Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.3.4
IV.5.3.4 Ongeschreven zorgvuldigheidsnorm
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460437:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Denk hierbij bijvoorbeeld aan de eerdergenoemde milieuzorgplichten van artikel 1.1a Wm en 10.1 lid 1 Wm.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/45, waarin Sieburgh erop wijst dat de wetgever zich soms bedient van open normen die in feite niets anders doen dan de zorgvuldigheidsnorm nog eens in een afzonderlijke wetsbepaling neerleggen. Zie voorts Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 5.2.5; Hartlief e.a. 2018, p. 35.
Zie hieromtrent wat ik schrijf in par. IV.5.3.5.
‘Zorgplicht’ is echter meeromvattender dan alleen ongeschreven zorgplichten, want er kunnen ook zorgplichten voortvloeien uit rechten (bijvoorbeeld de positieve verplichting van Staten om EVRM-rechten van burgers te respecteren), of uit wetten (bijvoorbeeld de algemene milieuzorgplicht, artikel 1.1a Wm).
In het beroemde Lindenbaum-Cohen arrest werd voor het eerst onrechtmatigheid van een handeling vastgesteld op grond van het ongeschreven recht. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het verkopen van bedrijfsgeheimen een oneerlijke handelspraktijk vormt die in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919:AG1776, NJ 1919, p. 161, m.nt. Molengraaff (Lindenbaum/Cohen).
Bij beroepsaansprakelijkheid kunnen beroepsregels doorwerken in de maatschappelijke betamelijkheid, en wordt een bekwaam vakgenoot als maatman genomen. Zie o.a. Van Dunné 2019. Beroepsregels zouden ook een rol kunnen spelen bij de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Zo kunnen bijvoorbeeld zorgplichten voortvloeien uit richtlijnen die zijn opgesteld voor het drijven van een SEVESO-inrichting. Deze invulling van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen zal ik in later onderzoek verder uitdiepen.
Zie voor een overzichten met verschillende rubriceringen van de ongeschreven zorgvuldigheidsnormen o.a. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/55 e.v. en Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.2.
Er zijn auteurs die zelfs iedere ongeschreven zorgvuldigheidsnorm zien als een uitdrukking van de gevaarzettingsleer. Zie in deze zin bijvoorbeeld Hartlief 2019, p. 21, en Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.2-6.12.
HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136, m.nt. Scholten (Kelderluik). Zie hierover uitvoerig met verdere verwijzingen Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.3.9.
Zie in dit kader voorts Bauw, in: GS Onrechtmatige daad VIII.6.3.6.
Het begrip milieuschade licht ik toe in par. IV.5.6.
Over de problemen die de gevaarzettingsleer oplevert bij ex ante toepassing, zie Bleeker 2017, par. 4 en Bleeker 2018a, p. 9.
Dit laatste hangt ook samen met het relatieve karakter van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, waarvoor moet worden vastgesteld of er sprake is van een voorzienbare belangenaantasting van de eiser. Zie par. IV.5.5.3.
Volgens de heersende leer moet hinder worden geschaard onder het onrechtmatigheidscriterium ‘strijd met het ongeschreven recht’. Er zijn echter ook auteurs die hebben betoogd dat bij hinder sprake is van ‘inbreuk op een recht’. Zie bijvoorbeeld Jurgens 1975, p. 20-21. In het kader van dit hoofdstuk kan de discussie over de plaatsing van hinder in het midden blijven. Zie met verdere verwijzingen Asser/Sieburgh 6-IV 2019/49; Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 4.7.3.
Voor deze situatie bevat artikel 5:37 BW een burenrechtelijk specialis van het hinderverbod opgenomen. Voor de onrechtmatigheidstoets wijst dit artikel overigens door naar artikel 6:162 BW, waardoor ook deze vorm van hinder geschaard kan worden onder ‘strijd met het ongeschreven recht’.
Zie bijvoorbeeld HR 16 maart 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5308, NJ 1975/74, m.nt. Wachter (Stikke Trui).
Een ander voorbeeld betreft de overlast veroorzaakt door vliegtuigen. Zie bijvoorbeeld HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1058, NJ 2001/420, NJ 2001/420, m.nt. Koopmans (Geluidshinder luchthaven).
HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713, NJ 1989/743, m.nt. Schultsz & Nieuwenhuis (Kalimijnen).
Deze toets is ook afkomstig van HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713, NJ 1989/743, m.nt. Schultsz & Nieuwenhuis (Kalimijnen). De toets wordt herhaald in o.a. HR 15 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0150, NJ 1992/639 (Aalscholvers) en HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235, NJ 1991/476 (Overwaaiende onkruidzaden).
HR 28 februari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB6210, NJ 1975/423, m.nt. Prins (Parochiehuis Woerden) en HR 17 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2249, NJ 1998/656, m.nt. Bloembergen (Covra).
Een recent voorbeeld is een zaak waarin een gebod werd gevorderd om stankhinder te minderen en een schadevergoeding werd gevorderd van een varkenshouderij. De rechtbank overwoog dat de stankoverlast is meegewogen bij het vertrekken van de vergunning, en daarom niet onrechtmatig is. Rb. Oost-Brabant 17 maart 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1168, JOM 2020/190.
Zie HR 10 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AC1311, NJ 1972/278, m.nt. Scholten (Vermeulen/Lekkerkerker) en HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713, NJ 1989/743, m.nt. Schultsz, & Nieuwenhuis (Kalimijnen). Zie met meer voorbeelden en verdere verwijzingen Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 5.4.3; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/43.
HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, NJ 2017/265 (De Booij c.s./Van Deurzen), r.o. 3.3.2.
“Hiermee strookt het om aan te nemen dat niet het handelen zonder de vereiste vergunning als zodanig onrechtmatig is, maar dat voor onrechtmatigheid bovendien vereist is dat sprake is van zodanig handelen dat niet is voldaan aan de eisen voor het verkrijgen van een vergunning zoals die later is verleend.” HR 3 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8108, NJ 2001/108, m.nt. Bloembergen (ABS/Groenewegen), r.o. 3.5.1 Het handelen zonder de benodigde vergunning is dus niet altijd onrechtmatig jegens derden, maar vanzelfsprekend kan de bevoegde instantie wel handhavend optreden om de overtreding te beëindigen. Zie daaromtrent ook hoofdstuk III.
Zie o.a. Van Acht, in: GS Zakelijke rechten, art. 5:37 BW aant. 4; Asser/Sieburgh 6-IV 2019/49 e.v.; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/37-43; Jurgens 1975; Hartlief e.a. 2018, p. 56-58; Bauw & Brans 2003, par. 3.5.2; Bauw, in: GS Onrechtmatige daad VIII.6.3.3.2; Fleurke & Smeehuijzen 2018, p. 2236-2238.
Zie par. 5.3.2 onder B) voor een introductie van de IJzerdraad-criteria en een vertaalslag naar civielrechtelijke aansprakelijkheid. Zie voor een uitvoerige bespreking van deze criteria en meer voorbeelden uit het milieustrafrecht par. II.3.4. In dit kader merk ik opnieuw op dat onrechtmatig handelen op zichzelf onvoldoende is voor de gehoudenheid om een schadevergoeding te betalen.
Zie over de reflexwerking van wettelijke voorschriften voorts Smeehuijzen 2017, p. 353; Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 5.5.2 en aant. 5.1.5.
Wanneer de niet-normadressaat dit doet in samenwerking met de normadressaat, zal er – naast strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm – in principe ook sprake zijn van medeplegen en dus strijd met een wettelijke plicht. De ‘afgeleide’ zelfstandige ongeschreven zorgvuldigheidsnorm is daarom vooral van toegevoegde waarde wanneer de niet-normadressaat alleen handelt; hij vervult dan niet zelf alle bestanddelen, en de deelnemingsvormen kunnen ook niet leiden tot aansprakelijkheid.
Deze casus doet denken aan HR 8 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4306, NJ 1982/614, m.nt. Brunner (Natronloog) waarin ook sprake was van strijd met het ongeschreven recht toen een schoonmaakster een emmer met een voor haar onbekende vloeistof aanbood bij het huisvuil, waarbij een vuilnisman ernstig letsel opliep toen hij de vloeistof (natronloog) in zijn oog kreeg.
In de woorden van Van Dam: Ze kunnen worden gezien als ‘the fruit of the balancing process by the legislature between the freedom to act and the protection of interests’. Van Dam 2006, nr. 901.
Een mooie illustratie hiervan betreft de eerder aangehaalde Rb. Rotterdam 18 juli 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:6342. Nadat werd geconstateerd dat het ingeroepen wettelijke voorschrift niet is geadresseerd aan de gedaagde, oordeelde de rechter dat de eiser onvoldoende omstandigheden had gesteld en bewezen waarop een zelfstandige ongeschreven zorgvuldigheidsnorm kon worden gebaseerd.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.4.1.
De aard en ernst van bedrijfsmatige milieuovertredingen in Nederland komt aan bod in par. I.3.
Ik kan me voorstellen dat mijn pleidooi voor het toekennen van extra gewicht aan de milieurisico’s van bedrijven bij de vaststelling van de zorgplicht van leidinggevenden bij sommigen bezorgdheid oproept over excessieve aansprakelijkheid van leidinggevenden. Voor de gemoedsrust: de zorgplicht ziet alleen op de (on)rechtmatigheid van het handelen van de leidinggevenden, en voor aansprakelijkheid op grond 6:162 BW moeten ook nog andere horden worden genomen. Het schenden van de zorgplicht, leidt op zichzelf nog niet tot hoofdelijke aansprakelijkheid van de leidinggevende voor bedrijfsmatige milieuschade.
In deze richting wijst ook een overweging van de ondernemingskamer die is aangehaald in HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1586, NJ 2014/167, m.nt. Van Schilfgaarde (Fortis): “Naarmate op een (rechts)persoon (op een bepaald terrein) een zwaardere verantwoordelijkheid rust, zal hij ook scherper moeten opletten, opdat hem geen voor het voeren van een verantwoord beleid relevante feiten en omstandigheden ontgaan, en zal hij zijn besluitvorming – dan ook – moeten doen berusten op een zorgvuldige informatievoorziening, analyse en beoordeling. Dat betekent dat wat voor de één slechts een hindsight inzicht is, onder omstandigheden voor de ander tot op zekere hoogte foresight inzicht behoort te zijn. Het hiervoor genoemde maatschappelijk belang dat Fortis bij haar besluitvorming in aanmerking dient te nemen scherpt de norm voor hetgeen op dit punt van haar en haar organen in het kader van zorgvuldig bestuur en beheersing van risico’s kon worden verwacht, belangrijk aan. Hoewel de ondernemingskamer met deze overweging zich uitte over het risico van hindsight bias in een 2:345 BW-procedure, lijkt dit inzicht me ook relevant voor het formuleren van een (ongeschreven) zorgplicht in het kader artikel 6:162 lid 2 BW.”
Zie over het voorzorgsbeginsel Bauw, in: GS Onrechtmatige daad VIII.6.3.10. Zie over de normstelling in het kader van moderne risico’s Bleeker 2020c.
Hornman 2016, p. 88 e.v.
Hornman 2019, p. 269.
Hornman 2016, hoofdstuk III-IX, met een beknopte samenvatting van elke typologie op p. 110.
Hierbij gaat het respectievelijk om wat Hornman noemt een ‘simpele structuur’ (Hoofdstuk IV) en een ‘professionele bureaucratie’ (Hoofdstuk VIII).
Bijvoorbeeld, als een onderneming in zwaar weer verkeert is het zaak dat de bestuurder niet op zijn tenen hoeft te lopen bij het treffen van maatregelen om faillissement af te wenden. In dat licht is het begrijpelijk dat ingevolge de Beklamel norm de bestuurder pas persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor het aangaan van nieuwe verplichtingen namens de rechtspersoon, als hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade ten gevolge van die wanprestatie. Door het vereiste van (weliswaar geobjectiveerde) kennis van schuldeisersbenadeling ligt de drempel voor bestuurdersaansprakelijk betrekkelijk hoog en wordt de beleidsvrijheid van de bestuurder in een zinkend schip-scenario mijns inziens gewaarborgd. Zie par. IV.2.2.3 over de Beklamel-norm.
Zie par. IV.3.5.3 over de beleidsvrijheid van bestuurders.
Over de (on)wenselijkheid van het in generieke zin beschermen van bestuurders tegen persoonlijke aansprakelijkheid, zie voorts wat ik schrijf in par. IV.3.4.6.
In de literatuur ziet men al langere tijd aanknopingspunten in het Ondernemingsrecht voor de gedachte dat bestuurders zich bij hun taakuitoefening maatschappelijke belangen (al dan niet als onderdeel van een breder, vennootschappelijk belang) moeten aantrekken. Zie onder veel meer De Hoo & Olaerts 2011; Koster 2017, par. 2.4; Lambooy 2016; Eijsbouts & Kemp, p. 120-132; Lambooy 2010, m.n. hoofdstuk 2-5. Zie voorts de Corporate Governance Code 2009, Principes II.1 en III.1, te raadplegen op https://www.mccg.nl/download/?id=609. Recentelijk heeft een groep van 25 hoogleraren zelfs opgeroepen tot een wettelijke verankering van een maatschappelijke zorgplicht van bestuurders: Winter e.a. 2020. Zie het themanummer Ondernemingsrecht 2021, afl. 1 voor reacties op dit voorstel.
Westenbroek 2017, par. 3.7.5 en par. 10.8; Westenbroek 2018a/3.4; Westenbroek 2018c, m.n. par. 4.3-4.4.
Westenbroek 2021, par. 3.3-4.
Cf. Karapetian 2019, p. 163 die de maatschappelijke positie van bestuurders nuanceert.
Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.4.1.
Smeehuijzen 2017, p. 351.
In vergelijkbare zin Giesen 2005, p. 26; Fleurke & Smeehuijzen 2018, p. 2236; Tjong Tjin Tai 2019, p. 28. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het fundamentele Lindenbaum/Cohen-arrest: in dit arrest werd voor het eerst de onrechtmatigheid van een gedraging gebaseerd op het ongeschreven recht. Hier was geen sprake van een ‘gevaar’ of het uitblijven van voorzorgsmaatregelen zoals bij Kelderluik-situaties het geval is, maar van oneerlijke handelspraktijken door het verkopen van bedrijfsgeheimen. HR 31 januari 1919, ECLI:NL:HR:1919:AG1776, NJ 1919, p. 161, m.nt. Molengraaff (Lindenbaum/Cohen).
In deze zin ook Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.9; Smeehuijzen 2017, par. 6-7 en Asser/Sieburgh 6-IV 2019/57, die erop wijzen dat een rechter kan oordelen dat een bepaalde feitelijke handelwijze in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, op grond van een regel die nauw verbonden is aan het voorliggende geval waarbij die regel zelden pasklaar op een volgend geval kan worden toegepast. De auteurs noemen een aantal bronnen of aanknopingspunten die kunnen worden betrokken bij een contextgebonden belangenafweging.
Inleiding
Zoals gezegd zijn veel milieuverplichtingen van leidinggevenden vastgelegd in wettelijke voorschriften. Sommige wettelijke voorschriften zijn echter zo algemeen omschreven,1 dat deze te weinig richtinggevend zijn om in concreto vast te stellen of een leidinggevende onrechtmatig heeft gehandeld.2 Er zijn ook situaties denkbaar waarin een leidinggevende laakbaar milieuschade veroorzaakt, maar dat er toch geen (of net geen) sprake is van strijd met een wettelijke plicht. In zulke gevallen kan de derde onrechtmatigheidsgrond van artikel 6:162 lid 2 BW ‘strijd met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’ mogelijk uitkomst bieden. Deze onrechtmatigheidsgrond kan dienen als vangnet, maar het staat de eiser ook vrij om rechtstreeks een beroep te doen op het ongeschreven recht.3
De derde onrechtmatigheidsgrond van artikel 6:162 lid 2 BW kent veel verschillende aanduidingen. In plaats van een ‘doen of nalaten in strijd met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’ wordt meestal kortweg gesproken van strijd met een ‘ongeschreven zorgvuldigheidsnorm’, een ‘ongeschreven zorgvuldigheidsplicht’, ‘het ongeschreven recht’ of de ‘maatschappelijke betamelijkheid’, of nog korter: strijd met ‘de zorgvuldigheid’ of ‘een zorgplicht’,4 om maar een aantal aanduidingen te noemen.
Er zijn veel soorten ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Sommige hebben een algemene strekking, andere zijn juist bedoeld voor zeer specifieke situaties. Deze onrechtmatigheidsgrond kent dan ook zeer uiteenlopende toepassingen: van oneerlijke handelspraktijken5 tot sport- en spelsituaties; van beroepsaansprakelijkheid6 tot perspublicaties.7 Hierna ga ik in op een aantal verschijningsvormen van het ongeschreven recht die relevant zijn voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. Eerst bespreek ik twee bekende invullingen van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm met een zeer algemene strekking: de gevaarzettingsleer en hinder. Vervolgens ga ik in op de reflexwerking van wettelijke voorschriften. Daaropvolgend sta ik stil bij de mogelijkheid om een op de situatie toegesneden zorgvuldigheidsnorm te formuleren. In de volgende paragraaf (IV.5.3.5) beantwoord ik de vraag wanneer het raadzaam is om in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden een beroep te doen op de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm naast- of in plaats van de andere onrechtmatigheidsgronden.
Gevaarzetting
De bekendste ongeschreven zorgvuldigheidsplicht is zonder twijfel het verbod om gevaarzettend te handelen. De zogeheten gevaarzettingsleer heeft een zeer breed toepassingsbereik,8 en kan ook in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden een grondslag zijn voor onrechtmatigheid. De gevaarzettingsleer werd geïntroduceerd het Kelderluik-arrest.
In dit arrest speelde het volgende: Sjouwerman, een werknemer van Coca Cola liet bij het afleveren van frisdrank aan een café in Amsterdam het kelderluik openstaan. Het kelderluik bevond zich voor de ingang van de toiletten. Sjouwerman had het gat afgezet met drie kratten met lege flessen erin. Een ongelukkige cafébezoeker (die al een slokje op had) zag het kelderluik over het hoofd, viel in het gat en brak zijn been. De cafébezoeker vorderde een schadevergoeding van Coca Cola, voor wiens aansprakelijkheid moest worden vastgesteld of werknemer Sjouwerman onrechtmatig heeft gehandeld jegens de cafébezoeker. In cassatie heeft de Hoge Raad beoordeeld of Sjouwerman in strijd heeft gehandeld met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Uit het arrest kunnen voor deze beoordeling vijf gezichtspunten worden gedestilleerd, die thans bekend staan als de ‘Kelderluikcriteria’ of de ‘Kelderluik-factoren’: 1) de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid (bij het potentiële slachtoffer) kan worden verwacht; 2) aard en omvang van de gevreesde schade; 3) de waarschijnlijkheid dat deze schade zich als gevolg van bepaald gedrag zal voordoen; 4) de aard van de gedraging, en 5) de bezwaarlijkheid (voor de potentiële dader) in termen van kosten, tijd en moeite van het nemen van voorzorgsmaatregelen.9
De werking van de Kelderluik-toets kan worden vergeleken met die van een weegschaal. Op de ene schaal plaatst men de schade (waarbij aan bepaalde schadesoorten extra gewicht toekomt) vermenigvuldigd met de kans op het intreden van de schade, en op de andere schaal plaatst men de bezwaarlijkheid om voorzorgsmaatregelen te nemen. Als de balans doorslaat naar de schade dan is er sprake van gevaarzetting, en dan is het onrechtmatig om aanvullende voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van de schade achterwege te laten.
De gevaarzettingsleer speelt een belangrijke rol in het civiele milieuaansprakelijkheidsrecht,10 en kan ook worden gebruikt voor de aansprakelijkheid tot schadevergoeding van een leidinggevende wegens een milieuovertreding. Op basis van deze ongeschreven zorgvuldigheidsnorm handelt een leidinggevende onrechtmatig als hij een milieugevaarlijke situatie schept zonder daarbij de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen te treffen om derden voor milieuschade te behoeden.11 Bijvoorbeeld: het opslaan van brandbare stoffen is alleen toegestaan wanneer adequate voorzorgsmaatregelen worden getroffen om brand te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken, zoals het installeren van een sproeisysteem en brandwerende deuren. Ontbreken die maatregelen, dan is het opslaan van brandbare stoffen gevaarzettend en dus onrechtmatig. Zo zijn er nog veel andere milieurelevante zorgvuldigheidsplichten denkbaar die kunnen worden gebaseerd op de gevaarzettingsleer.
De kracht van de gevaarzettingsleer is tegelijkertijd een zwakte: door de algemene strekking en veelzijdigheid van de Kelderluik-criteria biedt de gevaarzettingsleer in sommige specifieke gevallen weinig houvast. Zo is het lastig om de Kelderluikweegschaal te bedienen wanneer er onzekerheid bestaat over de invloed van bepaalde voorzorgsmaatregelen (of de afwezigheid daarvan) op de ingetreden schade (of bij een preventieve actie: dreigende schade12). Daarbovenop levert de toepassing van de Kelderluik-criteria voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van personen met een leidinggevende functie binnen een bedrijf ook nog een specifieke uitdaging op: de toets bevat namelijk zelf geen aanknopingspunten voor het beantwoorden van de vraag of het ook daadwerkelijk de aangesproken leidinggevende is geweest wiens handelen (of nalaten) een gevaar heeft gecreëerd en of hij daarom gehouden is om aanvullende voorzorgsmaatregelen te treffen om het gevaar te voorkomen. Om te kunnen vaststellen dat een leidinggevende gevaarzettend heeft gehandeld of verantwoordelijk is voor een gevaarzettende situatie, zal dus in de omstandigheden van het geval moeten worden gezocht naar aanknopingspunten om dit gat te dichten.
Voor het dichten van dit gat kunnen de IJzerdraad-criteria mijns inziens behulpzaam zijn. De IJzerdraad-criteria kwamen eerder aan bod in paragraaf IV.5.3.2, en zien op de mogelijkheid om een gedraging aan een ander toe te rekenen. Toerekening van een gevaarzettende gedraging aan een leidinggevende is mogelijk als er sprake is van beschikkingsmacht over- en aanvaarding van die gedraging. De aanvaarding moet – gelet op de strekking van de Kelderluik-criteria – dan niet slechts zien op de gevaarzettende handeling, maar ook op de schadelijke gevolgen van die handeling.13 Voor de beschikkingsmacht moet dan worden vastgesteld welke voorzorgsmaatregelen zijn geboden om de voorzienbare schadelijke gevolgen van een gedraging of een proces binnen een bedrijf te voorkomen, dan kan vervolgens worden bezien wie binnen het bedrijf bevoegd is om de betreffende voorzorgsmaatregelen te treffen.
Hinder
Een andere bekende ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die een belangrijke plek heeft in het civiele milieuaansprakelijkheidsrecht, betreft het verbod om een ander overmatig te hinderen.14 Bij hinder kan onder meer worden gedacht aan het veroorzaken van geluid, gedreun, trillingen en het verspreiden van rook, roet, stof en schadelijke dampen, waardoor bij anderen onlustgevoelens worden opgewekt of (andere) schade wordt aangericht. Het kan hierbij gaan om overlast toegebracht door de eigenaar van een erf aan de eigenaar van een nabijgelegen erf.15 Ook andere personen dan de eigenaar van een erf kunnen een beroep doen op hinder: het toebrengen van overlast aan een huurder of gebruiker van een onroerende zaak kan evengoed onrechtmatig zijn.16 Ook is de eigendomsrelatie niet doorslaggevend om vast te stellen wie de hinder veroorzaakt. Bijvoorbeeld, iemand die op andermans erf een rokerig vuur stookt, kan overmatig overlast toebrengen aan de omwonenden.17 Ten slotte is niet vereist dat de oorzaak van de hinder nabijgelegen is: ook van grote afstand kan men hinderen. Zo werd in het Kalimijnen-arrest geoordeeld dat een Frans mijnbedrijf dat schadelijke stoffen (waaronder kalizouten) loosde op de Rijn, onrechtmatige hinder toebracht aan benedenstroomse Nederlandse tuinders die Rijnwater gebruikten om het land te besproeien.18 Niet alle hinder is onrechtmatig; er bestaat een zekere tolerantiegrens. Of de hinder zodanig is dat er sprake is van strijd met het ongeschreven recht, hangt af van aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval’, waarbij ook een belangenafweging een rol kan spelen.19
De meeste vormen van bedrijfsmatige hinder worden gereguleerd door vergunningsvoorschriften. Daarom speelt het beschikken (of juist het ontbreken) van een voor de hinder vereiste vergunning een belangrijke (doch geen doorslaggevende) rol in het onrechtmatigheidsoordeel. Wanneer een bedrijf een vergunning heeft voor de activiteit die hinder toebrengt aan derden, en de vergunningsvoorschriften worden nageleefd, dan bestaat een vermoeden dat de hinder moet worden geduld. De vergunninghouder mag er immers op vertrouwen dat hij het recht heeft van de vergunning gebruik te maken.20
De vergunning heeft echter geen absolute vrijwarende werking; onder omstandigheden kan een bedrijf dat de vergunning naleeft toch onrechtmatig handelen jegens derden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat het kort gezegd om de vraag of de bevoegde instantie bij het afgeven van de vergunning de belangen heeft betrokken die de rechter in de civiele zaak moet wegen. Als de geschade belangen in kwestie zijn verdisconteerd in de belangenafweging die bij de vergunningverlening is gemaakt, dan handelt de vergunninghouder niet onrechtmatig jegens de gehinderde.21 Zijn de belangen van de gehinderde over het hoofd gezien, dan kan de toegebrachte hinder toch onrechtmatig zijn.22 Als de aangesprokene (nog) niét beschikt over de voor de hinder vereiste vergunning, is de activiteit die hinder veroorzaakt niet per definitie onrechtmatig.23 Als ondanks het ontbreken van de vergunning de activiteit wel voldoet aan de eisen die door een vergunning zouden worden gesteld, dan is de activiteit in beginsel rechtmatig.24
In de (milieu)privaatrechtelijke literatuur zijn de gezichtspunten voor het vaststellen van onrechtmatige hinder en de vrijwarende werking verder uitgewerkt.25 In het kader van dit hoofdstuk volsta ik kortheidshalve met het aanwijzen van hinder als mogelijke grondslag voor de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende. Daarbij plaats ik wel de kanttekening dat voor een succesvol beroep op deze ongeschreven zorgvuldigheidsnorm moet worden vastgesteld dat de aangesproken leidinggevende de hinder veroorzaakt, of – in geval van nalaten – dat de hinder-veroorzakende gedraging aan de betreffende leidinggevende kan worden toegerekend. Net als bij gevaarzetting kan voor de toerekening van de oorzaak van hinder aan een leidinggevende mijns inziens inspiratie worden geput uit de IJzerdraad-criteria. Dan geldt dat een leidinggevende slechts onrechtmatig handelt wanneer hij beschikkingsmacht heeft over het al dan niet plaatsvinden van de onrechtmatige hinder aan derden, en de overlast die derden ervaren ook heeft aanvaard.26
Reflexwerking van wettelijke voorschriften
Bij het vaststellen van ‘hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’, kan ook inspiratie worden geput uit regelgeving die strikt genomen niet (of nog niet) van toepassing is op het voorliggende geschil. Er is dan sprake van de ‘reflexwerking van wettelijke voorschriften’.27 Bij reflexwerking handelt de aangesprokene niet in strijd met een wettelijke plicht, maar met een daarvan afgeleide, zelfstandige ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.
Op deze manier is het bijvoorbeeld mogelijk dat een leidinggevende een bestanddeel van een bepaald milieuvoorschrift (net) niet vervult, er toch sprake is van strijd met het ongeschreven recht. De omstandigheden van het geval maken dan dat een gedraging op grond van het ongeschreven recht kan worden aangemerkt als onrechtmatig, ondanks dat niet alle vereisten van het ingeroepen wettelijke voorschrift zijn vervuld.
Als een wettelijk voorschrift een kwalitatief bestanddeel bevat, dan kan alleen de normadressaat het voorschrift overtreden. De gedragsnorm uit dat voorschrift, kan via reflexwerking ook van betekenis zijn voor niet-normadressaten. Zo zijn vergunningsvoorschriften bijvoorbeeld geadresseerd aan de ‘degene die de inrichting drijft’. Maar een niet-normadressaat (bijvoorbeeld een uitvoerende werknemer met onvoldoende zeggenschap om als drijver te worden aangemerkt, of een leidinggevende die deeldrijver is van een ánder onderdeel van de inrichting) die moedwillig een vergunningsvoorschrift overtreedt, handelt in beginsel strijd met de maatschappelijke betamelijkheid en dus onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW.28
De reflexwerking van wettelijke voorschriften kan ook van betekenis zijn wanneer een leidinggevende een bestanddeel van de objectieve zijde van een wettelijk voorschrift niet vervult. Bijvoorbeeld, hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer reguleert het gebruik, de opslag en verwerking van afvalstoffen. Als zich een situatie voordoet waarin een aangesproken leidinggevende in strijd handelt met een bepaalde tot hem gerichte gedragsnorm die geldt krachtens hoofdstuk 10 Wm, maar niet is bewezen dat de stof in kwestie valt onder de definitie die artikel 1.1 lid 1 Wm geeft van afvalstoffen, dan is er dus geen sprake van onrechtmatigheid op grond van strijd met een wettelijke plicht. Echter, als de eiser kan aantonen dat de stof in kwestie – waarover discussie bestaat of deze kan worden aangemerkt als afvalstof – overlastgevend is, dan kan de combinatie van de gedragsnorm uit de Wet milieubeheer en gezichtspunten ontleend aan het leerstuk van hinder tezamen toch strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm opleveren.
Op dezelfde manier kan door middel van reflexwerking van wettelijke voorschriften een doleus milieudelict een niet-opzettelijke variant kennen in het ongeschreven recht. Neem bijvoorbeeld artikel 173a Sr, dat verbiedt om opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater te brengen waardoor een gevaar ontstaat voor de openbare gezondheid. Als een aangesproken leidinggevende een stof in het oppervlaktewater brengt waarvan hij niet weet dat deze gevaarlijk is voor de openbare gezondheid, dan ontbreekt de opzet die nodig is om het subjectieve bestanddeel van artikel 173a Sr te vervullen. Als er echter omstandigheden gesteld worden op basis waarvan de leidinggevende had moeten begrijpen dat de stof die in het oppervlaktewater wordt gebracht gevaarlijk is voor de gezondheid, dan kan er toch sprake zijn van strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, waarbij de jurisprudentie of de strekking van artikel 173a Sr kan worden gebruikt ter invulling van het ongeschreven recht.29
De voornoemde voorbeelden hebben betrekking op situaties waarin telkens net geen sprake is van strijd met een wettelijke plicht doordat één van de bestanddelen onvervuld blijft. Het is ook mogelijk dat de leidinggevende wel een wettelijke plicht heeft geschonden – dus alle bestanddelen van het wettelijke voorschrift vervult – maar dat het geschonden voorschrift niet strekt tot de bescherming van de belangen van de eiser. De aansprakelijkheid loopt dan vast op het nader te bespreken relativiteitsvereiste. In een dergelijke situatie kan door reflexwerking van het geschonden wettelijke voorschrift toch nog sprake zijn van strijd met een zelfstandige ongeschreven zorgvuldigheidsplicht jegens de benadeelde. Deze constructie staat bekend als de ‘correctie Langemeijer’, waarover in de paragraaf IV.5.5 meer.
Ten slotte wil ik nog benadrukken dat de reflexwerking van wettelijke voorschriften niet mag worden gebruikt als afsnijroute voor het vaststellen van een strijd met een wettelijke plicht. De inhoud en formulering van wettelijk voorschriften zijn het resultaat van een democratisch gelegitimeerde belangenafweging.30 Het uitgangspunt zou daarom moeten zijn dat als de vereisten die voortvloeien van een ingeroepen wettelijke voorschrift niet door de aangesprokene worden vervuld, of als het ingeroepen wettelijke voorschrift niet strekt tot de bescherming van de belangen van de eiser, er in beginsel geen sprake is van een onrechtmatige handeling jegens de eiser. De eiser mag niet naar believen bestanddelen van een wettelijk voorschrift wegstrepen, maar zal bij de reflexwerking van wettelijke voorschriften moeten beargumenteren waarom de omstandigheden van het concrete geval rechtvaardigen dat er toch sprake is van strijd met een aanverwante ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.31
Maatwerk
Hiervoor kwamen enkele soorten ongeschreven zorgvuldigheidsnormen aan bod. Bij elke zorgvuldigheidsnorm noemde ik een aantal gezichtspunten. De precieze inhoud van die ongeschreven zorgvuldigheidsnormen is echter niet vastomlijnd; kenmerkend aan deze onrechtmatigheidsgrond is immers zijn contextgebonden karakter. Dus anders dan bij wettelijke voorschriften – waarvan de formulering en vereisten op voorhand door de wetgever zijn vastgelegd – is bij ongeschreven zorgvuldigheidsnormen normstelling op maat mogelijk. Van geval tot geval, en op basis van de omstandigheden van het geval, moet worden vastgesteld wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.32
In het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, zijn er bepaalde omstandigheden die mijns inziens bijzondere aandacht verdienen bij de nadere invulling van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Ten eerste verdienen de aard en ernst van de risico’s die zijn verbonden aan de milieurelevante activiteiten van het bedrijf een centrale rol bij het vaststellen van een zorglicht van leidinggevenden. Het voorkomen en herstellen van schade aan het milieu is immers een van de centrale uitdagingen van deze tijd, en ook in Nederland staan de volksgezondheid, bodem-, water- en luchtkwaliteit en biodiversiteit onder druk. Het overgrote deel van de milieudruk in Nederland is afkomstig van bedrijven. Door de grote schaal waarop sommige bedrijven opereren en de risicovolle aard van sommige productieprocessen kunnen bedrijven – structureel of incidenteel, per ongeluk of welbewust – ernstige, soms zelfs onomkeerbare schade aanrichten aan het milieu. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de containerramp op de Waddenzee waardoor giftig organisch peroxide en eindeloos veel plastic in de Waddenzee is beland, met ernstige schade aan de leefomgeving, waterkwaliteit en biodiversiteit tot gevolg.33
Juist omdat achteloosheid ten aanzien van de milieurisico’s en kleine bedrijfsmatige ongelukken een grote impact kunnen hebben op het milieu,34 lijkt het me betamelijk dat de natuurlijke personen binnen het bedrijf die zeggenschap hebben over de milieurelevante activiteiten de risico’s zorgvuldig in kaart brengen en gehouden zijn de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen.35 Dit is mijns inziens niet alleen maatschappelijk betamelijk, maar deze gedachte is ook te herkennen in de bestudeerde milieuwetgeving, waarin zeggenschap leidt tot verantwoordelijkheid en voorzorg de norm is. Naarmate de milieugevolgen ernstiger worden en/of de risico’s onzekerder, dient het voorzorgsbeginsel een grotere rol te spelen bij het vaststellen van de zorgplicht van leidinggevenden.36
Ten tweede moet bij de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm acht worden geslagen op de aard en omvang van de organisatie. In zijn proefschrift stelt Hornman mijns inziens terecht dat het beeld van een bedrijf als een ‘Weberiaanse piramide’, waarbij de mensen in de top kennis hebben van- en zeggenschap hebben over al hetgeen zich afspeelt binnen het bedrijf, vaak niet strookt met de werkelijkheid.37 Hornman wijst erop dat ondernemingen er zijn in verschillende soorten en maten, reikend van zeer klein tot buitengewoon omvangrijk en met bedrijfsactiviteiten die kunnen variëren van relatief eenvoudig, voorspelbaar en overzichtelijk tot uiterst gecompliceerd, dynamisch en specialistisch. Dat betekent, in de woorden van Hornman, ‘dat van de ene leidinggevende mogelijk meer, maar bovenal iets anders kan worden verwacht dan van de ander’.38 Daarom kan er in het kader van de onrechtmatigheidsvraag niet telkens één en dezelfde maatman worden gebruikt voor de aansprakelijkheid van een bepaald type leidinggevende; voor het vinden van de juiste maatman en zo het vaststellen van een passende zorgplicht, is enige kennis van de kenmerken van verschillende organisatiestructuren nodig.
Op basis van de organisatietypologieën van Mintzberg onderscheidt Hornman een aantal verschillende ondernemingstypen.39 Iedere typologie bestaat uit een coherente set aan karaktereigenschappen op basis waarvan een holistisch organisatiebeeld ontstaat waaraan een gedragsverwachtingspatroon kan worden ontleend. Bij een eenvoudig en hiërarchisch ingerichte onderneming (bijvoorbeeld een klein agrarisch bedrijf ), mag van de leidinggevende meer verwacht worden van de leidinggevende dan van degene die leiding geeft aan een onderneming met autonoom opererende, gespecialiseerde professionals waarbij de ruimte voor controle beperkt is en er op inhoud weinig informatie-uitwisseling is met management (bijvoorbeeld een ziekenhuis).40 Hornman gebruikte de verschillende organisatietypologieën om grip te krijgen op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden, maar zijn model is mijns inziens ook zeer nuttig in het kader van de privaatrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden. Met kennis van de kenmerken van verschillende organisatievormen van ondernemingen, kan een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm worden geformuleerd die recht doet aan de omstandigheden van het geval waarbij niet meer of minder van een leidinggevende wordt gevraagd dan in redelijkheid van iemand in zijn positie binnen een dergelijke organisatie kan worden gevergd. Het strekt te ver om in het kader van dit promotieonderzoek iedere organisatietypologie nader uit te werken, maar rechtsbeoefenaren die in een concreet geval een zorgplicht voor een leidinggevende moeten formuleren, kunnen inzichten en argumentatie ontlenen aan de verwachtingspatronen voor leidinggevenden van verschillende soorten ondernemingen die Hornman uitwerkt in zijn proefschrift.
Een derde en laatste omstandigheid die mijns inziens bijzondere aandacht verdient bij het formuleren van een zorgplicht in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, is de positie van de leidinggevende binnen het bedrijf. Immers is de ene soort leidinggevende de andere niet. Bijvoorbeeld, van een HSE-medewerker mag gespecialiseerde kennis met betrekking tot de milieurisico’s van de bedrijfsactiviteiten worden verwacht, en dat hij in het kader van zijn taakvervulling erop toeziet dat de activiteiten op verantwoorde wijze worden verricht. Daarentegen zal een HSE-medewerker niet altijd de beschikkingsmacht hebben die nodig is om een milieuovertreding te voorkomen of beëindigen. Bij het vervullen van zijn taak kan daarom met name zorg worden betracht ten aanzien van monitoring en advisering op milieugebied. Vergelijk dat met de positie van het bestuur van een rechtspersoon. Van een bestuurder kan niet dezelfde kennis of waakzaamheid worden gevergd met betrekking tot de milieuimpact van het bedrijf als van een HSE-medewerker, omdat hij niet beschikt over dezelfde specialistische kennis en bovendien nog tal van andere verantwoordelijkheden heeft. Daarentegen mag wel van bestuurders worden verwacht dat ze zorgdragen voor adequaat toezicht op de milieuimpact van het bedrijf, en dat ze actie ondernemen wanneer zij worden geïnformeerd over problemen die spelen. De zorgplicht van een bestuurder heeft daarmee een ander karakter dan die van een HSE-medewerker.
Bestuurders kunnen onderling taken en verantwoordelijkheden verdelen, waardoor de zorgplicht ten aanzien van de milieurelevante activiteiten niet voor iedere bestuurder dezelfde inhoud zal hebben. De taakverdeling ‘kleurt’ bijvoorbeeld de beschikkingsmacht die een specifieke bestuurder heeft ten aanzien van een bepaalde milieurelevante activiteit, en de zorg die in redelijkheid van de bestuurder kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van een normschending. Een milieuovertreding zal daarom soms wel aan de ene, maar niet aan de andere bestuurder kunnen worden toegerekend. Overigens is een taakverdeling nooit volledig disculperend: uit de wettelijke taakomschrijving van bestuurders en de bestuurdersaansprakelijkheidsregeling van artikel 2:9 BW volgt dat de algemene gang van zaken uiteindelijk een collectieve verantwoordelijkheid is van bestuurders.
Bestuurders hebben een ondernemersfunctie en mogen daarom tot op zekere hoogte risico’s nemen ter behartiging van het vennootschappelijke belang. Bij het formuleren van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm moet acht worden geslagen op de beleidsvrijheid die een bestuurder toekomt bij het ondernemen.41 Hierbij wil ik de kanttekening plaatsen dat die beleidsruimte voor bestuurders in milieucontext vrij beperkt is. De milieuimpact van bedrijven is streng gereguleerd, dus het nemen van milieurisico’s in het vennootschappelijke belang kan slechts voor zover de vergunningsvoorschriften en andere milieuregels die risico’s toestaan.42 Nog los daarvan zou het nemen van grote milieurisico’s en het afwentelen van eventuele milieuschade op derden onwenselijk zijn43 en niet passen bij de maatschappelijke verantwoordelijkheid die in toenemende mate aan bestuurders wordt toegedicht.44
Westenbroek stelt dat een bestuurder van een rechtspersoon zelfs een maatschappelijke positie bekleedt waarbij hij een bewakers- of bewaarnemersrol vervult ten opzichte van de hem toevertrouwde, bij de rechtspersoon betrokken belangen.45 Vanuit die rol zou de bestuurder zich ook de milieubelangen van derden moeten aantrekken bij zijn taakvervulling.46 Over de vraag hoe ver de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bestuurders precies strekt is discussie mogelijk.47 Maar gelet op de (wettelijke) milieuverplichtingen die rusten op bestuurders en gelet op de maatschappelijke verwachtingen die in redelijkheid kunnen worden gesteld aan bestuurders ten aanzien van het beheersen van de milieuimpact van de onderneming die ze besturen, lijkt het me bij het formuleren van een ongeschreven zorgvuldigheidsplicht van belang om voor ogen te houden dat de ondernemersfunctie van bestuurders geen vrijbrief is voor onachtzaamheid naar het milieu.
Samengevat: ik heb erop gewezen dat bij de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met het ongeschreven recht’ maatwerk mogelijk is, en ik heb drie omstandigheden genoemd die mijns inziens de bijzondere aandacht verdienen bij de nadere invulling van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden: 1) de aard van de milieurisico’s die zijn verbonden aan de bedrijfsactiviteiten, 2) de aard, omvang en complexiteit van de onderneming, en 3) de positie van de leidinggevende binnen de onderneming.
Een op-het-geval-toegesneden ongeschreven zorgvuldigheidsnorm
Het is van belang om er nog op te wijzen dat het overzicht dat ik heb gegeven van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen (die al naar gelang de context nader kunnen worden ingevuld) nog niet compleet is. Dat kan ook niet. Ongeschreven zorgvuldigheidsnormen vloeien immers voort uit het ongeschreven recht, en daarom zijn de mogelijkheden eindeloos.48 In de literatuur wordt de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm soms vereenzelvigd met de gevaarzettingsleer, waarbij de Kelderluikfactoren worden gehanteerd als een soort algemene invulling van de maatschappelijke betamelijkheid. Smeehuijzen spreekt hier mijns inziens terecht van een misverstand.49 De gevaarzettingsleer, hoewel zeer flexibel, veelzijdig en (daarom?) zeer populair, is uiteindelijk ook maar één van vele denkbare ongeschreven zorgvuldigheidsnormen. Er zijn ook andersoortige ongeschreven zorgvuldigheidsnormen die zijn bedoeld voor heel andere situaties dan die waarin een gevaar voor personen of andermans zaken in het leven wordt geroepen, en die daarom ook vragen om andersoortige gezichtspunten.50
Soms spreken de feiten voor zich, en blijken de bestaande kaders te knellen of af te leiden van de kern van de zaak. Daarom wil ik deze paragraaf afsluiten met de opmerking dat voor het vaststellen van ‘hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’, het gelet op de aard van deze onrechtmatigheidsgrond niet nodig is om binnen de lijntjes te kleuren van bestaande zorgvuldigheidsnormen: ook in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden kan in zeer specifieke gevallen een op-het-geval-toegesneden ongeschreven zorgvuldigheidsnorm worden geformuleerd.51