Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.2.3.6
3.2.3.6 Lege mantelbuizen
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS619751:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 112005/06, 29 834, nr. 12, p. 16.
Zie de omschrijving in artikel 1.1 sub z Tw die luidt dat kabels fysieke geleidingsdraden zijn bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten en de bij dezefrsieke geleidingsdraden behorende (cursivering Bi) ondergrondse ondersteuningswerken, beschermingswerken en signaalinrichtingen.
Zie artikel 1.1. sub z Tw.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 9, p. 4.
Kamerstukken 11 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 16.
In artikel 758 OB W, inzake het opstalrecht, werd ook de formulering 'op eens anders grond' gebruikt. Deze formulering is echter in het nieuwe BW niet teruggekomen. In artikel 5:101 BW (opstalrecht) is immers gekozen voor de formulering 'in, op of boven een onroerende zaak van een ander'. Het artikel spreekt juist van het ruime begrip 'onroerende zaak' want denkbaar is dat een leiding of ander werk zich op een gebouw bevindt, zie Stolker 2007 (T&C BW), art. 5:101 BW.
Noorduijn en Textor 2006, p. 229-230.
Een andere oplossing zou nog kunnen zijn dat het mogelijk wordt om netten in appartementsrechten te splitsen. Op deze mogelijke oplossing wordt in het hierna volgende hoofdstuk nader ingegaan (par. 6.1.2.6).
Beschermings- en ondersteuningswerken (waaronder: lege mantelbuizen) worden niet onder de omschrijving van een net in het BW geschaard. Evenwel worden artikel 5:20, tweede lid BW en de daarmee samenhangende bepalingen via artikel 5.17 Tw van overeenkomstige toepassing verklaard. Ook de eigendom van (een net van) lege mantelbuizen behoort daarom toe aan de bevoegde aanlegger ervan. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat zolang mantelbuizen leeg zijn deze buizen geen feitelijke en functionele eenheid vormen met het elektronische communicatienetwerk.1 Hieruit leid ik af dat warmeer een netbeheerder een nieuw telecomnet aanlegt met tevens alvast een net van lege mantelbuizen voor toekomstig gebruik, hij naast het telecomnet tevens de lege mantelbuizen dient in te schrijven wil hij zijn eigendomsrechten ten opzichte van de lege mantelbuizen tegen derden kunnen inroepen. Zodra de mantelbuizen worden gevuld, worden deze geacht2 onderdeel uit te maken van het al bestaande telecomnet. Het telecomnet trekt, als hoofdzaak, de mantelbuis, zodra deze wordt gevuld, na. Mantelbuizen zijn bedoeld om andere kabels of leidingen te beschermen en omvatten doorgaans meerdere kabels tegelijk. Het meervoudig gebruik van mantelbuizen wordt min of meer vergemakkelijkt door artikel 5.12 Tw. Op grond van voornoemd artikel zijn aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken over en weer verplicht te voldoen aan redelijke verzoeken tot het medegebruik van onder meer mantelbuizen. Artikel 5.15 Tw bepaalt dat hoofdstuk 5 van overeenkomstige toepassing is op aanleg, instandhouding en opruiming van ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken waarin of waarop geen fysieke geleidingsdraden zijn aangebracht (= onder meer lege mantelbuizen) en die aangelegd worden met het oogmerk deel uit te maken van een openbaar elektronische communicatienetwerk van degene in wiens naam wordt aangelegd of een derde. De bepaling betreffende het medegebruik van voorzieningen ziet dan ook op lege mantelbuizen. De volgende situaties kunnen zich nu voordoen:
Situatie 1: Leidingbeheerder A heeft in grond van anderen naast een telecomnet, tevens een lege mantelbuis laten aanleggen die bestemd is om over een bepaalde tijd onderdeel uit te maken van het reeds bestaande telecomnet. A laat naast het telecomnet, tevens de aanleg van de (lege) mantelbuis inschrijven in de openbare registers. Na circa vijf jaar vult A de mantelbuis met telecomleidingen die onderdeel uitmaken van het bestaande net. De mantelbuis van A verliest hierdoor zijn zelfstandigheid3 en is vanaf dat moment als een feitelijke en functionele eenheid met het (bestaande) telecomnet te beschouwen.
Situatie 2: Dezelfde situatie onder 1, maar in plaats van dat A zelf de mantelbuis vult krijgt hij circa vijf jaar na aanleg het verzoek van B tot medegebruik van de tot dan toe (nog steeds) lege mantelbuis. Omdat het verzoek redelijk is, stemt A in met het medegebruik van de mantelbuis door B. De kabel die in de mantelbuis van A wordt aangebracht gaat deel uitmaken van een telecomnet van B. B laat de nieuw aangebrachte kabel of de uitbreiding van zijn (bestaande) telecomnet inschrijven in de openbare registers. In deze situatie rijzen er direct vragen, zoals of de mantelbuis van A nog wel als een zelfstandige zaak is te beschouwen of is de mantelbuis inmiddels mede onderdeel gaan uitmaken van het telecomnet van B en is B mede-eigenaar van de mantelbuis op grond van bestanddeelvorming? Of is B volledig eigenaar van deze mantelbuis nu deze een feitelijke en functionele eenheid vormt met zijn (B' s) telecomnet? Dit laatste zou toch een zeer onbedoeld resultaat zijn van het medegebruik conform artikel 5.12 Tw? Of kunnen in deze situatie de mantelbuis van A en de leidingen van B die door de betreffende mantelbuis gelegd zijn en onderdeel uitmaken van het bestaande net van B als zelfstandige zaken beschouwd blijven worden? Een andere vraag in deze situatie is ook of wel is voldaan aan het bepaalde in artikel 5:20, tweede lid BW en dan vooral ten aanzien van de passage 'dat in, op of boven de grond van anderen is of wordt aangelegd'? Moet de mantelbuis in deze situatie gelijkgesteld worden met 'de grond'? De kabel van B gaat immers niet in de grond van A, maar in een mantelbuis van A. Waar ziet de doorbreking van de (verticale) natrekking ingevolge artikel 5:20, tweede lid BW in dit geval op? Ziet deze op de situatie tussen B en de grondeigenaar of is dit tussen B en A? Gelet op de achtergrond van de nieuwe regeling in artikel 5:20 BW zal de doorbreking van de (verticale) natrekking in eerste instantie zien op de eerste situatie (tussen B en de grondeigenaar), maar zou dit niet ook moeten zien op de situatie tussen B en A? In de toelichting op de tweede nota van wij ziging4 is wellicht het antwoord op deze vraag gegeven: 'Het heeft tevens tot gevolg dat kabels en leidingen die tot een net behoren en die in of aan gebouwen of werken van anderen zijn of worden aangelegd, eigendom blijven van de eigenaar van het net en geen bestanddeel worden van de gebouwen of werken van anderen.' In de nota naar aanleiding van het nader verslag bevestigt de minister dit nogmaals door te stellen dat het geen redelijk doel dient om de doorknip van de natrekking door de grond niet te laten gelden voor gebouwen of werken.5
Situatie 3: Dezelfde situatie onder 1. Nadat A zijn mantelbuis heeft gevuld, krijgt A een verzoek tot medegebruik van B. Omdat dit verzoek redelijk is wordt in de (al door A gevulde) mantelbuis tevens een stel leidingen van B gelegd. Deze leidingen gaan onderdeel uitmaken van het bestaande net van B. Wijzigt door dit medegebruik de status van de mantelbuis; met andere woorden vormt de mantelbuis nu ook een feitelijke en functionele eenheid met het telecomnet van B? Dit laatste lijkt mij niet mogelijk. Een bestanddeel kan immers geen onderdeel zijn van twee hoofdzaken. Wordt in deze situatie de mantelbuis van A dan 'weer' als een zelfstandige zaak beschouwd of is hier sprake van mede-eigendom van de mantelbuis door A en B? Of wijzigt er helemaal niets omdat de betreffende mantelbuis al gevuld was en het medegebruik van de mantelbuis geen wijziging in de eigendomssituatie aanbrengt (omdat dit ook niet de bedoeling of strekking is van artikel 5.12 Tw)?
Uit de parlementaire geschiedenis is niet af te leiden wat de antwoorden moeten zijn op de vragen die door situatie 2 en 3 in het leven worden geroepen. Wellicht zou het helpen om gelet op deze 'kabel-in-kabel' situatie (mantelbuizen, maar ook bijvoorbeeld oude rioolbuizen die gevuld worden met glasvezelkabels), het tweede lid van artikel 5:20 BW anders te formuleren en wel dat de eigendom van een net dat in, op of boven een onroerende zaak (in plaats van 'in, op of boven de grond') van anderen is of wordt aangelegd, toebehoort aan de bevoegde aanlegger ervan?6 De bevoegde aanlegger van een mantelbuis (in de grond van een ander), verwerft dan de eigendom van de betreffende mantelbuis (= doorbreking verticale natrekking), terwijl een bevoegde aanlegger van een kabel in de betreffende mantelbuis, die niét de aanlegger is van de mantelbuis, de eigendom verwerft van de (in de onroerende mantelbuis) aangelegde kabel (nb: en de kabel dus niet de mantelbuis natrekt). Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn om — in ieder geval voor mantelbuizen — de omschrijving in artikel 1.1, sub z Tw aan te passen. Volgens genoemd artikel maakt een mantelbuis (als beschermingswerk) deel uit van een elektronisch communicatienetwerk. Volgens Noorduijn en Textot7 is een dergelijk gevolg onwenselijk aangezien partijen in de telecommunicatiesector ervan uit lijken te gaan dat de eigenaar van de mantelbuis zijn eigendom niet verliest aan de eigenaar van de leiding (glasvezelkabel). Zij pleiten er dan ook voor om in dit geval toch de verkeersopvattingen bepalend te laten zijn voor de vraag wat onderdeel is van een net. Het inherente nadeel hiervan is een bepaalde mate van onzekerheid. Gelet op het feit dat een diversiteit aan situaties kan bestaan als het gaat om mantelbuizen én de wettelijke definitie in de Tw kennelijk niet de geldende verkeersopvatting hieromtrent zou bevatten, zou het toch te prefereren zijn om — in tegenstelling tot het standpunt van de minister — de verkeersopvattingen leidend te laten zijn bij bepaling van (de omvang van) het net. Voor mantelbuizen zou dit tot gevolg hebben dat deze hun zelfstandigheid behouden, ook al worden deze gevuld met kabels, waarbij het dan overigens niet uitmaakt of deze kabels toebehoren aan de aanlegger van de mantelbuizen of een derde partij.8