Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/4.6
4.6 De ruimte van bestuursorganen: beleidsvrijheid, beoordelingsruimte en vage normen
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Fraai verwoord in ABRvS 21 december 2005, JB 2006/33.
ABRvS 9 mei 1996, JB 1996/158 (Maxis en Praxis). Voor verdere voorbeelden verwijs ik naar Stijnen `Evenredigheidstoetsing door de bestuursrechter', NJB 2003/37.
Ondermeer Schldssels, 'Het specialiteitsbeginsel. Een verkenning van recente rechtspraak', JBplus 2001/1 en Schreuder-Vlasblom, 'Iets kroms dat verbogen is; het Nederlands bestuursprocesrecht naar de leer van prof. Tak', In: Het model Tak: Verhoogde rechtsbescherming in het bestuursrecht? (2006) p. 7 e.v. Een zeer korte greep uit de jurisprudentie: ABRvS 22 mei 2002, JB 2002/170 (planologisch bordeelverbod is niet toegestaan); 18 september 2002,AB 2003/57 (geluidhinder geen belang bij ordening scheepvaartverkeer); 9 maart 2005, AB 2005/145 (het stellen van eisen aan eigendom en verhuur van vakantiewoningen past niet in bestemmingsplan) en 21 december 2005, JB 2006/33 (nadeelcompensatie; zie vooral overweging 2.7.1).
Zo ook De Haan, Drupsteen en Femhout, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat. Deel 1(2001), p. 99 en Polak, 'Enkele aspecten van rechterlijke toetsing van overheidshandelen. Over activistische en defensieve rechters', NJB 2008/857, p. 1090-1091.
Zie in dit verband ABRvS 26 februari 2003, AB 2003/265 en 25 augustus 2004, JB 2004/347.
Zie PG Awb III, p. 39. In de uitkeringssfeer is contra legem beslissen minder bezwaarlijk dan wanneer het gaat om een vergunningverlening. Vergelijk bijvoorbeeld CRvB 2 september 1998, JB 1998/221 en 21 januari 2006, AB 2006/189 met ABRvS 26 oktober 2005, JB 2006/8. Maar ook daar waar geen sprake is van derdebelangen is de Afdeling strenger dan de Centrale Raad. Vergelijk ABRvS 12 april 2006, JB 2006/151 met CRvB 3 juli 2001, RSV 2001/237.
Duk, `Beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid', RM Themis 1988/4. Zie in navolging daarvan Stroink en Schb5ssels, Algemeen bestuursrecht. Een inleiding (2000), p. 38-40; Ten Berge en Michiels, Besturen door de overheid (2001), p. 249-250; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht (2008), p. 147-148 en Van der Linden, 'De mantra der zorgvuldigheid: tussen de marges van de marginale toetsing van het bestuurlijk geloofwaardigheidsoordeel', in: Het bestuursrecht beschermd (2006).
Maar niet altijd. In het vreemdelingenrecht is sprake van beoordelingsvrijheid met betrekking tot de feitenvaststelling zelf. Zie bijvoorbeeld ABRvS 15 november 2002,AB 2003/96. Zie voorts bondig hierover Verburg, De bestuursrechtelijke uitspraak en het denkmodel dat daaraan ten grondslag ligt (2008), p. 172-174.
ABRvS 28 april 2004, JB 2004/236.
Onder meer Duk, 'Beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid', RM Themis 1988/4, p. 161; Stroink en Schb5ssels, Algemeen bestuursrecht. Een inleiding (2000), p. 40-41; Ten Berge en Michiels, Besturen door de overheid (2001), p. 249-250; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht (2008), p. 149-151; Doets en Tillema, 'Toezicht en handhaving', in: Handboek Marktmisbruik (2008), p. 408; de noot van Vermeulen bij ABRvS 21 september 2005, AB 2006/52; de noot van Peters bij Hof Amsterdam 6 oktober 2005, JOR 2006/12 en de noot van OverkleeftVerburg bij CBb 28 april 2006, JB 2006/202.
Zo ook Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (2011), p. 518. Zie voorts De Haan, Drupsteen en Femhout, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat. Deel 1(2001), p. 99. Zij achten het niet verhelderend de ruimte die de wet aan bestuursorganen laat om besluiten te nemen direct in verband te brengen met de indringendheid van rechterlijke toetsing. Dit bezwaar onderschrijf ik als zodanig wel, maar niet hun onderbouwing daarvan. Weliswaar bepaalt de rechter uiteindelijk de mate van indringendheid van zijn toetsing, maar feit is dat de rechter wel een dergelijk onderscheid maakt in de mate van toetsing. Dit is het duidelijkst bij het onderscheid tussen gebonden bevoegdheden en beleidsvrijheid. De toetsing in geval van beoordelingsruimte valt daar ergens tussen. Of sprake is van beoordelingsruimte is een rechtsvraag waarover de rechter zich uiteraard ten volle buigt. Zie voorts De Waard, 'De matigende rechter. Evenredigheid en bestuurlijke boeten', in: Bestuursrecht harmoniseren 15 jaar Awb (2010), die op p. 474 (onder aanhaling van literatuur) spreekt van objectieve en subjectieve beoordelingsruimte, waarbij subjectieve beoordelingsruimte dan correspondeert met beoordelingsvrijheid.
In de strafrechtelijke context wordt de term 'kwalificatie' gebruikt in verband met de vraag welk strafbaar feit het op de grondslag van de tenlastelegging bewezen verklaarde oplevert (art. 350 Sv). Het verschil met het bestuursrecht vormt hier de tenlastelegging, die staat tussen feit en norm (net als een beschikking). Voor het overige is er geen principieel verschil in begripsvorming, met dien verstande dat in het strafrecht uiteraard geen sprake is van beoordelingsruimte voor het OM bij de vraag of het bewezen verklaarde strafbaar is. Maar dit laatste geldt voor bestraffende sancties in het bestuursrecht evengoed. Zie voor dit laatste bijvoorbeeld Rb Rotterdam 10 oktober 2006, LJN AZ0060.
De feitenvaststelling wordt wel vol getoetst. Zie voor een duidelijk voorbeeld CBb 12 september 2006, JOR 2007/14 (VPV). Zie voorts Duk, 'Beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid', RA/ Themis 1988/4, p. 161. In het vreemdelingenrechter is dit anders omdat de beoordelingsruimte ziet op het asielrelaas zelf. Zie Verburg, De bestuursrechtelijke uitspraak en het denkmodel dat daaraan ten grondslag ligt (2008), p. 172-174.
In de hiervoor genoemde literatuur wordt ook uitgegaan van een dergelijke volle toetsing.
Zie ABRvS 19 juli 2006, LJNAY4242, waarin de Afdeling oordeelde dat uit de ruime omschrijving van de bestemming en de daartoe gehanteerde, volgens het bestuur niet zeer vastomlijnde, planvoorschriften niet volgt dat het bestuur een beoordelingsruimte heeft, waarvan de rechtbank de uitkomst slechts terughoudend kan toetsen.
In gelijke zin begrijp ik Verburg die het niet zinvol acht een terminologisch onderscheid te maken tussen beoordelingsvrijheid en beoordelingsruimte. Zie Verburg, De bestuursrechtelijke uitspraak en het denkmodel dat daaraan ten grondslag ligt (2008), p. 78.
Twee recente voorbeelden: ABRvS 20 mei 2009, AB 2010/217 (beoordelingsruimte) en CRvB 13 juli 2010, L/NBN2176 (beoordelingsvrijheid). Zie verder de in dit verband genoemde jurisprudentie in Stijnen, `De betrouwbaarheidstoetsing van bestuurders van financiële instellingen door de AFM en DNB', FR 2007/1-2, p. 15-16.
PG Awb III, p. 38.
PG Awb III, p. 38. Zie in diezelfde zin ook het nader rapport, PG Awb III, p36.
PG Awb III, p. 39.
Klap en Olivier, 'Beleidsregels', NJB 1998/17, voetnoot 24. Zie ook mijn noot bij CRvB 3 juli 2001, RSV 2001/237.
Valenteijn, Brëring, Van Montfort en Damen, Algemeen bestuursrecht 2001: Beleidsregels (2001), P. 5.
Zie ook Brëring, Beleidsregels (1998), p. 29 en de noot van Stroink bij ABRvS 28 april 2004, J73 2004/236.
In CBb 1 maart 2007, JOR 2007/121 lijkt het CBb dit onderscheid uit het oog te hebben verloren omdat het de beoordelingsruimte hier rechtstreeks in verband brengt met art. 3:4 Awb. De parlementaire geschiedenis is op dit punt overigens ambivalent. De regering suggereert namelijk dat de rechter ter zake van een bevoegdheid met beoordelingsvrijheid kan bezien of de door het bestuur gegeven beoordeling voldoet aan het evenredigheidspostulaat van art. 3:4 lid 2 Awb, maar voegt daar aan toe dat wellicht de maatstaf is te prefereren of het bestuur in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Zie PG Awb I, p. 214.
Bevestigend PG Awb III, p. 299 en Bffiring, Beleidsregels (1998), p. 103. Volgens Bffiring wordt in dat geval de vraag naar de inherente afwijkingsbevoegdheid bepaald door het doel van het voorschrift. Zie ook bevestigend CBb 29 mei 2001, LJN AB1983 (de uitleg van het begrip bijzondere gevallen in art. 29 lid 1 Pensioen- en verzekeringswet).
Zie ook Klap en Olivier, 'Beleidsregels', NJB 1998/17, p. 779 en Tollenaar, 'Het is maar wat je bijzonder noemt. Rechterlijke toetsing aan beleid en gedragsregels', JBplus 2006/4, p. 182-183.
Bffiring, Beleidsregels (1998), p. 104.
Een fraai voorbeeld vormt CRvB 4 juli 2006, RSV 2006/239.
Het materiële bestuursrecht wordt gekenmerkt door een wirwar aan bijzondere regelgeving waarin aan bestuursorganen specifieke taken worden opgedragen en aan wie daartoe bevoegdheden worden toegekend. Bestuursorganen zullen in ieder geval zijn toegerust met de taak om ter behartiging van (deelaspecten van) het algemeen belang besluiten te nemen als bedoeld in art. 1:3 Awb.1 Vaak wordt het bestuur ter uitvoering van een publieke taak opgedragen om ook zelf algemeen verbindende voorschriften vast te stellen, maar in ieder geval zullen bestuursorganen beschikkingen kunnen nemen waarin zij al dan niet op aanvraag eenzijdig de rechtsverhouding met de burger vaststellen. Die beslissingsbevoegdheid kan verschillend zijn genormeerd. Vooral in het kader van de socialezekerheidswetgeving, maar ook daarbuiten, is vaak sprake van gebonden bevoegdheden. Het bestuursorgaan heeft dan in feite de opdracht de wet toe te passen. Indien na feitenvaststelling sprake blijkt van een recht op uitkering dan dient die uitkering te worden toegekend. Met name in het omgevingsrecht heeft het bestuur vaak een discretionaire bevoegdheid, ook wel beleidsvrijheid genoemd.2 Het gaat hier om de zogeheten 'kan' -bepalingen, dat wil zeggen wettelijke bepalingen die het bestuur de keuze bieden om iets wel of niet te doen. Die bevoegdheid is zeker niet onbegrensd. Het specialiteitsbeginsel brengt enerzijds met zich dat iedere bestuurswet enkel op haar eigen doelgebonden gebied mag worden toegepast,3 terwijl binnen dat kader een belangenafweging dient plaats te hebben (art. 3:4 lid 1 Awb). De uitkomst van die belangenafweging is dan onderworpen aan een zogeheten 'marginale' evenredigheidstoetsting door de rechter (art. 3:4 lid 2 Awb), hetgeen — zoals hiervoor bleek — tevens een willekeurstoets voor lagere regelingen inhoudt. Daarnaast dient voorts een volle toetsing plaats te hebben aan andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur (denk vooral aan het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel).4 Ook die toetsing kan in dit kader — dus ingeval van een discretionaire bevoegdheid — plaatshebben binnen het raamwerk van art. 3:4 lid 2 Awb, omdat ook deze beginselen in de vorm van zwaarwegende belangen meegewogen kunnen worden. Zij vormen als het ware een evenredigheidstoets in ruime zin, zeker waar ook derdebelangen in het geding zijn.5 De toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur hoeft ingeval van beleidsvrijheid dan ook niet tot zogeheten contra legem-beslissingen te leiden, zoals in incidentele gevallen wel gebeurt bij gebonden bevoegdheden.6
In navolging van Duk wordt in de literatuur van beleidsvrijheid onderscheiden beoordelingsvrijheid.7 Van beoordelingsvrijheid wordt gesproken indien het bestuur door de wetgever een exclusieve beoordelingsbevoegdheid is toegekend. Het gaat hier gewoonlijk om de feitenwaardering.8 Dat wil zeggen om de vraag of de feiten voldoen aan een vage norm. Veelal is dit verwoord met de formule 'naar zijn oordeel' of een vergelijkbare zinsnede, maar lang niet altijd. Soms is een begrip dermate subjectief dat de wetgever blijkbaar voor ogen heeft gestaan dat het bestuur dit begrip inkleurt. In die gevallen moet het bestuur beoordelen of aan de voorwaarde is voldaan die een bevoegdheid van het bestuur in het leven roept. De rechter dient die uitleg dan op redelijkheid te toetsen en niet zijn eigen uitleg als maatstaf te geven. Het verschil tussen beide 'vrijheden' is niet alleen van theoretisch belang. Indien sprake is van een combinatie van beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid zal het bestuur namelijk eerst moeten beoordelen of aan de voorwaarde is voldaan om gebruik te kunnen maken van een discretionaire bevoegdheid.9 Van beoordelingsruimte wordt doorgaans gesproken waar een vage term door het bestuur moet worden uitgelegd, welke uitleg door de rechter ten volle getoetst wordt.10 Deze onderscheidingen als zodanig acht ik zonder meer nuttig, maar ik deel de voorkeur voor de term beoordelingsvrijheid niet.11 Ik prefereer hier de (meer omvattende) term beoordelingsruimte, alleen al omdat het bestuur helemaal niet vrij is zich een oordeel te vormen, maar slechts de exclusieve bevoegdheid heeft tot een beoordeling van de feiten te komen (al dan niet in het licht van de uitleg van een vage wettelijke term). Die kwalificatie12 wordt dan — anders dan de feitenvaststelling13 — door de rechter op redelijkheid getoetst. Dit is de 'ruimte' die de rechter het bestuur in navolging van de wetgever laat. Bij beleidsvrijheid is dit anders. Daar heeft het bestuur de discretionaire bevoegdheid (binnen een bepaalde marge) iets wel of niet te doen, een (genormeerde) "vrijheid" derhalve. Daar waar de rechter zich ten volle buigt over de uitleg van een vage wettelijke term heeft het weinig zin om de bestuurlijke voorzet nog te kwalificeren als beoordelingsruimte.14 In de jurisprudentie kom ik deze term in die betekenis ook niet tegen.15 Dat het bestuur door het nemen van een besluit eerst een voorzet moet doen doet hier niet aan af, dit is inherent aan de centrale plaats die het besluit in het bestuursrecht inneemt. De niet exclusieve bevoegdheid van het bestuur tot uitleg van een vage term zou ik derhalve niet willen duiden als beoordelingsruimte.16 Voor zover hier al sprake is van enige ruimte is het een voorlopige. De jurisprudentie geeft overigens geen eenduidig beeld omtrent het gebruik van de termen beoordelingsruimte en beoordelingsvrijheid waar het gaat om de kwalificatie van de feiten.17
Beleidsregels kunnen gelet op art. 1:3 lid 4 Awb betrekking hebben op de afweging van belangen (beleidsvrijheid), maar ook op de vaststelling van feiten en op de uitleg van wettelijke voorschriften. Waartoe moeten we de beleidsvrijheid, de beoordelingsruimte en de interpretatieruimte rekenen? Hier leveren de parlementaire geschiedenis van de Derde tranche van de Awb en de literatuur de nodige hoofdbrekens op. Met betrekking tot de zogeheten `binnenwettelijke' beleidsregels waarin sprake is van `beoordelings- of beleidsvrijheid' en de zogeheten 'buitenwettelijke' beleidsregels (inzake taken waarover de wetgever in het geheel niets heeft bepaald) spreekt de MvT van 'regels omtrent de afweging van belangen of de vaststelling van feiten' 18 Hier lijkt de regering aldus de kwalificatie van feiten in het kader van wat ik beoordelingsruimte noem te rubriceren onder de afweging van belangen en/of feitenvaststelling. In de MvT wordt echter voorts opgemerkt dat bij beleidsregels omtrent de vaststelling van feiten vooral valt te denken aan 'regels betreffende de wijze waarop bepaalde grootheden — bijvoorbeeld geluidsniveau' s of concentraties van schadelijke stoffen — gemeten worden'.19 In de MvT wordt ingeval het bestuursorgaan niet de ruimte is gegeven om belangen af te wegen, maar toepassing moet geven aan een 'objectief vaag criterium', bijvoorbeeld het criterium 'passende arbeid' in art. 24 lid 1, onder b, Werkloosheidswet, gesproken over wetsinterpreterende regels.20 Klap en Olivier21 menen dat met de vaststelling van feiten in art. 1:3 lid 4 Awb vooral wordt gedoeld op de kwalificatie van feiten omdat men zich immers wel bestuurlijke vrijheid kan voorstellen ten aanzien van feitenkwalificatie, maar minder ten aanzien van de feitenvaststelling. Met Valenteijn c.s.22 houd ik het er op dat beleidsregels die zien op de feitenkwalificatie een vierde categorie beleidsregels vormen naast de drie in de wet onderscheiden categorieën. Deze vierde categorie ligt ergens tussen feitenvaststelling en wetsinterpretatie. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat het vaak moeilijk is om een zuiver onderscheid tussen beide activiteiten te maken.23 Bij beoordelingsruimte gaat het mijns inziens in elk geval niet om een zuivere afweging van belangen.24 De afweging van belangen in het kader van art. 1:3 lid 4 Awb kan namelijk niet los worden gezien van die in art. 3:4 Awb. Het gaat bij belangenafweging in die zin steeds om een discretionaire bevoegdheid. Indien bij beoordelingsruimte al een belangenafweging aan de orde is, is dat er één binnen het raamwerk van de kwalificatie van de feiten, hetgeen ligt in het verlengde van de eis van een zorgvuldige voorbereiding als neergelegd in art. 3:2 Awb. De vraag kan worden gesteld of de in art. 4:84 Awb besloten liggende bijzondere evenredigheidstoets25 kan strekken tot het niet toepassen van de beleidsregel voor zover die ziet op de uitleg van regels.26 Als de regeluitleg onredelijk uitpakt kan immers evengoed worden betoogd dat geen sprake van een bijzonder geval, maar dat de beleidsregel zelf onverbindend is omdat ze een onjuiste regeluitleg bevat.27 Wat betreft beleidsregels inzake de (methode) van feitenvaststelling meen ik met Bröring28 dat die een weerlegbaar rechtsvermoeden kunnen bevatten, zodat het maken van incidentele uitzonderingen geboden kan zijn. Met betrekking tot beleidsregels inzake feitenkwalificatie ten slotte kan ik mij wel gevallen voorstellen waarin de inherente afwijkingsbevoegdheid een rol kan spelen.29