Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/6.5.1.1
6.5.1.1 Ondergeschiktheid
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955574:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Shapiro 2001, p. 119-150.
Zie HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [56]; Sikorski 2022, p. 56.
Ohly, GRUR 2021, afl. 2, p. 306.
De evenredigheidstoets kan nog wel enige betekenis hebben als de betreffende SEP-houder niet aangesloten is bij de standaard; zie par. 3.4.1.3.
Ohly & Stierle, GRUR 2021, afl. 10, p. 1231; Schacht, GRUR 2021, afl. 3, p. 444.
BT-Drs. 19/25821, p. 54.
Siebrasse e.a. 2019, Lemley & Shapiro, Tex. L. Rev. 2007, p. 2037.
Als de rechthebbende heeft bijgedragen aan deze kosten door verwachtingen te wekken bij de inbreukmaker over de verlening van een licentie, kan de rechter dit wel meenemen; zie par. 6.3.3.2.
Dijkman 2023, p. 195.
Zie echter: HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [72] (“HTC has already had more than 18 months since the launch of the German proceedings to source non-infringing alternative chips and re-design its phones”); LG München 13 juni 2019, 7 O 10261/18 (Steuerventil), rn. 67 (“Denn die Beklagtenseite weiß schon seit mindestens April 2018, mithin seit über einem Jahr, von der geltend gemachten Patentverletzung (CBH 17). Innerhalb dieser Zeit hätte sie bereits eine Umgehungslösung entwickeln können, was nach eigenen Angaben der Beklagtenseite ca. 12 Monate in Anspruch nehmen soll”).
Vanzelfsprekend kan de leverancier van het inbreukmakende onderdeel geen beroep doen op de onevenredigheid van een verbod; vgl. McGuire, GRUR 2021, afl. 6, p. 782.
In gelijke zin: BT-Drs. 19/25821, p. 55.
Stierle & Hofmann, GRUR Int. 2022, afl. 12, p. 10; Ohly & Stierle, GRUR 2021, afl. 10, p. 1231.
Meestal aangeduid als de Original Equipment Manufacturer; zie Dijkman 2023, p. 208.
Zie o.m. Van der Helm 2023, nr. 49; zie ook Rb. Den Haag 21 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:8955, BIE 2021/12 (Sisvel/Shenzen), rov. 4.13: “De vraag of met de verhandeling (in Nederland) van een bepaald product inbreuk wordt gemaakt op een octrooi, moet (…) in iedere procedure afzonderlijk worden beoordeeld. Anders dan een eventuele ongeldigverklaring van het octrooi, heeft een oordeel van geen inbreuk geen werking erga omnes, maar slechts inter partes”.
Ohly, GRUR 2019, afl. 2, p. 309.
Ohly & Stierle, GRUR 2021, afl. 10, p. 1237.
In gelijke zin: Benkard/Grabinski & Zülch 2023, rn. 32-32o. Zie ook Dijkman 2023, p. 208, die betoogt dat het verbod in deze gevallen kan worden afgewezen op grond van rechtsmisbruik. Naar mijn mening kan ook worden gedacht aan een carve-out voor inbreuken die betrekking hebben op levering aan de eindproducent die partij was bij de eerdere procedure.
Zie uitdrukkelijk art. 17 Modellenrichtlijn en art. 96 lid 2 GModVo. Zie ook: HvJ EU 20 december 2017, C-397/16, ECLI:EU:C:2017:992 (Acacia/Audi en Porsche): “Het begrip ‘onderdeel van een samengesteld voortbrengsel’ heeft betrekking op de vele bestanddelen die zijn bestemd om tot een samengesteld, op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp te worden samengevoegd en die kunnen worden vervangen zodat een dergelijk voorwerp uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet kan worden. Zonder die bestanddelen zou geen normaal gebruik van het samengestelde voortbrengsel mogelijk zijn” (rov. 65).
Art. 3.4 lid 1 sub aBVIE; HvJ EU 20 december 2017, C-397/16, ECLI:EU:C:2017:992, IER 2018/6 (Acacia/Audi en Porsche); HvJ EU 16 februari 2023, C-472/21, ECLI:EU:C:2023:105 (Monz/Büchel).
Dergelijke verbindingsstukken zijn immers veelal technisch bepaald; zie GC 2002, p. 14.
Zie ook: HvJ EU 20 december 2017, C-397/16, ECLI:EU:C:2017:992 (Acacia/Audi en Porsche), rov. 49-52.
Blok, IER 2016/18, afl. 2, p. 142.
HvJ EU 8 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:172 (Doceram); HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1043 (Capri Sun). Zie ook COM(93)342, p. 25. Op deze regel bestaat één uitzondering: wanneer het ingeroepen model betrekking heeft op een verbindingsstuk dat onderdeel is van een modulair systeem (art. 8 lid 3 GModVo en art. 3.4 lid 3 BVIE), is de techniekrestrictie niet van toepassing; zie Gerecht 24 maart 2021, T-515/19, ECI:EU:T:2021:155 (Lego/EUIPO & Delta Sport), rov. 69-80. Zie echter ook Ringnalda, BIE 2021, afl. 5, p. 255, die erop wijst dat deze uitleg moeilijk te verenigen is met het Doceram-arrest.
Par. 6.5.1.1 onder (ii).
Zie ook: Ringgold v. Black Entm’t Television, Inc., 126 F.3d 70, 74 (2d Cir. 1997) (de minimis in het auteursrecht); Maas & Santman, BIE 2007, afl. 4, p. 224-229 (de minimis in het octrooirecht).
Zie bijv. HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8456, NJ 2003/17 (Una Voce Particolare), rov. 3.3 (“mate van overeenstemming vereist die van een zodanige aard en omvang is dat, indien het bedoelde vermoeden niet wordt ontzenuwd, geoordeeld moet worden dat van een ongeoorloofde verveelvoudiging in auteursrechtelijke zin sprake is”). Zie ook de substantial similarity test uit de Verenigde Staten: Caffey v. Cook, 409 F. Supp. 2d 484, 501 (S.D.N.Y. 2006); Tufkenian Import/Export Ventures Inc. v. Einstein Moomjy, Inc., 338 F.3d 127, 131 (2d Cir. 2003).
A.A. Quaedvlieg, annotatie bij: Hof Amsterdam 15 mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1617 (Diwar/4Udesigned), BIE 2019/28, p. 347-348 (“wie uit een boek van 600 auteursrechtelijk beschermde pagina’s er één (vrijwel) volledig kopieert, pleegt zonder enige twijfel auteursrechtinbreuk. Dat is niet anders als die pagina wordt opgenomen in een ander boek met 599 pagina’s die verder volkomen verschillen, ook al is de totaalindruk van het overnemende”). Het auteursrecht kent overigens wel excepties voor citaten en incidentele verwerkingen van een werk als onderdeel van ondergeschikte betekenis van een ander werk; zie art. 5 lid 3 sub d en i Arl; art. 15a en 18a Aw.
Zie Maas & Santman, BIE 2007, afl. 4, p. 224-225 (in dit verband sprekend van een ‘kwalitatief de minimis-verweer’). Zie ook Embrex, Inc. v. Service Engineering Corp., 216 F.3d 1343, 1352-1353 (Fed. Cir. 2000) (“Since its inception, this court has not tolerated the notion that a little infringement – de minimis infringement – is acceptable infringement or not infringement at all”).
Rb. Den Haag (vzr.) 13 januari 2005, KG 04-1571, rov. 3.10; LG Düsseldorf 6 mei 1985, 4 O 310/84 (Grasherbizid) (“Ist der geschützte Stoff in einem durch Weiterverarbeitung gewonnenen Endprodukt unverändert enthalten, so verletzt auch das in Verkehrbringen des Endproduktes das Stoffpatent”). Een ander oordeel is denkbaar als deze ‘verontreiniging’ een ongewenst bijproduct is; zie Rb. Den Haag (vzr.) 15 juli 2005, KG ZA 05-667 (A&B/X&Y), rov. 3.16 (“geen sprake van een reële technische toepassing bij dergelijke sporen en aldus evenmin van inbreuk op stofconclusie”).
Verkade 2002, p. 6.
Art. 1 sub a Dw; art. 8 lid 1 Databankenrichtlijn. Zulke handelingen van ‘opvraging’ en ‘hergebruik’ kunnen bovendien alleen worden verboden wanneer het risico bestaat dat de substantiële investering niet kan worden terugverdiend; zie HvJ EU 3 juni 2021, C-762/19, ECLI:EU:C:2021:434 (CV Online/Melons), rov. 44 en 46.
Ov. 39-42 Databankenrichtlijn. Zie ook Quaedvlieg, BIE 1998, afl. 12, p. 405.
Ov. 40 Databankenrichtlijn.
Zie Verkade 2002, p. 6 (in dit verband sprekend van een ‘substantialiteitsregel’). Zie ook LG Hamburg 28 oktober 2011, 308 O 23/11; IPcom GmbH & Co Kg v Vodafone Group Plc & Ors [2020] EWHC 132 (Pat) [222] (“Finally I do not accept that just because the acts were performed on a small scale they are commercially insignificant, given the context. […] The same is less true of the other acts said to be de minimis, but I do not accept that they are such that Vodafone must be allowed to use somebody else’s invention with impunity (which is the end point of its argument, stripped of the Latin tag). The extent of relief to be granted may be another matter”).
Rb. Arnhem 21 september 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AU5454, AMI 2005, p. 204, IER 2005/84, m.nt. J.J.C. Kabel (Tellegen/Codemasters). Zie ook Gayle v. Home Box Office, Inc.,WL 2059657 (S.D.N.Y. 2018) (korte weergave van graffitiwerk in een televisieserie).
Gottlieb Development LLC v. Paramount Pictures Corp., 590 F. Supp. 2d 625 (S.D.N.Y. 2008).
Al geruime tijd geleden bracht Huydecoper deze problematiek in verbinding met de theorie van Verkade; J.L.R.A. Huydecoper, annotatie bij HvJ EU 6 juli 2010, C-428/08, ECLI:EU:C:2010:402 (Monsanto Technology), BIE 2010/68, p. 324.
Verkade 2002, p. 6 (in dit verband sprekend van een ‘substantialiteitsregel’).
Zie LG Hamburg 28 oktober 2011, 308 O 23/11. Zie ook LG Köln 21 oktober 2009, 28 O 635/09 (Thor Steinar) (gebruik van enkele afbeelding van een beeldmerk in een boek).
Napp Pharmaceutical Holdings Ltd v Dr Reddy’s Laboratories (UK) Ltd & Anor [2016] EWHC 1517 (Pat) [157-161].
Napp Pharmaceutical Holdings Ltd v Dr Reddy’s Laboratories (UK) Ltd & Anor [2016] EWHC 1517 (Pat) [170] (“Even if the level of infringement cannot be discounted as de minimis in such a case, I consider that an injunction would be both disproportionate and a barrier to legitimate trade. It would be disproportionate because the harm to the patentee from infringement on such a small scale would be indistinguishable from the harm caused by wholly non-infringing acts”).
Vgl. BT-Drs 19/25821, p. 54.
De rechter kan echter wel gewicht toekennen aan de omstandigheid dat, als gevolg van de omscholing van personeel, geen tussentijdse alternatieven beschikbaar zijn voor specifieke (groepen) patiënten; zie par. 6.5.2.2.
Die omstandigheid vormt op zichzelf uiteraard geen reden om van een verbod af te zien; vgl. Rb. Amsterdam 23 december 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9312 (Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting & KNAW), rov. 4.3-4.5.
Zie o.m. Rb. Amsterdam (vzr.) 3 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2418 (Boston Scientific/Cook), rov. 4.22 (verbod onevenredig vanwege wanverhouding tussen kosten training en korte levensduur van octrooi).
(i) Samengestelde voortbrengselen in het octrooirecht
In sectoren zoals telecommunicatie, IT en automotive is in zowel eindproducten als onderdelen een groot aantal octrooien aanwezig.1 Om een product succesvol op de markt te kunnen brengen, moeten er licentieovereenkomsten worden gesloten tussen verschillende partijen. Het is voor eindfabrikanten en verkopers echter niet altijd haalbaar om voor ieder onderdeel de relevante octrooien te identificeren en te controleren of daarvoor een geldige licentie is verkregen. Als de octrooihouder in een latere productiefase een verbodsvordering instelt, kan dit tot gevolg hebben dat de inbreukmaker effectief wordt uitgesloten van de productmarkt, met aanzienlijke financiële schade tot gevolg.2
Alternatieven. De beoordeling van ondergeschiktheid concentreert zich zoals gezegd op een vergelijking van de marktwaarde van de betreffende technologie en de totaalprijs van het product. De verschillende factoren die in dit verband een rol spelen zijn al uitgebreid aan bod gekomen. Ik richt mij hier daarom vooral op de vraag of er andere mogelijkheden bestaan dan een continuering van de inbreuk. Dit is niet het geval als er in de gegeven omstandigheden geen alternatieven bestaan voor een bepaalde technologie. Een prototype van een situatie waarin alternatieven ontbreken, doet zich voor bij gestandaardiseerde technologie.3 Omdat zulke gevallen hoofzakelijk worden gereguleerd door het mededingingsrecht, komen zij hier niet nader aan de orde.4 Denkbaar is verder dat de betreffende technologie onderdeel uitmaakt van een de facto standaard, of omwille van vergunnings- of veiligheidsvoorschriften niet (direct) kan worden gesubstitueerd.5 Ten slotte kan het noodzakelijke herontwerp door technische complexiteit of wettelijke vereisten enige tijd in beslag nemen.6
Er is evenmin sprake van een reëel alternatief als aan een overstap buitensporige kosten zijn verbonden. De overstapkosten zullen veelal bestaan uit de kosten van herontwerp of van een niet-inbreukmakend alternatief.7 Kosten die verband houden met de ontwikkeling en integratie van het inbreukmakende voortbrengsel (sunk costs) zijn in deze beoordeling geen relevante factoren. Zulke kosten staan immers los van de beschikbaarheid van alternatieven.8 Investeringen die betrekking hebben op de ontwikkeling en vervaardiging van niet-inbreukmakende elementen hoeven om die reden evenmin te worden meegenomen, al kunnen zulke kosten wel worden meegenomen bij de vaststelling van ondergeschiktheid.9 Bij de beoordeling van mogelijke alternatieven speelt ten slotte ook de goede trouw een rol. Zo is relevant of de inbreukmaker na vaststelling van de inbreuk inspanningen heeft verricht om zelf een alternatief of design-around te ontwikkelen.10 Dergelijke inspanningen kunnen in mijn ogen echter nog niet worden verwacht als er geen uitsluitsel is gegeven over de inbreukvraag.11
Aanwezigheid van derdenbelangen. Bij de productie en verkoop van een samengesteld voortbrengsel zijn doorgaans verschillende partijen betrokken.12 Volgens het eerder geformuleerde uitgangspunt is het feit dat zij door een verbod schade lijden op zichzelf geen reden voor een beperking van het verbod. Het exclusieve karakter van het octrooirecht impliceert immers dat het ook kan worden ingeroepen tegen derden.13 Een aanpassing of afwijzing van het verbod zal in beginsel dan ook alleen gerechtvaardigd zijn als toewijzing zou leiden tot beëindiging van rechtmatige bedrijfsactiviteiten van derden. Deze situatie verschilt niet wezenlijk van het geval waarin de overloopeffecten betrekking hebben op activiteiten van de gedaagde. In complexe, technologiedichte sectoren zullen deze belangen vaak door elkaar lopen. Het evenredigheidsbeginsel vergt in zulke gevallen een analyse van hun gezamenlijke belangen.14
Onevenredigheid in de productieketen. In de meeste gevallen zal de rechthebbende een verbodsvordering instellen tegen een leverancier of fabrikant van het eindproduct. Het kan daarbij gaan om producenten die onderdelen aanleveren voor de assemblage van een auto, maar ook om aanbieders van hardware en software.15 Het is niet ondenkbaar dat de rechthebbende, nadat de rechter in die procedure heeft besloten een aangepast verbod toe te wijzen, in een andere procedure een verbod vordert tegen de leverancier van het (sub)onderdeel. Dit is in beginsel mogelijk; het verbod werkt normaliter immers enkel tussen partijen (inter partes).16 Een aangepaste veroordeling in een eerdere procedure werkt dus niet automatisch door in de downstream keten. Een verbodsvordering tegen een leverancier kan tot gevolg hebben dat de fabrikant, ondanks een geslaagd beroep op de evenredigheidstoets, alsnog wordt geconfronteerd met een productiestop.17 Daarnaast zou de rechthebbende in theorie een dubbele licentievergoeding kunnen incasseren.18 Aangenomen moet worden dat ook de (sub)leverancier in een dergelijk geval een beroep kan doen op de evenredigheidstoets ten behoeve van de fabrikant.19
(ii) Samengestelde voortbrengselen in het auteurs- en modellenrecht
Hoewel de problematiek rondom complexe producten vooral aan de orde is gekomen in octrooirechtelijke literatuur, beperkt zij zich niet enkel tot dat rechtsgebied. Samengestelde voortbrengselen kunnen immers ook onderdelen bevatten die inbreuk maken op rechten die betrekking hebben op de uiterlijke vormgeving van een product, zoals auteursrechten, merkrechten en modelrechten.20 Denk hierbij bijvoorbeeld aan het gebruik van auto-onderdelen zoals roosters, bumpers, grills en velgen.
Opmerking verdient dat het modellenrecht expliciete regelingen bevat voor het gebruik van onderdelen in samengestelde voortbrengselen. Allereerst zijn technisch bepaalde voortbrengselen en noodzakelijk passende verbindingsstukken uitgesloten van modelrechtelijke bescherming.21 Voor dergelijke verbindingsstukken geldt wel dat zij zichtbaar moeten zijn bij normaal gebruik.22 Daarnaast voorziet het modellenrecht in een reparatieclausule die het vervangen van onderdelen van een product toestaat, zodat het complexe product in oorspronkelijke vorm kan worden hersteld.23 Voor deze bespreking zijn deze bepalingen echter van beperkt belang. Zo heeft de uitsluiting voor verbindingsstukken een beperkt bereik24 en is de reparatieclausule weliswaar ruim,25 maar alleen van toepassing op de vervangingsmarkt.
Zoals reeds besproken bestaat voor een aanpassing van het verbod in beginsel alleen ruimte wanneer de inbreuk betrekking heeft op een ondergeschikt vormgevingselement. Net als in de octrooicasus is de evenredigheidsbeoordeling toegespitst op het relatieve belang van het werk of model. Dit betekent dat de rechter moet beoordelen (i) of het werk of model ondergeschikt is aan dat van het product en (ii) of de inbreukmaker de beschikking heeft gehad over reële alternatieven. Een belangrijk verschil met het octrooirecht is dat de gedaagde vrijwel altijd een alternatieve vormgeving kan kiezen.26 Bij afwezigheid van ontwerpvrijheid kan immers in de regel geen auteurs- of modelrechtelijke bescherming worden ingeroepen.27 Dit betekent dat de beoordeling van reële alternatieven zich voornamelijk concentreert op de kosten van herontwerp of de overstap naar een alternatieve vormgeving. Deze beoordeling vindt plaats langs de hiervoor geschetste lijnen.28
(iii) Andere gevallen van ondergeschiktheid
Buiten de hiervoor besproken gevallen waarin de inbreuk betrekking heeft op een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel zijn er ook andere situaties denkbaar waarin een verbod overloopeffecten kan hebben. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de beschermde prestatie slechts in een klein gedeelte van het product wordt weerspiegeld. Deze kwestie speelt in het intellectuele-eigendomsrecht op verschillende manieren een rol.29 Allereerst kan een bepaald gebruik vanwege het triviale karakter ervan onvoldoende gelijkenis oproepen om te kunnen spreken van inbreuk.30 Als deze drempel eenmaal is genomen, biedt het materiële recht doorgaans geen ruimte voor een de minimis-verweer. Het auteursrecht beschermt bijvoorbeeld uitdrukkelijk tegen ongeoorloofde gehele en gedeeltelijke verveelvoudiging en bewerking, ongeacht of de overname in kwantitatieve of kwalitatieve zin ondergeschikt is.31 Ook in het octrooirecht levert het beperkte karakter van het gebruik in de regel geen valide inbreukverweer op.32 Illustratief is het geval waarin een product op de markt wordt gebracht dat sporen bevat van een beschermde stof. Als de productie van de stof onderdeel uitmaakt van het syntheseproces en de stof onveranderd aanwezig is in een eindproduct, levert dit over het algemeen inbreuk op.33
In tegenstelling tot de meeste intellectuele-eigendomsrechten bevat het sui generis databankenrecht een uitdrukkelijke bagatelregel.34 De producent van een databank kan niet verhinderen dat een kwalitatief of kwantitatief niet-substantieel deel van de inhoud van de databank wordt opgevraagd of hergebruikt.35 De ratio achter deze bescherming is dat een partij die substantiële investeringen in de samenstelling en werking van een databank doet in staat wordt gesteld de kosten daarvan terug te verdienen.36 Het begrip ‘substantiële investering’ moet niet alleen naar financiële maatstaven worden beoordeeld, maar kan ook een kwestie zijn van tijd, moeite en energie.37
Het voorgaande laat onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin het beperkte karakter van de inbreuk mogelijk geen (onvoorwaardelijk) verbod rechtvaardigt.38 Daarbij kan worden gedacht aan gevallen die door Verkade zijn aangemerkt als ‘bagatelinbreuken.’ Ik denk hierbij onder meer aan het gebruik van een auteursrechtelijk beschermd graffitiwerk in een computerspel39 of een auteurs- en merkenrechtelijk beschermde flipperkast in een film.40 Een ander voorbeeld is het voornoemde geval waarin een stofoctrooi wordt ingeroepen, terwijl de stof vrijwel geheel verdwenen is in een groter geheel en het verder geen functie vervult.41
Relevant zijn verder de inbreuken die weliswaar serieus genomen moeten worden, maar onvoldoende substantieel zijn om een verbod te rechtvaardigen.42 Dit kan zo zijn omdat het inbreukmakende element een ondergeschikte rol vertolkt ten opzichte van niet-inbreukmakende elementen. Overname van een auteursrechtelijk beschermde afbeelding in een boek dat enkele honderden pagina’s telt, kan bijvoorbeeld ook een inbreuk opleveren. Het beperkte karakter van deze inbreuk zal echter niet altijd rechtvaardigen dat de boeken uit de handel worden genomen.43 Een ander voorbeeld is het geval waarin een onderneming huidpleisters voor pijnstilling op de markt wil brengen. Daarbij kan op grond van statistisch bewijs worden aangenomen dat het productieproces een bepaalde foutmarge bevat, waardoor een gedeelte van de pleisters binnen de conclusies van een geldig octrooi valt.44 Als niet kan worden vastgesteld om welk gedeelte het gaat, kan een verbod betekenen dat de inbreukmaker elk product afzonderlijk moet testen (en het vervolgens moet vernietigen). Een aangepaste veroordeling is in een dergelijk geval bittere noodzaak om onaanvaardbare overloopeffecten te voorkomen.45
Ten slotte kan nog worden gedacht aan gevallen waarin een verbod weliswaar geen rechtmatige activiteiten raakt, maar aanzienlijke bijkomende kosten meebrengt. Zo vereist het gebruik van een medisch hulpmiddel doorgaans training van artsen en verpleegkundigen.46 De kosten die met zulke opleiding gepaard gaan vormen op zichzelf geen reden om af te zien van een verbod.47 Dit kan echter anders zijn als het ingeroepen recht een beperkte beschermingsduur heeft.48 Als de gevolgen van het verbod ingrijpend en langdurig zijn, kan dit het oordeel rechtvaardigen dat zij niet worden gerechtvaardigd door het (beperkte) exclusiviteitsbelang van de rechthebbende.49