemaakt, worden niet verricht door rechtspersonen, maar door natuurlijke personen die werkzaam zijn voor de inbreukmakende onderneming. Rechtspersonen worden daar vervolgens voor verantwoordelijk gehouden. Bencis beschouwt Meneba als de inbreukpleger. Zij verliest echter uit het oog dat zij in de relevante periode zelf ook deel uitmaakte van de inbreukpleger. Het valt niet in te zien waarom uitsluitend Meneba, als de directe eigenaar van de inbreukmakende onderneming, en niet ook Bencis, als de uiteindelijke beleidsbepalende rechtspersoon in de relevante periode, de verantwoordelijkheid voor de inbreukmakende handelingen van de natuurlijke personen werkzaam voor Meneba zou moeten dragen. […] Zij kan niet volstaan met erop te wijzen dat zij niet betrokken was bij de inbreuk en dat zij ook niet van de inbreuk op de hoogte was, ondanks het due dilligence onderzoek dat zij voorafgaand aan de verkrijging van Meneba heeft gedaan en het feit dat zij jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen. Bencis was wél betrokken bij de inbreuk, omdat de inbreuk van de onderneming wordt toegerekend aan rechtspersonen die het beleid van de onderneming bepaalden. Op dezelfde grond wordt de inbreuk toegerekend aan Meneba. Hierin verschillen Bencis en Meneba niet van elkaar, zodat dit geen reden kan zijn om te concluderen dat de inbreuk uitsluitend Meneba aangaat. Het feit dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, maakt het niet anders. […] Hier gaat het echter om een moedermaatschappij met een beslissende invloed op het beleid van de inbreukmakende onderneming. Die kan niet stellen dat de inbreuk uitsluitend de dochter aangaat, alleen omdat zij een due dilligence onderzoek heeft verricht en navraag heeft gedaan naar mogelijke wetsovertredingen. Dat is onvoldoende reden om haar in de verhouding tot de dochter te ontslaan van een verantwoordelijkheid voor de inbreuk die zijn grondslag vindt in haar beslissende invloed op het beleid.’
1.1
Ter beoordeling lag voor of Bencis een regres- en/of schadevordering heeft jegens Dossche op de voet van art. 6:10 BW (analogisch toegepast), art. 6:162 jo. 6:163 BW en/of art. 6:212 BW. Het hof heeft deze vorderingen blijkens de bestreden overwegingen afgewezen op de grond dat Bencis net zoals Meneba voor de toepassing van het mededingingsrecht onderdeel vormt van dezelfde onderneming zoals bedoeld in het mededingingsrecht, met het daaraan verbonden mededingingsrechtelijke rechtsgevolg dat ook Bencis inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, Bencis wordt geacht zelf inbreuk te hebben gemaakt op art. 6 Mw en art. 101 VWEU, respectievelijk wordt geacht zelf betrokken te zijn geweest bij een dergelijke inbreuk, ongeacht de vraag of Bencis van de inbreuk op de hoogte was en/of zij een bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd. Het hof heeft aldus miskend (A) dat de beoordeling of Bencis een regres- en/of schadevordering op de voet van art. 6:10 BW, art. 6:162 jo. 6:163 BW en/of art. 6:212 BW heeft jegens Dossche, moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van deze bepalingen, en/of (B) dat handelingen van (werknemers van) Meneba die in het mededingingsrecht worden toegerekend aan (hebben te gelden als handelingen van) Bencis als onderdeel van dezelfde onderneming in mededingingsrechtelijke zin, niet reeds om die reden óók bij de toepassing van art. 6:10 BW, art. 6:162 jo. 6:163 BW en/of art. 6:212 BW in de verhouding tot Dossche (Meneba) kunnen worden toegerekend aan Bencis. Bij de toepassing van laatstgenoemde bepalingen geldt daarentegen dat Bencis en Meneba te onderscheiden rechtspersonen zijn met eigen verantwoordelijkheden tegenover elkaar. Voor toerekening van gedragingen van (werknemers van) Meneba aan Bencis is vereist dat deze gedragingen in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van Bencis hebben te gelden.1. Daarbij komt wel degelijk betekenis toe aan de stellingen van Bencis dat zij niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen was gehouden, dat het zwaartepunt van de inbreukmakende gedragingen van Meneba begon in de periode vóórdat Bencis een indirect belang in Meneba kreeg en dat zij géén bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd.2. Enkel de omstandigheid dat Bencis beslissende invloed kon uitoefenen op het beleid van Meneba, is onvoldoende voor toerekening.
Onderdeel 2 — Onrechtmatige daad
2
Onderdeel 2 komt op tegen de afwijzing van de vordering op grond van onrechtmatige daad in rov. 6.7. Het hof overweegt daartoe in rov. 6.7:
‘Een inbreuk op het mededingingsrecht wordt gepleegd door een onderneming. In dit geval is de inbreuk gepleegd door een onderneming waarvan in het relevante tijdvak (van 26 november 2004 tot 15 juli 2011) zowel Bencis als Meneba deel uitmaakten. De inbreuk op het mededingingsrecht is in dit geval dus gepleegd door Bencis en Meneba samen. Daarvoor is niet van belang of Bencis van de inbreuk op de hoogte was, en/of zij een bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, maar volstaat dat zij in het relevante tijdvak als moedermaatschappij een beslissende invloed op Meneba kon uitoefenen. Een inbreuk op het mededingingsrecht die Bencis geacht wordt mede zelf te hebben gepleegd, kan niet tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis zijn.’
2.1
Zoals het hof in rov. 6.4 (i) en (iii) vooropstelt, bestaan de door Bencis ingeroepen aansprakelijkheidsnormen onder meer eruit dat Meneba met haar inbreuk op het mededingingsrecht handelde in strijd met de wettelijke plicht van art. 2:8 BW en met de maatschappelijke zorgvuldigheid jegens Bencis. Daarbij heeft Bencis erop gewezen dat zij als moedermaatschappij3. door deze inbreuk van Meneba werd blootgesteld aan (het risico van) een mededingingsrechtelijke boete en daarmee gepaard gaande juridische kosten, doordat zij zou worden aangemerkt als onderdeel van dezelfde onderneming als Meneba.
Blijkens rov. 6.4 (vi) is Meneba Holding (nu: Dossche Mills Nederland B.V.) door Bencis ook aansprakelijk gehouden op de grond dat zij als bestuurder van de operationele Meneba-entiteit (nu: Rotterdam Brielselaan BV, toen: Meneba (Meel) B.V.) jarenlang heeft bewerkstelligd en op zijn minst toegelaten dat deze entiteit jarenlang activiteiten ontplooide die in strijd waren met de mededingingsregels waardoor ook Bencis is beboet.4. Het hof heeft tegen deze achtergrond om twee redenen met zijn bestreden oordelen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
- 1.
Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het hof heeft miskend dat deze aansprakelijkheidsgronden wel degelijk, afhankelijk van omstandigheden, een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt kunnen opleveren. Daarbij geldt dat onderdeel van deze aansprakelijkheidsgronden is dat (1) voor Meneba (als (indirecte) dochtervennootschap, respectievelijk als bestuurder) voorzienbaar was dat óók moedervennootschap Bencis als gevolg van de mededingingsinbreuk schade zou kunnen ondervinden (niet alleen een boete),5. en (2) dat deelname aan een kartel óók in strijd is met art. 101 VWEU en art. 6 Mw, hetgeen bijdraagt (of kan bijdragen) tot het oordeel dat een zorgvuldigheidsnorm zoals ingeroepen door Bencis is geschonden.6. Anders dan het hof voorts miskent, komt bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de handelingen van Meneba rechtens wel degelijk betekenis toe aan de stellingen dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen was gehouden, dat zij géén bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, dat Bencis voorafgaand aan de verkrijging van de aandelen in Meneba een due diligence onderzoek had gedaan en/of dat zij (daarna) jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen.7. Althans had het hof in het licht van het voorgaande nader moeten motiveren waarom het handelen van Meneba niet onrechtmatig is.
- 2.
Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft miskend dat de door Bencis ingeroepen aansprakelijkheidsnormen naar doel en strekking bij uitstek zijn gericht op bescherming van het belang van Bencis als (indirect) aandeelhouder en moedervennootschap van Meneba met het oog op specifiek de voor haar nadelige gevolgen van de mededingingsinbreuk van Meneba, waaronder mede begrepen het risico van een boete zoals de onderhavige en het moeten maken van juridische kosten (vgl. art. 6:162 lid 1 en 6:163 BW).8. Aldus kunnen de inbreukmakende gedragingen van Meneba wel degelijk ‘tegelijkertijd een onrechtmatige daad van Meneba jegens Bencis zijn’ (curs. adv.).9. Althans had het hof in dit licht nader moeten motiveren waarom dit laatste anders zou zijn.
2.2
Het hof heeft verder blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het in rov. 6.6, drie laatste volzinnen, en 6.7 heeft miskend dat onder omstandigheden zoals ingeroepen in subonderdeel 2.1, de deelname van Meneba aan een mededingingsinbreuk en het verzwijgen daarvan wel degelijk in strijd met art. 2:8 BW is of kan zijn tegenover Bencis als (indirecte) moedervennootschap, respectievelijk dat Meneba Holding als bestuurder in strijd met art. 2:9 BW handelt of kan handelen en haar een ernstig persoonlijk verwijt te maken is of kan zijn doordat zij bewerkstelligde en op zijn minst toeliet dat Meneba (Meel) daaraan deelnam.10. Het hof heeft voorts blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het met zijn overweging in rov. 6.6 dat deze normen hoogstens relevant zijn voor de ‘toerekeningsmaatstaf’, heeft miskend dat schending van deze twee normen een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt kan opleveren en/of dat deze twee normen mede inkleuring geven of kunnen geven aan de door Bencis ingeroepen maatschappelijke zorgplicht van Meneba tegenover Bencis (waarover ook subonderdeel 2.1).
2.3
Voor zover het hof zijn bestreden oordelen baseert op de omstandigheid dat Bencis en Meneba voor de toepassing van het mededingingsrecht onderdeel waren van dezelfde onderneming met als rechtsgevolg dat het handelen van Meneba wordt toegerekend aan Bencis en laatstgenoemde wordt geacht de mededingingsinbreuk mede zelf te hebben gepleegd, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting om de in subonderdeel 1.1 vermelde redenen.
Onderdeel 3 — Regresrecht naar analogie van art. 6:10 BW
3
Onderdeel 3 richt zich tegen de afwijzing van een regresvordering naar analogie van (‘volgens eenzelfde uitgangspunt als’) art. 6:10 BW, waartoe het hof het volgende heeft overwogen. In rov. 6.8, vierde volzin, neemt het hof tot uitgangspunt dat ‘niet [is] uitgesloten dat in een geval als dit, waarin moeder en dochter volgtijdelijk en daardoor niet hoofdelijk zijn beboet, onderling verhaal plaats kan vinden volgens eenzelfde uitgangspunt als opgenomen in [art.] 6:10 BW’. In rov. 6.8, slotzin, vervolgt het hof evenwel: ‘Daarbij kunnen beginselen van ongerechtvaardigde verrijking een rol spelen’, waarna het hof in rov. 6.9 en 6.10 beoordeelt of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. In rov. 6.9 t/m 6.11 concludeert het hof dat dit niet het geval is, wat kennelijk redengevend is voor afwijzing van een regresvordering naar analogie van art. 6:10 BW.
3.1
Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in rov. 6.8 t/m 6.11 afwijzing van een regresvordering op de voet van art. 6:10 BW11. (analogisch toegepast) erop te baseren dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Het hof miskent aldus dat bij de beoordeling of een verplichting tot het bijdragen in de kosten op de voet van art. 6:10 BW bestaat, bepalend is of de ene (afzonderlijk) beboete partij méér heeft betaald dan wat haar in hun onderlinge verhouding met de andere beboete partij of partijen aangaat. Daarbij komt het aan op de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, waaronder met name de onderlinge verhouding van de beboete partijen en hun daadwerkelijke bijdrage in de mededingingsrechtelijk inbreukmakende gedragingen. Die omstandigheden kunnen ook een volledige bijdrage rechtvaardigen.12.
Naar het hof heeft miskend, is deze beoordeling te onderscheiden van en te verrichten aan de hand van een andere maatstaf dan de beoordeling of in hun onderlinge verhouding de ene beboete partij ongerechtvaardigd is verrijkt doordat de andere beboete partij een deel van het gezamenlijk bedrag van de beide boetes heeft voldaan.
3.2
Het hof heeft in rov. 6.9 t/m 6.11 geen oordeel gegeven over de mate waarin de door ieder van Bencis en Meneba betaalde boetes hen (dan wel de ander) aangaat in de interne verhouding zoals bedoeld in art. 6:10 BW. Het hof heeft een regresvordering immers afgewezen omdat volgens het hof geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, waarmee het hof niet meer toekwam aan een beoordeling van de interne verhouding tussen Bencis en Dossche. Voor zover dit evenwel anders moge zijn en de oordelen in rov. 6.9 en 6.10 over, kort gezegd, de draagkracht van partijen respectievelijk de betrokkenheid van Bencis bij de inbreuk als moedervennootschap wél betrekking hebben op de mate waarin de door Bencis en Meneba betaalde boete ieder van hen aangaat in hun onderlinge verhouding zoals bedoeld in art. 6:10 BW, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting om de volgende redenen.
3.2.1
Het hof heeft blijkens rov. 6.10 miskend dat bij de beoordeling van de onderlinge draagplicht tussen Bencis en Dossche op grond van art. 6:10 BW rechtens wel degelijk betekenis toekomt aan de stellingen dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen is gehouden, dat zij géén bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, dat het zwaartepunt van de inbreukmakende gedragingen van Meneba begon in de periode vóórdat Bencis een indirect belang in Meneba kreeg, dat Bencis voorafgaand aan de verkrijging van de aandelen in Meneba een due dilligence onderzoek had gedaan en/of dat Bencis (daarna) jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen.13. Deze stellingen kunnen rechtens ertoe leiden dat Bencis niet of niet geheel draagplichtig is. Het hof heeft dit miskend blijkens de overwegingen:
‘Het feit dat Bencis niet van de inbreuk op de hoogte was, maakt het niet anders’ en ‘Het gaat hier echter om een moedermaatschappij met een beslissende invloed op het beleid van de inbreukmakende onderneming. Die kan niet stellen dat de inbreuk uitsluitend de dochter aangaat, alleen omdat zij een due dilligence onderzoek heeft verricht en navraag heeft gedaan naar mogelijke wetsovertredingen.’
3.2.2
Het hof heeft in rov. 6.9 doorslaggevende betekenis toegekend aan zijn constatering dat Meneba en Bencis beide naar draagkracht hebben bijgedragen aan de boetes. Aldus heeft het hof miskend dat de draagkracht van partijen (met betrekking tot de boeteoplegging) niet rechtens relevant is bij de toepassing van art. 6:10 BW en de beoordeling of en in welke mate de boete Bencis aangaat in haar verhouding tot Meneba (Dossche). Althans betreft het niet meer dan een in aanmerking te nemen gezichtspunt, dat moet worden beoordeeld tezamen met alle andere relevante omstandigheden van het geval, waaronder met name de onderlinge verhouding van de beboete partijen en hun daadwerkelijke bijdrage in de mededingingsrechtelijke inbreuk makende gedragingen. Vgl. subonderdelen 3.1 en 3.2.1.
3.2.3
Bij de beoordeling van de draagkracht van Bencis en Meneba heeft het hof in rov. 6.9 en 6.11 bovendien blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onvoldoende gemotiveerd oordeel gegeven, door het wettelijk boetemaximum van 10% van de omzet als uitgangspunt te nemen en, met name blijkens rov. 6.11, voorbij te gaan aan de stellingen van Bencis dat de werkelijke draagkracht van Meneba groter is en dat de financiële positie van Meneba na de boeteoplegging is verbeterd.14.
- (a)
Het hof heeft aldus miskend dat het boetemaximum van art. 57 lid 1 Mw (oud) (en de daarop gebaseerde Nma Boetecode 2007) naar aard en strekking geen indicatie of benadering vormt van de draagkracht van een beboete partij, laat staan van de draagkracht van een beboete rechtspersoon in de verhouding tot een andere eveneens beboete rechtspersoon.15. Bij de boeteoplegging is voor de ACM ook niet relevant wat de interne verhouding tussen de verschillende bij een onderneming betrokken (rechts)personen is en de ACM heeft geen bevoegdheid om die interne verhouding vast te stellen.16. Daar komt bij dat de draagkracht van een onderneming of (rechts)persoon afhankelijk is van méér dan enkel diens omzet gedurende een bepaalde periode, zoals financiële reserves en eventuele financieringsmogelijkheden.
- (b)
Voor zover het hof dit alles niet heeft miskend, valt om voormelde redenen zonder nadere motivering in ieder geval niet in te zien dat het wettelijk boetemaximum van 10% van de omzet in casu wél indicatief of een ‘geschikt ijkpunt’ voor de draagkracht van Meneba en Bencis zou zijn. Zonder nadere motivering valt evenmin in te zien dat de ‘wijze waarop het totaal van de twee boetes door de ACM over Bencis en Meneba is verdeeld, niet onredelijk’ zou zijn jegens Bencis. Al het voorgaande klemt eens temeer, omdat Bencis, zoals het hof onderkent in rov. 6.11, heeft gesteld dat de werkelijke draagkracht van Meneba groter is en dat de financiële positie van Meneba sinds het opleggen van de boete is verbeterd. Verder heeft Bencis gesteld dat het ook overigens niet logisch en rechtvaardig is om de schadeverdeling/draagplicht van Dossche te maximeren op de aan hen opgelegde boete, onder meer omdat uit de boete niet blijkt van de individuele draagkracht van ieder van de Meneba-entiteiten en Dossche financiering kan aantrekken om te voldoen aan haar draagplicht/schadevergoedingsplicht.17. In dat kader heeft Bencis gesteld dat de multipliers die — vanwege de ernst van hun gedragingen en hun leidinggevende rol — ten grondslag liggen aan de aan Meneba opgelegde boete als gevolg van de mededingingsrechtelijke toerekening automatisch ook zijn toegepast bij de berekening van het bedrag de aan Bencis opgelegde boete.18. Het hof heeft deze stellingen niet in de beoordeling betrokken.
3.2.4
Het hof heeft zijn oordelen in rov. 6.10 dat Bencis zelf ook deel uitmaakte van de inbreukpleger, dat Bencis wél betrokken was bij de mededingingsinbreuk, dat Bencis en Meneba hierin niet verschillen en dat dit ‘geen reden kan zijn om te concluderen dat de inbreuk uitsluitend Meneba aangaat’, en dat Bencis als moedermaatschappij niet kan ‘stellen dat de inbreuk uitsluitend de dochter aangaat, alleen omdat zij een due diligence onderzoek heeft verricht en navraag heeft gedaan naar mogelijke wetsovertredingen’, gebaseerd op de omstandigheid dat Bencis en Meneba voor de toepassing van het mededingingsrecht onderdeel waren van dezelfde onderneming met als rechtsgevolg dat Bencis wordt geacht de mededingingsinbreuk mede zelf te hebben gepleegd. In zoverre heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting om de in subonderdeel 1.1 vermelde redenen.
Onderdeel 4 — Ongerechtvaardigde verrijking
4
Onderdeel 4 komt op tegen de afwijzing in rov. 6.9 t/m 6.11 van de vordering op de voet van art. 6:212 BW. Die afwijzing is gebaseerd op de oordelen in rov. 6.9 en 6.10, kort gezegd, dat Bencis en Meneba naar draagkracht hebben bijgedragen aan de boete, dat Bencis ‘wél betrokken [was] bij de inbreuk, omdat de inbreuk van de onderneming wordt toegerekend aan rechtspersonen die het beleid van de onderneming bepaalden’ en dat Bencis als moedermaatschappij met een beslissende invloed op het beleid van de inbreukmakende onderneming ‘niet [kan] stellen dat de inbreuk uitsluitend de dochter aangaat, alleen omdat zij een due dilligence onderzoek heeft verricht en navraag heeft gedaan naar mogelijke wetsovertredingen. Dat is onvoldoende reden om haar in de verhouding tot de dochter te ontslaan van een verantwoordelijkheid voor de inbreuk die zijn grondslag vindt in haar beslissende invloed op het beleid.’
4.1
De bestreden oordelen zijn reeds onbegrijpelijk althans geven reeds blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat daaruit niet eens valt op te maken dat het hof de — toepasselijke — maatstaf van art. 6:212 BW heeft aangelegd. In ieder geval valt uit de bestreden oordelen niet op te maken welk(e) vereiste(n) van art. 6:212 BW naar 's hofs oordeel niet zijn vervuld en waarom. Het hof laat na te concretiseren en specificeren of naar zijn oordeel Dossche (Meneba) niet is verrijkt, of Bencis niet is verarmd, of de verrijking niet ongerechtvaardigd is, of de verrijking niet ten koste van Bencis is gegaan, respectievelijk of een vergoedingsplicht niet redelijk zou zijn. Voor zover het hof de maatstaf van art. 6:212 BW niet heeft aangelegd, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In ieder geval zijn de bestreden oordelen onbegrijpelijk en niet tenminste zodanig gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken.19.
4.2
Voor zover het hof in rov. 6.9 t/m 6.11 bedoeld moge hebben (het is voor Bencis raden) dat de verrijking van Meneba — die eruit bestaat dat Meneba kosten heeft bespaard doordat Bencis een deel van de boete heeft betaald die in geval van een hoofdelijke boete (die achteraf gezien eigenlijk had moeten worden opgelegd20.) ten laste van Meneba zou zijn gekomen en hoger zou zijn geweest21. — niet ongerechtvaardigd is tegenover Bencis, geldt het volgende.
- (I.)
Het oordeel dat Meneba en Bencis beide naar draagkracht hebben bijgedragen aan de boetes, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting om de in subonderdelen 3.2.3 genoemde redenen. Daar komt bij dat de draagkracht van partijen rechtens losstaat van, en in ieder geval niet (zelfstandig) bepalend is voor, de beoordeling of de verrijking van Meneba zoals gesteld door Bencis ongerechtvaardigd is. Uit 's hofs oordeel dat beide naar draagkracht hebben bijgedragen, valt zonder nadere motivering dus nog niet te concluderen dat de verrijking van Meneba niet ongerechtvaardigd is.
- (II.)
Het bestreden oordeel berust mede op de in subonderdeel 1.1 bestreden oordelen dat, kort gezegd, Bencis voor de toepassing van het mededingingsrecht onderdeel vormt van dezelfde onderneming als Meneba en daarom geacht wordt ook zelf inbreuk te hebben gemaakt op het mededingingsrecht. Die mededingingsrechtelijke ‘toerekening’ kan om de in subonderdeel 1.1 vermelde redenen bij de toepassing van art. 6:212 BW niet, althans niet zonder meer, ertoe leiden dat in de interne verhouding tussen Bencis en Meneba de bedoelde verrijking van Meneba niet ongerechtvaardigd kan worden geacht. Dat geldt eens temeer in het licht van de stellingen van Bencis dat zij niet van de inbreuk op de hoogte was, dat de inbreuk voor haar verborgen werden gehouden, dat het zwaartepunt van de inbreukmakende gedragingen van Meneba begon in de periode vóórdat Bencis een indirect belang in Meneba kreeg, dat zij géén bijdrage aan de inbreuk heeft geleverd, dat zij voorafgaand aan de verkrijging van de aandelen in Meneba een due dilligence onderzoek had gedaan en/of dat zij (daarna) jaarlijks navraag deed bij Meneba of zij zich schuldig had gemaakt aan wetsovertredingen.22. Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft miskend dat deze stellingen rechtens relevant zijn voor de beoordeling van de ongerechtvaardigdheid van de verrijking van Meneba.
Eis tot cassatie
Bencis vordert dat de Hoge Raad het bestreden arrest vernietigt met hoofdelijke veroordeling van verweersters in cassatie in de kosten, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 31‑10‑2024
Vaste rechtspraak sinds HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34(Kleuterschool [A]). Vgl. HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:467, NJ 2019/157 en HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413, NJ 2021/295.
Dgv nr. 22 t/m 25, 35 t/m 43, CvR nr. 1 en 3 t/m 12, Akte na tussenvonnis § 2 en nr. 23 t/m 27, plta EA § a), Akte na nieuwe stellingen § 5.1 en 5.2, MvG nr. 2, 24 t/m 31, 41 t/m 50, § 3.3 en grief 5 en 6 en spreekaantekeningen HB nr. 35 t/m 37.
Ondanks het gegeven dat Bencis (indirect) beheerder was in het investedingsfonds dat de aandelen in Meneba hield, is Bencis in het Sanctiebesluit Bencis en in het besluit op het door Bencis tegen het Sanctiebesluit Bencis ingestelde bezwaar, ondanks uitdrukkelijk verweer hiertegen van Bencis, telkens gekwalificeerd als ‘aandeelhouder’ of ‘moedervennootschap’ van Meneba. Deze besluiten hebben standgehouden voor de rechtbank en het CBb. Bencis wordt daarom in haar procestukken in deze procedure ook aangeduid als (indirect) aandeelhouder. Zie ook: MvG, §2,1 en voetnoot 7.
Dgv nr. 46, 50 t/m 52, 60 t/m 63, CvR nr. 29 t/m 52, Akte na tussenvonnis § 3, MvG § 3.2.1 t/m 3.2.1.3, 3.2.4 en grief 1, 3 en 4 en spreekaantekeningen HB nr. 43 t/m 46.
Zie de vindplaatsen vermeld in voetnoot 4.
Vgl. o.a. HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491. Zie in dit verband m.n. Dgv nr. 46 t/m 51, CvR nr. 15, 16 en § 3.2 en 3.2.1 (m.n. nr. 29), Akte na tussenvonnis nr. 15 en MvG nr. 79 t/m 83.
Vgl. de vindplaatsen vermeld in voetnoot 2.
Vgl. o.a. HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281 (Duwbak Linda); HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7935, NJ 2009/485; HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9317, NJ 2008/491; HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6095, NJ 2011/465 (Hangmat); HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:162, NJ 2016/173 (Manegepaard Imagine).
Vgl. in samenhang met de vindplaatsen vermeld in voetnoot 4: CvR § 3.2 en 3.2.1, MvG § 3.2.1.2 in samenhang met nr. 83 en grief 2.
Vgl. de vindplaatsen vermeld in voetnoot 4.
CvR nr. 67 t/m 69 en MvG nr. 90, 116 t/m 118, 124, 125 en 127.
MvG, nr. 116 en 117.
Vgl. de vindplaatsen vermeld in voetnoot 2.
CvR nr. 119, Akte na nieuwe stellingen, nr. 82 t/m 87 en 88.
Vgl. o.a. Kamerstukken II, 1995–1996, 24 707, nr. 3, p. 88.
CvR nr. 95 t/m 97 en 113 t/m 117 en MvG nr. 119 t/m 126.
Akte na nieuwe stellingen nr. 85 t/m 90.
CvR nr. 96, plta EA, nr. 4; Akte na nieuwe stellingen nr. 85 en 86.
Vgl. HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 (Vredo/Veenhuis).
Vgl. rov. 3.4, 3.7 en 3.8.
Toen Meneba hoofdelijk werd beboet, is de boete niet tevens aan Bencis opgelegd. Was dat wel gebeurd, dan had ook de omzet van Bencis moeten worden betrokken in de berekening van de omzet van de relevante onderneming. Dit zou hebben geresulteerd in een hogere hoofdelijke boete voor Meneba. De enige reden dat Meneba niet (nogmaals) hoofdelijk was beboet met Bencis toen Bencis op een later moment alsnog werd beboet, is dat de boetebeschikking jegens Meneba reeds was vastgesteld en definitief was geworden. Zie CvR nr. 8 en 67 t/m 69, 74, 75, 117 en 118, Akte na tussenvonnis nr. 31, MvG § 3.2.3 en nr. 119 t/m 121 en spreekaantekeningen HB nr. 47 en 48.
Vgl. de vindplaatsen vermeld in voetnoot 2.