Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.2.3:9.3.2.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.2.3
9.3.2.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609040:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Omdat bij de beoordeling of sprake is van een dga in de zin van art. 6 lid 6 Wet LB 1964 geen rekening wordt gehouden met de belangen die worden gehouden door de partner met wie de bestuurder ongehuwd samenwoont, of diens kinderen, is de bepaling niet neutraal ten aanzien van de samenlevingsvorm.
Er is evenmin sprake van rechtsvormneutraliteit. Uit de omschrijving van het begrip ‘dga’ in art. 6 lid 6 Wet LB 1964 blijkt uit het gebruik van de term ‘vennootschap’ dat met name is gedacht aan een aandelenvennootschap. Anders dan in de definitie van de ‘dga’ in art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965 is niet gekozen voor de term ‘lichaam’. Hierdoor geldt de uitsluiting van de inhoudingsplicht bijvoorbeeld niet voor dga’s met een belang in een coöperatie of een open CV.
In paragraaf 9.3.1 is opgemerkt dat er geen uniformiteit bestaat ten aanzien van het dga-begrip in de loonbelasting. Ik realiseer mij dat het begrip ‘dga’ in art. 6 lid 6 Wet LB 1964 een facilitaire functie heeft, en het dga-begrip in art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965 een antiontgaansfunctie. Ondanks dit verschil in functies kan naar mijn mening worden volstaan met één dga-begrip. Naar mijn mening is het niet logisch om een dga alleen uit te zonderen van de inhoudingsplicht, indien deze een aandelenbelang van ten minste 50% heeft, terwijl een aandelenbezit van 5% al voldoende is om te worden geconfronteerd met de fictieve dienstbetrekking en de gebruikelijkloonregeling.