Einde inhoudsopgave
De aantasting van stabiele bestuursrechtelijke rechtsvaststellingen (R&P nr. SB4) 2011/4.3.2.1
4.3.2.1 Rechtshandeling en rechtsgevolg
Mr. R. Ortlep, datum 23-09-2011
- Datum
23-09-2011
- Auteur
Mr. R. Ortlep
- JCDI
JCDI:ADS367522:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk J.H. Nieuwenhuis 1979, p. 9. Verder J. Hijma 1988, p. 5-6.
Vergelijk A.M. Donner 1941, p. 3-5; J.G. Steenbeek 1954, p. 298-299 inclusief verwijzingen. Verder F.J. van Ommeren en G.A. van der Veen 1999, p. 25.
Vergelijk J.G. Steenbeek 1958, p.14-16 indusiefverwijzingen. Zie J. Eggen 1947, p. 2 e.v.; E.M. Meijers 1948, p. 207 e.v. inclusief verwijzingen. Verder W. Duk 1999, p. 58 e.v.; Asser-Hartkamp-Sieburgh 6-111* 2010, nrs. 1-3 inclusief verwijzingen.
PG Awb I, p. 154-155.
Hetzelfde geldt voor de beslissing om een feitelijke handeling te verrichten. Vergelijk ABRvS 13 april 2011, AB 2011, 136, m.nt. Bitter; ABRvS 16 juli 2008, zaaknr. 200707163/1; ABRvS 6 april 2005, AB 2006, 131, m.nt. Bitter; ABRvS 14 september 2005, Gst. 7238, 161, m.nt. Teunissen; AB 2006, 241, m.nt. Van der Grinten en Schuurmans onder ABRvS 16 november 2005, AB 2006, 242. Verder ABRvS 22 augustus 1996, ABkort 1996, 665. Zie ARRvS 13 april 1993, ABkort 1993, 465; ARRvS 2 oktober 1990, ABkort 1990, 1184; Vz. ARRvS 3 april 1990, ABkort 1990, 706; ARRvS 12 juli 1978, AB 1978, 433, m.nt. Stellinga. Of een aankondiging om een feitelijke handeling te verrichten. Vergelijk ABRvS 18 november 2009, JB 2010/9.
Vergelijk CRvB 7 juni 2011, LJN: BQ9392; ABRvS 21 maart 2011, JV 2011/190; CBB 17 augustus 2010, LJN: BN4328; ABRvS 15 juli 2009, AB 2010, 97, m.nt. Boswijk; JB 2009/195; VN 2009/38.6, m.nt. Red.; ABRvS 19 september 2008, zaaknr. 200805008/3 (ongepubliceerd); ABRvS 8 juli 2009, AB 2009, 392, m.nt. Ortlep; ABRvS 8 juli 2009, zaaknr. 200808272/1/V6; CRvB 28 oktober 2008, LJN: BG3650; ABRvS 23 april 2008, zaaknr. 200706498/1; ABRvS 26 juli 2006, JB 2006/260; CRvB 22 maart 2006, RSV 2006/187; ABRvS 15 februari 2006, zaaknr. 200505240/1; CRvB 17 januari 2006, AB 2006, 235, m.nt. Peters; ABRvS 28 april 2004, JB 2004/237; BR 2005/99; ABRvS 27 augustus 2003, zaaknr. 200300862/1; ABRvS 4 februari 2000, AB 2000, 184, m.nt. Michiels; ABRvS 14 mei 1998, zaaknr. H01.97.0604 (ongepubliceerd); ABRvS 27 februari 1997, BR 1997, p. 427. Verder CBB 31 augustus 2001, ABkort 2001, 599; CBB 21 juli 1998, AB 1998, 437, m.nt. Van der Veen; AB-Klassiek 2009, 32, m.nt. Michiels. Zie CBB 27 augustus 1993, ABkort 1993, 1003.
Vergelijk CRvB 25 april 2007, RSV 2007/366; CBB 31 augustus 2001, AB 2001, 374, m.nt. Van der Veen.
ABRvS 30 november 2005, zaaknr. 200503655/1. Vergelijk ABRvS 13 april 2011, AB 2011, 136, m.nt. Bitter; ABRvS 13 april 2011, zaaknr. 201008409/1/H1; CRvB 14 juli 2010, LJN: BN2524; CRvB 8 juni 2010, LJN: BM7454; CBB 5 maart 2010, JB 2010/149; ABRvS 9 september 2009, zaaknr. 200901750/1/H1; ABRvS 9 september 2009, zaaknr. 200902158/1/H1; ABRvS 25 maart 2009, zaaknr. 200805012/1; CBB 2 oktober 2008, AB 2009, 356, m.nt. Sewandono; ABRvS 30 januari 2008, JB 2008/57, m.nt. Timmermans; ABRvS 17 januari 2007, zaaknr. 200603132/1; CBB 28 november 2006, JM 2007/43, m.nt. Van Herwijnen; ABRvS 12 juli 2006, zaaknr. 200508588/1; ABRvS 12 juli 2006, zaaknr. 200508636/1; ABRvS 22 maart 2006, JM 2006/50, m.nt. Pieters; BR 2006/115, m.nt. De Vries; ABRvS 21 december 2005, zaaknr. 200502849/1; ABRvS 14 december 2005, zaaknr. 200503410/1; ABRvS 22 juni 2005, JE 2005/247; ABRvS 12 januari 2005, zaaknr. 200404184/1; ABRvS 5 november 2003, JB 2004/7, m.nt. Schliissels; ABRvS 5 maart 2003, zaaknr. 200204909/1. Verder CRvB 21 oktober 1998, AB 1999, 34; JB 1998/265; RSV 1999/18; USZ 1998/326; ABRvS 29 augustus 1996, JB 1996/229; Gst. 7042, 6, m.nt. De Gier; AB 1996, 492, m.nt. Van Buuren; Rawb 1997, 17, m.nt. De Gier; ABRvS 2 april 1996, AB 1996, 293, m.nt. Brenninkmeijer; Gst. 7033, 4, m.nt. Hennekens
Vergelijk J.G. Steenbeek 1976A, p. 47. Verder C.W. van der Pot 1932, p. 202. Voorts A.Q.C. Tak 2008B, p. 574; V. van den Brink 2002, p. 31; F.J. van Ommeren en G.A. van der Veen 1999, p. 25. Zie P.J. de Kanter 1928, p. 6 e.v. inclusief verwijzingen.
Vergelijk M. Schreuder-Vlasblom 2011, p. 147 e.v.; R.J.N. Schliissels en S.E. Zijlstra 2010, p. 246 e.v.; W. Konijnenbelt 2009, p. 318-319; A.Q.C. Tak 2008B, p. 582 e.v.; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 164 e.v.; S. Pront-van Bommel 2002, p. 52 e.v.; F.J. van Ommeren 2000, p. 113-124; F.J. van Ommeren en G.A. van der Veen 1999, p. 35 e.v. inclusief verwijzingen. Zie Ch.W. Backes en F.C.M.A. Michiels 1989, p. 175-182; F.C.M.A. Michiels 1987, p. 106 e.v.; W. Konijnenbelt 1985, p. 334-335 inclusief verwijzingen.
F.J. van Ommeren 2000, p. 114 e.v. inclusief verwijzingen. Zij in het bijzonder gewezen op ABRvS 8 juni 2011, zaaknr. 201010775/1/H1; ABRvS 15 december 2010, JB 2011/31; ABRvS 8 juli 2009, AB 2009, 363, m.nt. Ortlep; JB 2009/182; ABRvS 23 juli 2003, JB 2003/259, m.nt. Albers; AB 2003, 413, m.nt. De Gier; ABRvS 20 november 1998, AB 1999, 82, m.nt. Michiels; Rawb 1999, 40, m.nt. Michiels. Verder ABRvS 30 juli 2003, zaaknr. 200204096/1.
Vergelijk CRvB 7 oktober 2005, RSV 2006/176; CRvB 23 december 2002, RSV 2003/92; JB 2003/70; USZ 2003/94; CRvB 17 april 2002, RSV 2003/62; USZ 2002/216; CRvB 24 januari 2001, AB 2002, 33, m.nt. Pennings; RSV 2001/139; USZ 2001/77.
Vergelijk ABRvS 15 februari 2006, zaaknr. 200504745/1; ABRvS 23 november 2005, zaaknr. 200503771/1; ABRvS 18 augustus 2004, AB 2005, 106, m.nt. Nijmeijer; JB 2004/344; Gst. 7220, 213, m.nt. De Gier. Zie ABRvS 28 januari 2009, AB 2009, 130, m.nt. Vermeer.
Vergelijk ABRvS 14 mei 2008, zaaknr. 200700622/1.
Vergelijk ABRvS 16 maart 2011, zaaknr. 201007637/1/H1; ABRvS 13 oktober 2010, zaaknr. 200910243/1/H1; ABRvS 16 april 2008, zaaknr. 200705231/1; ABRvS 17 mei 2006, zaaknr. 200506293/1; ABRvS 25 januari 2006, zaaknr. 200502157/1; ABRvS 27 juli 2005, Gst. 7239, 170, m.nt. Teunissen; ABRvS 9 februari 2005, zaaknr. 200404089/1; ABRvS 3 november 2004, zaaknr. 200400840/1; ABRvS 27 oktober 2004, zaaknr. 200402988/1; ABRvS 4 augustus 2004, JB 2004/320; ABRvS 24 maart 2004, zaaknr. 200306143/1.
ABRvS 8 juli 2009, AB 2009, 363, m.nt. Ortlep; JB 2009/182. Vergelijk ABRvS 15 december 2010, JB 2011/31.
ABRvS 24 maart 2004, zaaknr. 200306143/1.
Vergelijk ABRvS 29 november 1996, AB 1997, 66, m.nt. Van Buuren; BR 1997, p. 247; JB 1996/253; Rawb 1997, 37, m.nt. Schueler; Gst. 7047, 5, m.nt. Hennekens. Verder ABRvS 30 maart 2011, JB 2011/132, m.nt. Overkleeft-Verburg; ABRvS 17 februari 2010, JB 2010/99, m.nt. Peters; AB 2010, 194, m.nt. Vermeer; ABRvS 7 februari 2007, JB 2007/57; AB 2007, 112, m.nt. Peters; Gst. 7285, 144, m.nt. Timmermans; CRvB 15 september 2005, TAR 2006/15; Vz. ABRvS 14 mei 2004, JB 2004/253, m.nt. Peeters; ABRvS 21 mei 2003, AB 2003, 312; JB 2003/172; ABRvS 29 april 2003, AB 2003, 254, m.nt. Van Hall; JB 2003/149, m.nt. Stroinkt ABRvS 18 juli 2001, JB 2001/214, m.nt. Keinemans. Verder ABRvS 3 januari 2007, AB 2007, 224, m.nt. Den Ouden; JB 2007/31, m.nt. Bok; ABRvS 6 september 2006, zaaknr. 200508850/1; ABRvS 4 augustus 2004, zaaknr. 200306015/1; ABRvS 28 mei 2003, JB 2003/189, m.nt. Peeters. Zie CBB 4 juli 2001, LJN: AB2522; CBB 4 juli 2001, LJN: AB2523.
ARRvS 12 april 1979, AB 1979, 369, m.nt. Stellinga. Verder Vz. ARRvS 8 juli 1980, AB 1980, 609, m.nt. Stellinga. Vergelijk F.C.M.A. Michiels 1987, p. 95 inclusief verwijzingen.
Wet van 1 mei 1975, Stb. 1975, 284.
Vergelijk R.J.N. Schliissels 2003A, p. 28 e.v.; F.J. van Ommeren 2000, p. 115 e.v. inclusief verwijzingen.
Vergelijk ABRvS 8 juli 2009, AB 2009, 363, m.nt. Ortlep; ABRvS 23 juli 2003, JB 2003/259, m.nt. Albers; AB 2003, 413, m.nt. De Gier. Verder S. Pront- van Bommel 2002, p. 53 e.v.; F.J. van Ommeren 2000, p. 115-116 en p. 122-123 inclusief verwijzingen. Zie omtrent artikel 39 tweede lid Wet bodembescherming (een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit) ABRvS 22 juni 2005, AB 2005, 332, m.nt. Warendorf; JB 2005/246; M&R 2005, 102, m.nt. Van den Broek; ABRvS 30 juni 2004, AB 2005, 9, m.nt. Blomber& JM 2005/3, m.nt. Van der Molen; JB 2004/291.
Vergelijk M. Schreuder-Vlasblom 2011, p. 148.
Vergelijk W. Duk 1999, p. 57. Zie R. Kranenburg 1946, p. 68 e.v.; J.G. Steenbeek 1958, p. 40 e.v.; J. Eggens 1958; Asser-Scholten 1974, p. 52 e.v. inclusief verwijzingen. Verder M. Adams 2010, p. 281-282 inclusief verwijzingen.
Het belangrijkste vereiste van het besluitbegrip is — hetzelfde geldt voor een overeenkomst1 — dat er sprake is van een rechtshandeling2; dit ter onderscheiding van een feitelijke handeling. Zowel een rechtshandeling als een feitelijke handeling is een rechtsfeit, met dien verstande dat een rechtshandeling een bijzonder rechtsfeit is waarin, anders dan in een feitelijke handeling, de wil van het rechtssubject een doorslaggevende rol speelt.3
Een rechtshandeling is volgens de parlementaire geschiedenis van artikel 1:3 Awb gelijk aan een handeling die gericht is op enig rechtsgevolg.4 Is een handeling niet gericht op enig rechtsgevolg, dan is er geen sprake van een rechtshandeling.5
Het rechtsgevolg waarop een rechtshandeling (besluit) is gericht dient van die rechtshandeling afhankelijk te zijn; is een rechtsgevolg niet afhankelijk van een rechtshandeling maar vloeit het rechtstreeks voort uit bijvoorbeeld de wet, dan is er in de regel, vergelijk paragraaf 5.3.3.3, geen sprake van een besluit ex artikel 1:3 eerste lid Awb.6 Het voorgaande gaat bijvoorbeeld ook op in het geval het rechtsgevolg rechtstreeks voortvloeit uit een verordening naar EU-recht.7
Het betreft in dat geval een feitelijke handeling. Dat er sprake is van een feitelijke handeling wil niet zeggen dat een dergelijke handeling geen rechtsgevolgen met zich kan brengen. Wanneer bijvoorbeeld een onrechtmatige daad een feitelijke handeling betreft, dan veroorzaakt zij wel een rechtsgevolg, te weten de plicht om schadevergoeding te betalen.
Wat onder rechtsgevolg verstaan kan worden, is af te leiden uit de volgende rechtsoverweging van de ABRvS in haar uitspraak van 3o november
20058:
`Onderhavige afwijzing betreft een weigering om feitelijke handelingen te verrichten, waardoor geen rechten, plichten, een bevoegdheid of een status worden gecreëerd of teniet gedaan [cursivering, RO].'
Deze cursief weergegeven zinsnede kan samengevat worden als een 'een wijziging in de wereld van het recht'.9
Blijkens de jurisprudentie hoeft er niet altijd sprake te zijn van een rechtshandeling om van een besluit te kunnen spreken. Hier is bijvoorbeeld te wijzen op de jurisprudentie met betrekking tot een bestuurlijk rechtsoordeel.10 Een bestuurlijk rechtsoordeel is - in de woorden van F.J. van Ommeren 'een oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van publiekrechtelijke voorschriften, waarvan de toepassing tot de bevoegdheid van het bestuursorgaan behoort'.11
Uit de jurisprudentie volgt dat onder de woorden 'publiekrechtelijke voorschriften' tevens een verordening naar EU-recht begrepen moet worden. Dit betekent dat een oordeel van het bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een bepaling van een dergelijke verordening, waarvan de toepassing tot zijn bevoegdheid behoort, onder bepaalde omstandigheden met een besluit gelijkgesteld wordt.12 Hieronder volgen verder enkele hoofdlijnen uit de jurisprudentie over een bestuurlijk rechtsoordeel.
De mededeling dat een vergunning is vereist of de mededeling dat geen vergunning is vereist, is geen besluit. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt, in de zin dat een dergelijke mededeling met een besluit gelijk wordt gesteld, indien het doen van een aanvraag voor een vergunning onevenredig bezwarend is dan wel indien het doen van een verzoek tot het treffen van handhavingsmaatregelen wegens het intreden van onomkeerbare gevolgen of anderszins onevenredig bezwarend is.13 Hetzelfde is het geval wanneer het bestuursorgaan weigert een oordeel te geven over de vraag of voor het verrichten van een bepaalde handeling een vergunning is vereist.14 Verder is de mededeling over de uitleg van een bestemmingsplan evenmin een besluit. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt, in de zin dat een dergelijke mededeling met een besluit gelijk wordt gesteld, indien het doen van een aanvraag onevenredig bezwarend is dan wel indien het doen van een verzoek om het treffen van handhavingsmaatregelen wegens het intreden van onomkeerbare gevolgen of anderszins onevenredig bezwarend is.15
Uit de uitspraak van de ABRvS van 8 juli 200916, waarin het bestuursorgaan had aangegeven welke geluidsnormen voor bepaalde activiteiten ter plaatse gelden, volgt dat om een bestuurlijk rechtsoordeel met een besluit gelijk te stellen in ieder geval is 'vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit, met name betreffende handhaving of vergunningverlening, bij de bestuursrechter aan de orde te stellen'. Daarenboven heeft de Afdeling in deze uitspraak de strekking van haar uitspraak van 24 maart 200417 herhaald dat 'de enkele onzekerheid of een bepaalde activiteit mag worden voortgezet het afwachten van een handhavingsbesluit nog niet tot een onevenredig bezwarende weg' maakt.
Een bijzondere vorm van een bestuurlijk rechtsoordeel is de schriftelijke reactie van het bestuursorgaan op een verzoek om aanwending van een bepaalde bestuursbevoegdheid, inhoudende dat die bevoegdheid niet bestaat of zich niet uitstrekt tot het voorgelegde geval. Een dergelijke reactie wordt met een besluit gelijkgesteld, tenzij evident geen bevoegdheid voorhanden is waarop inwilliging van een verzoek gebaseerd zou kunnen worden.18 Ten aanzien van het laatste kan reeds gewezen worden op de uitspraak van de ARRvS van 12 april 197919, waarin is geoordeeld dat nu er geen wettelijke bepaling is aan te wijzen waaruit de bevoegdheid van de minister zou voortvloeien de procureur-generaal bij de Hoge Raad opdracht te geven tot het instellen van beroep in cassatie in het belang der wet, de beslissing van de minister op het schriftelijke verzoek daartoe geen beschikking ex artikel 2 eerste lid Wet Arob20 is.
Een bestuurlijk rechtsoordeel is geen rechtshandeling, daar een dergelijk rechtsoordeel slechts inzicht geeft in de rechtsgevolgen die de toepassing van de wet of het overige objectieve recht met zich meebrengen.21 In dat licht is het rechtens onzuiver om een bestuurlijk rechtsoordeel als een besluit aan te merken22 in plaats van met een besluit gelijk te stellen.23 Met het laatste wordt namelijk een fictie (verzonnen feit) vermeden, aangezien een gelijkstelling niets fictiefs heeft.24