Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.2.7.2
4.2.7.2 Algemene gedragsnormen, eigen belang en stakeholdersmodel
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364818:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 2:8 lid 1 BW.
Art. 2:92/201 lid 2 BW. Zie ook A. Doorman, ‘Het buigzame gelijkheidsbeginsel’,Ondernemingsrecht 2002/7.
Zie hierover bijvoorbeeld par. 8.3.2.4 en 9.2.1.5.
Zie par. 2.2.4 en 2.4.2.
Art. 2:229/239 lid 5 BW en art. 2:140/250 lid 2 BW.
HR 4 april 2014, NJ 2014, 286 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/290 m.nt. De Haan (Cancun).
Vgl. Handboek 2013, nr. 217.1 en De Jongh 2011.
HR 30 juni 1944, NJ 1944, 45 (Wennex), HR 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Distilleerderij Melchers) en HR 19 februari 1960, NJ 1960, 473 (Aurora). Vgl. Van Schilfgaarde, die in randnummer 6 en 8 in zijn noot bij HR 4 april 2014, NJ 2014, 286 (Cancun) bepleit dat het idee dat een aandeelhouder het recht heeft om (uitsluitend) zijn eigen belang in de vennootschap te dienen achterhaald zou zijn en de aandeelhouder meer verantwoordelijkheid voor het beleid en de gang van zaken toedicht.
Zie voor een overzicht van de verschillende visies op het belang van de vennootschap M.M. Mendel en W.J. Oostwouder, ‘Het vennootschappelijk belang na recente uitspraken van de Hoge Raad’, NJB 2013/1776.
Het valt buiten het bestek van dit onderzoek om deze problematiek door te exerceren.
Vgl. Kamerstukken 31058, nr. 3 (MvT), p. 3 en Nowak en Van Duuren, p. 305.
HR 26 oktober 1984, NJ 1985, 375 m.nt. Maeijer (Sjardin/Sjartec) en Hof Amsterdam (OK) 12 januari 2010, JOR 2010/61 m.nt. De Bres (AHAM).
Zie Hof Amsterdam (OK) 20 november 1997, NJ 1998, 392, JOR 1998/26A m.nt. Van den Ingh (Hooymans). Zie ook par. 16.4.1.2.
Bij het uitoefenen van hun bevoegdheden zijn de organen (en hun leden) gebonden aan bepaalde wettelijke richtlijnen. Alle organen (en hun leden) dienen bij de uitoefening van hun bevoegdheden zich jegens elkaar te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.1 Een uitvloeisel daarvan is dat aandeelhouders in gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden.2 Op de redelijkheid en billijkheid wordt specifiek ingegaan in par. 4.5.
Daarnaast geldt voor alle organen (en hun leden) dat hun handelen er niet toe mag leiden dat sprake is van wanbeleid door de rechtspersoon.3 Wanbeleid lijkt echter een verzamelbegrip te zijn waarin alle binnen het kader van de rechtspersoon geldende gedragsnormen samenkomen.4
Voor bestuur en commissarissen geldt bovendien dat zij zich bij de uitoefening van bevoegdheden moeten richten op het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming.5 Dit betekent onder meer dat zij deze bevoegdheden niet hebben gekregen om hun eigen belangen te dienen. Zij hebben een dienende rol.
Door de verplichting dat bestuurders en commissarissen zich ook op de belangen van de onderneming moeten richten, wordt mede tot uitdrukking gebracht dat zij niet alleen de belangen van de aandeelhouders, medebestuurders en commissarissen in acht moeten nemen, maar ook de belangen van alle overige stakeholders, zoals de werknemers en crediteuren. Van Schilfgaarde leidt uit de Cancun-beschikking6 af dat deze verplichting van het bestuur voorgaat. In de eerste plaats moeten bestuurders en commissarissen zich richten op het belang van de vennootschap. Indien daartoe aanleiding bestaat moet vervolgens worden gekeken in hoeverre ruimte is voor nuancering van de uitkomst op basis van art. 2:8 BW, aldus Van Schilfgaarde. Deze gedragsnorm leidt ertoe dat (het bestuur van) de rechtspersoon zich in zijn gedrag mede laat leiden door de belangen van deze stakeholders. Dat is een uiting van het zogeheten stakeholdersmodel dat als één van de pijlers van het Nederlandse vennootschapsrecht wordt gezien. Ook de ondernemingskamer richt zich in het kader van de enquéteprocedure op het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Als deze belangen ondergesneeuwd dreigen te raken, is dat een reden tot ingrijpen door de ondernemingskamer (en de gewone civiele rechter).
Aandeelhouders mogen zich bij de uitoefening van hun bevoegdheden meer richten op hun eigen belang.7 De mate waarin zij dit mogen, is niet duidelijk in de wet omschreven. Enerzijds geldt dat het stemrecht niet met het oog op de belangen van anderen aan de aandeelhouders is gegeven. Het staat de aandeelhouder vrij om bij de uitoefening van zijn stemrecht zijn eigen belang in de vennootschap te dienen en wel op de wijze waarop hij dat zelf dienstig oordeelt.8 Anderzijds geldt dat aandeelhouders de redelijkheid en billijkheid in acht moeten nemen jegens de vennootschap, bestuurders, commissarissen en hun medeaandeelhouders (par. 4.5). Dat brengt mee dat zij indirect toch rekening moeten houden met de belangen van de overige stakeholders. Bijvoorbeeld: omdat aandeelhouders zich redelijk en billijk moeten gedragen jegens bestuurders, zullen zij aan hen een redelijke mate van ruimte moeten bieden om de bestuurstaak uit te oefenen en dus om rekening te houden met de belangen van bijvoorbeeld schuldeisers en werknemers. Daarnaast dienen aandeelhouders in voorkomende gevallen rekening te houden met het belang van de vennootschap, terwijl het belang van de vennootschap niet los gezien kan worden van het belang van haar stakeholders.9
Mijns inziens blinkt het recht op dit punt niet uit in helderheid.10 Duidelijk is echter dat aandeelhouders zich meer op hun eigen belangen mogen richten dan bestuurders en commissarissen.
In de praktijk is het niet altijd mogelijk om de hierboven genoemde hoedanigheden, belangen en bevoegdheden uit elkaar te houden. Deze lopen soms door elkaar, omdat partijen in verschillende hoedanigheden bij de vennootschap zijn betrokken.
Indien bijvoorbeeld een vennootschap geen werknemers heeft en de belangrijkste crediteuren ook aandeelhouder zijn, zal het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming in sterke mate samenvallen met het belang van de aandeelhouders/crediteuren.11
Tevens is denkbaar dat een (groot) deel van de aandelen wordt gehouden door de werknemers, of door een rechtspersoon die hun belangen vertegenwoordigt.
Daarnaast kan een bestuurder ook tegelijkertijd aandeelhouder zijn. In theorie is het dan mogelijk om een onderscheid te maken hoe deze persoon zich in welke hoedanigheid moet gedragen. In de praktijk is dat echter niet altijd gemakkelijk, zeker voor niet-juridisch geschoolden.
Dat geldt niet alleen voor degenen die zelf in verschillende hoedanigheden handelen, maar ook voor het behandelen van degenen die in verschillende hoedanigheden bij de vennootschap betrokken zijn. Zo kan er bij het ontslag een verschil bestaan tussen hoe een bestuurder/aandeelhouder als bestuurder en aandeelhouder moet worden bejegend. De (meerderheid in de) aandeelhoudersvergadering kan een bestuurder in beginsel te allen tijde ontslaan, bijvoorbeeld om de simpele reden dat men niet samen verder wil.12 Onder omstandigheden kan een dergelijk ontslag echter leiden tot een verplichting om de ontslagen bestuurder/aandeelhouder uit te kopen.13 In die gevallen zal de wijze waarop de aandeelhouder/bestuurder moet worden behandeld in zijn hoedanigheid van aandeelhouder de facto van (groot) belang zijn voor hoe hij als bestuurder wordt behandeld.