Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.5.2:6.5.2 Een objectiverende kwalificatie van ritueel slachten
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.5.2
6.5.2 Een objectiverende kwalificatie van ritueel slachten
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455195:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van de overwegingen van het EHRM kunnen we concluderen dat het EHRM ritueel slachten beschouwt als een essentieel onderdeel van de joodse godsdienst. Het kwalificeert deze rite expliciet als gedraging die valt binnen de reikwijdte van de vrijheid van godsdienst. Tegelijkertijd kunnen we uit het arrest afleiden dat volgens het EHRM ritueel slachten geen individueel recht is van gelovigen en kennelijk ook niet van kleine geloofsgemeenschappen. Om die reden vindt het EHRM het feit dat de Franse staat in het verleden een vergunningsstelsel in het leven heeft geroepen om rituele slacht te reguleren niet in strijd met de godsdienstvrijheid. Joodse rituele slacht lijkt volgens het EHRM in casu de slacht te zijn zoals die door de meerderheid van de joden in Frankrijk wordt begrepen en zoals die is georganiseerd in ACIP.1 We kunnen deze kwalificatie van het EHRM beschouwen als een objectiverende kwalificatie. Het EHRM objectiveert de joodse rituele slacht door alleen de wijze van slachten van de meerderheidsorganisatie ACIP als zodanig te kwalificeren. Het EHRM sluit ten aanzien van rituele slacht een individueel-subjectiverende kwalificatiewijze uit:
‘But the Court takes the view that the right to freedom of religion guaranteed by Article 9 of the Convention cannot extend to the right to take part in person in the performance of ritual slaughter and the subsequent certification process [...].’
Daarentegen lijkt het EHRM ten aanzien van het consumeren van ritueel geslacht vlees wel een meer individueel-subjectiverende kwalificatiewijze te hanteren. Volgens het EHRM hebben orthodoxe joden het recht om vlees te consumeren dat voldoet aan de religieuze eisen zoals zij die voor zichzelf hebben gesteld:
‘In the Court's opinion, there would be interference with the freedom to manifest one's religion only if the illegality of performing ritual slaughter made it impossible for ultra-orthodox Jews to eat meat from animals slaughtered in accordance with the religious prescriptions they considered applicable.’2