Rechtbank Noord-Nederland 19 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3680.
HR, 10-04-2026, nr. 25/02723
ECLI:NL:HR:2026:576
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-04-2026
- Zaaknummer
25/02723
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:576, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑04‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:178
ECLI:NL:PHR:2026:178, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑02‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:576
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Wvggz. Verzoek om aansluitende zorgmachtiging voor twaalf maanden, art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz; overschrijding beslistermijn art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz; verval machtiging van rechtswege, art. 6:6 lid 2 Wvggz. Hoge Raad doet zelf af, art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz. Aftrek voor dagen dat betrokkene zonder geldige zorgmachtiging was opgenomen?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/02723
Datum 10 april 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/19/151790 / FA RK 25-963 van de rechtbank Noord-Nederland van 19 mei 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank van Noord-Nederland van 19 mei 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de verleende zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026, en tot afdoening door de Hoge Raad door te bepalen dat de verleende zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden, tot en met uiterlijk 19 november 2025.
2. Uitgangspunten en feiten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van 17 mei 2024 heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 17 mei 2025 (hierna: de voorgaande zorgmachtiging).
(ii) Bij verzoekschrift van 28 april 2025 heeft de officier van justitie verzocht ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
(iii) De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 mei 2025.
(iv) Bij beschikking van 19 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank1.ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend, en bepaald dat deze tot en met 17 mei 2026 geldt.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt dat de voorgaande zorgmachtiging was verleend tot en met 17 mei 2025 en dat na het verstrijken van de geldigheidsduur die zorgmachtiging was vervallen. De rechtbank kon om die reden op 19 mei 2025 geen aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden verlenen, maar slechts een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden.
3.2
Deze klacht slaagt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.8.
3.3
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Omdat de zorgmachtiging niet aansloot op een eerdere zorgmachtiging in de zin van art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, kon de rechtbank slechts een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden, op de voet van art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz.
Anders dan het middel bepleit, is er geen grond voor aftrek van de twee dagen dat betrokkene zonder geldige zorgmachtiging was opgenomen (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.10).
Gelet op het voorgaande zal de Hoge Raad de duur van de verleende zorgmachtiging beperken tot zes maanden, dus tot en met 19 november 2025.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 19 mei 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026;
- bepaalt dat de zorgmachtiging geldt tot en met 19 november 2025.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 10 april 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑04‑2026
Conclusie 13‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Wvggz. Duur van nieuwe zorgmachtiging na verval van voorgaande zorgmachtiging (art. 6:5, aanhef en onder a en b, Wvggz; art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, en lid 2 Wvggz). Aftrek?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02723
Zitting 13 februari 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
de officier van justitie in het arrondissementsparket Noord-Nederland,
hierna: de officier van justitie.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 19 mei 2025 ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 17 mei 2026. In cassatie klaagt betrokkene dat de rechtbank slechts een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden had kunnen verlenen, nu de voorgaande zorgmachtiging was vervallen na 17 mei 2025. Deze klacht slaagt, zodat de bestreden beschikking moet worden vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026.
1.2
Ik meen dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen door de geldigheidsduur van de zorgmachtiging te beperken tot zes maanden na de datum waarop zij is verleend, dus tot en met uiterlijk 19 november 2025. Voor aftrek van de dagen waarop aan betrokkene zonder zorgmachtiging verplichte zorg is verleend, zie ik geen aanleiding.
2. Feiten en procesverloop
2.1
Ten aanzien van betrokkene is op 17 mei 2024 een zorgmachtiging verleend tot en met 17 mei 2025 (hierna: de voorgaande zorgmachtiging).
2.2
Bij verzoekschrift, ter griffie ingediend op 28 april 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) verzocht om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 mei 2025. Daarbij zijn gehoord betrokkene, bijgestaan door zijn (waarnemend) advocaat, een verpleegkundig specialist, een begeleider en een co-assistent.
2.4
Ter zitting heeft de advocaat van betrokkene met betrekking tot de duur van de verzochte machtiging het volgende verklaard:1.
“(…) Qua termijn acht betrokkene zes maanden passend, omdat er geen sprake is van een aansluitende machtiging. Er moet een beslissing worden genomen binnen drie weken, maar artikel 6 lid 2 van de Wvggz zegt dat bij verval van een lopende machtiging er sprake is van een nieuwe machtiging die maar voor een maximale duur van zes maanden kan worden verleend.”
2.5
Bij beschikking van 19 mei 20252.(hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend en bepaald dat deze machtiging geldt tot en met 17 mei 2026 (hierna ook: de nieuwe zorgmachtiging).
2.6
Met betrekking tot de geldigheidsduur van de nieuwe zorgmachtiging heeft de rechtbank in de bestreden beschikking als volgt overwogen:
“4.10. (…)
Voor wat betreft de termijn van de opvolgende zorgmachtiging overweegt de rechtbank als volgt. De behandeling van het verzoek door de rechtbank heeft op tijd plaatsgevonden, namelijk binnen drie weken na indiening van het verzoekschrift. Nu de behandeling heeft plaatsgevonden na het einde van de geldigheidsduur van de voorafgaande zorgmachtiging houdt de rechtbank hiermee rekening bij de bepaling van de geldigheidsduur van de nieuwe zorgmachtiging. Nu betrokkene in de periode van 17 mei 2025 tot en met 19 mei 2025 geen vereiste zorgmachtiging had, verleent de rechtbank de zorgmachtiging voor de (verzochte) duur van twaalf maanden, gerekend vanaf de datum waarop de voorgaande zorgmachtiging verstreek, te weten 17 mei 2025. De zorgmachtiging geldt dan ook tot en met 17 mei 2026.”
2.7
Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie op 6 augustus 2025, heeft betrokkene – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank.
2.8
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel bevat één klacht, die is gericht tegen de door de rechtbank bepaalde duur van de zorgmachtiging. Betrokkene klaagt dat het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.10 (zie hiervoor onder 2.6) onjuist dan wel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is. De voorgaande zorgmachtiging was verleend tot en met 17 mei 2025. Na het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande zorgmachtiging was die machtiging vervallen. Daarom kon de rechtbank op 19 mei 2025 geen aansluitende zorgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden verlenen, maar slechts een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden, aldus de klacht.3.
3.2
Wel is volgens betrokkene juist dat de rechtbank de dagen die betrokkene zonder zorgmachtiging was opgenomen in de accommodatie heeft afgetrokken van de duur van de nieuwe zorgmachtiging.4.Een en ander betekent dat de rechtbank in dit geval slechts een zorgmachtiging had kunnen verlenen tot en met uiterlijk 17 november 2025, aldus de klacht.
Duur van de zorgmachtiging
3.3
Voor zover geklaagd wordt dat de rechtbank slechts een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden had kunnen verlenen, slaagt de klacht.
3.4
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt het hiernavolgende juridische kader voor de maximale duur van nieuwe zorgmachtigingen.5.
3.5
Artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.6
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur, bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz is verstreken, dan wel uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur, bedoeld in art. 6:5, onderdeel b, Wvggz is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz echter als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of, voor zover hier van belang, door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend.
3.7
Van aansluiting in de in artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz bedoelde zin kan ook sprake zijn indien de officier van justitie het verzoekschrift tot het verlenen van een vervolgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, heeft ingediend op een later tijdstip dan de in art. 6:6 lid 2 Wvggz bedoelde vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de bestaande machtiging. De rechtbank kan in zo’n geval op grond van artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz een vervolgmachtiging voor de duur van twaalf maanden verlenen door de vervolgmachtiging te verlenen vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de bestaande machtiging verstrijkt. De rechtbank dient wel te onderzoeken of de betrokkene, gelet op het tijdstip waarop de officier van justitie het verzoekschrift heeft ingediend, voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te verweren.
3.8
In dit geval was de voorgaande zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden tot en met 17 mei 2025. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend op 28 april 2025, en dus later dan vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorgaande zorgmachtiging. De rechtbank heeft de nieuwe zorgmachtiging verleend op 19 mei 2025, en dus niet vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de voorgaande zorgmachtiging verstreek en laatstgenoemde zorgmachtiging dus op grond van artikel 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz verviel. Aldus was geen sprake van aansluiting van de nieuwe zorgmachtiging op de voorgaande in de hiervoor onder 3.6 of 3.7 bedoelde zin. De nieuwe zorgmachtiging kon dus niet worden verleend voor de duur van twaalf maanden, maar slechts voor de duur van maximaal zes maanden.
Aftrek?
3.9
Voor zover de klacht inhoudt dat ook bij een geldigheidsduur van maximaal zes maanden een aftrek moet plaatsvinden voor de dagen dat betrokkene zonder geldige zorgmachtiging was opgenomen, slaagt deze niet. Een verplichting tot aftrek in een geval als dit is niet uit de wet of rechtspraak af te leiden.6.Nu het om een wettelijke maximale duur gaat (art. 6:5 Wvggz), staat het de rechter wel vrij een aftrek toe te passen.
3.10
In dit geval zie ik echter geen aanleiding voor het toepassen van aftrek. Dat de rechtbank in de bestreden beschikking de nieuwe zorgmachtiging heeft verleend tot en met uiterlijk 17 mei 2026, leidt er mijns inziens niet toe dat de in duur tot zes maanden beperkte zorgmachtiging dienovereenkomstig tot en met uiterlijk 17 november 2025 verleend zou moeten worden. In de bestreden beschikking werd immers beoogd een aansluitende zorgmachtiging te verlenen. Nu het echter om een nieuwe, initiële machtiging gaat, kan deze op grond van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz voor een periode van maximaal zes maanden na de datum van de bestreden beschikking, dus tot en met uiterlijk 19 november 2025, verleend worden.7.Voor het verlenen van verplichte zorg zonder rechtsgeldige titel voorziet de wet in een andere remedie dan aftrek, immers de mogelijkheid om schadevergoeding te verzoeken (art. 10:12 Wvggz).
Slotsom
3.11
De slotsom luidt dat het cassatieberoep slaagt en dat de bestreden beschikking vernietigd dient te worden, voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026.Naar mijn oordeel kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen doorde duur van de zorgmachtiging te beperken tot maximaal zes maanden na de datum waarop zij is verleend, dus tot en met uiterlijk 19 november 2025.8.
4. Conclusie
De conclusie strekt
- tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank van Noord-Nederland van 19 mei 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de verleende zorgmachtiging geldt tot en met 17 mei 2026; en
- tot afdoening door de Hoge Raad door te bepalen dat de verleende zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden, tot en met uiterlijk 19 november 2025.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑02‑2026
Aldus het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, p. 5.
ECLI:NL:RBNNE:2025:3680. Mondelinge uitspraak van 19 mei 2025 en schriftelijk uitgewerkt op 12 juni 2025.
Het middel verwijst in dit verband naar HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, JGz 2025/17, m.nt. R.B.M. Keurentjes.
Betrokkene verwijst in dit verband naar de conclusie van voormalig A-G Langemeijer van 10 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:365, voor HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842, JVggz 2015/12, m.nt. red.
Zie HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, JGz 2025/17, m.nt. R.B.M. Keurentjes, r.o. 3.2-3.4, onder vergelijkende verwijzing naar HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.4 en HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818, NJ 2021/234, m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/60, m.nt. red., r.o. 3.1.4. Zie ook r.o. 3.1.2 en 3.1.3 van laatstgenoemde uitspraak.
De onder de Wet Bopz gevormde jurisprudentie van de Hoge Raad over aftrek sluit niet aan bij de Wvggz. Zie daarover: W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:5 Wvggz, aant. 3 (publicatiedatum 9 september 2024) en G.J. Baken, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:6 Wvggz, aant. 2.3 (publicatiedatum 6 januari 2026). Het beroep dat betrokkene in de procesinleiding onder 1.4 doet op de onder Wet Bopz genomen conclusie van voormalig A-G Langemeijer van 10 februari 2015, ECLI:NL:PHR:2015:365, voor HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842, JVggz 2015/12, m.nt. red., kan betrokkene dan ook niet baten.
Zoals ik ook al heb betoogd onder 3.14, in het bijzonder voetnoot 11, van mijn conclusie van 13 december 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:1353) voor HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, JGz 2025/17, m.nt. R.B.M. Keurentjes. Aldaar verwijs ik naar HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.7 en HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:972, r.o. 3.5.
Zie voor de berekening van de einddatum van een zorgmachtiging: HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:107, NJ 2021/138, m.nt. J. Legemaate, r.o. 3.6.