Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.2.7.4
4.2.7.4 Contractuele gedragsnormen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369709:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De redenen om een dergelijke overeenkomst aan te gaan – en bijvoorbeeld niet te kiezen voor een statutaire regeling – verschillen, maar zijn voor dit onderzoek niet relevant. Waar het om gaat, is dat dergelijke overeenkomsten van invloed zijn op de gang van zaken binnen de organen van de rechtspersoon en daarmee op de rechtspersoon zelf.
Van Veen (2011, p. 133) noemt bijvoorbeeld de Leidse dissertatie van Petit uit 1920.
Het is in het kader van dit onderzoek niet nodig om uitvoerig stil te staan bij deze discussie.
Zie bijvoorbeeld Timmerman 1991, Van Schilfgaarde 2002, Blanco Fernandez 2005, Van Veen 2011, Handboek 2013, nr. 217, Compendium 2013, par. 45.3 en Asser/Maeijer, Van Solinge en Nieuwe Weme 2-II*, nr. 384.
De hierboven genoemde gedragsnormen hebben gemeen dat ze van rechtspersoonrechtelijke aard zijn. Het komt echter ook voor dat bestuurders, commissarissen en aandeelhouders zich in een overeenkomst binden aan bepaalde gedragsnormen.1
Over de rechtsgeldigheid van dergelijke overeenkomsten is in de literatuur van oudsher2 het nodige te doen geweest.3 In deze discussie staan steeds de dogmatici (die vrezen dat dergelijke overeenkomsten afbreuk doen aan het stelsel van de wet en daarin opgenomen verplichtingen) tegenover pragmatici (die wijzen op de behoefte van de praktijk).
Ten eerste geldt dat het bestaan van een contractuele verplichting bestuurders, commissarissen en aandeelhouders niet ontslaat van bovengenoemde (veelal dwingendrechtelijke) gedragsnormen. Een bestuurder die zich verbindt tot een prestatie, die niet in het belang is van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming, moet kiezen tussen een behoorlijke nakoming van zijn bestuurstaak en de desbetreffende overeenkomst. Het aangaan van een dergelijke overeenkomst lijkt mij niet verenigbaar met een behoorlijke taakvervulling als bestuurder.
Een tweede (deels met het eerste samenhangende) punt is dat dergelijke overeenkomsten niet altijd niet rechtsgeldig en afdwingbaar zijn.4 De rechtsgeldigheid en afdwingbaarheid hangen samen met vragen omtrent partijautonomie, wetsontduiking, doel- en strekking van de toepasselijke vennootschapsrechtelijke bepalingen en de doorwerking van het belang van de vennootschap in contractuele leerstukken zoals de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW en overmacht.