Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/8.3.2
8.3.2 Beperking: naar de eisen van deze werkzaamheden
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180199:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen der Staten-Generaal, Bijlagen, Tweede Kamer, vergaderjaar 1933-1934, nr. 72.2 (MvA), p. 5 en paragraaf 2.2.3.4 en Kamerstukken 21 287, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, nr. 3 (MvT), p 3 en paragraaf 2.3.2.
H. Beckman, bewerkt door H. Beckman en E.A. Marseille, Hoofdlijnen van het jaarrekeningenrecht in Nederland, Deventer: Kluwer 2013, tweede druk, p. 34.
Hoge Raad 13 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993, 713, m.nt. J.M.M. Maeijer (Brens q.q./Sarper).
Zie onder meer Gerechtshof ‘s-Gravenhage 20 april 2004, r.o. 3.2, ECLI:NL:GHSGR:2004:AP7925, NJF 2004, 355, Rechtbank Maastricht 22 augustus 1996, r.o. 4.15, ECLI:NL:RBMAA:1996:AG3173, JOR 1997/2, m.nt. J.B. Wezeman, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 januari 2015, r.o. 4.3.2, ECLI:NL:RBZWB:2015:461.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2012, r.o. 4.3, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0445, Rechtbank Utrecht 17 december 2008, r.o. 6.3, ECLI:NL:RBUTR:2008:BG7288.
Rechtbank Gelderland 26 februari 2014, r.o. 2.11, ECLI:NL:RBGEL:2014:4745.
Gerechtshof Leeuwarden 3 april 2012, r.o. 3.5, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW0725. Herhaald in Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8504, JOR 2016/90, m.nt. S.C.M. van Thiel.
Van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon moet een administratie worden gevoerd naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden. In de woorden van Huizink:1
“Maar er is meer: de werkzaamheden van de vennootschap komen even verderop terug in art. 2:10 lid 1 BW, waar wordt voorgeschreven dat de administratie gevoerd moet worden “naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden”. Welke eisen uit welke werkzaamheden voortvloeien blijft gissen, het staat er niet bij.”
Dit is op zichzelf ook juist maar de wetgever heeft zich hierover wel uitgelaten. Uit de parlementaire geschiedenis van de administratieplicht blijkt dat de aard en de omvang van de werkzaamheden van invloed zijn op de eisen die mogen worden gesteld aan de administratie.2 De aard en de omvang van de werkzaamheden bepalen daarmee het kader van de administratieplicht in een concreet geval en met name van hetgeen moet worden verstaan onder alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon. Met andere woorden: met de toevoeging naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden is beoogd duidelijk te maken dat zowel de aard als de omvang van de werkzaamheden van invloed is op de inrichting van de administratie.3
In het door mij al eerder genoemde arrest van de Hoge Raad inzake Brens q.q./Sarper komt de aard en de omvang ook terug.4 In r.o. 3.5 citeert de Hoge Raad de relevante overweging van het gerechtshof waarin de zinsnede “gezien de aard en omvang van de onderneming” is opgenomen als relevant voor de beoordeling of aan de administratieplicht is voldaan. Daartegen is geen cassatieklacht ingediend. Dat het gerechtshof de aard en omvang van de onderneming relevant vond voor de administratieplicht, is verklaarbaar op basis van de parlementaire geschiedenis van artikel 2:14 (oud) BW.
In latere rechtspraak is de aard en omvang van de werkzaamheden voor de beoordeling van de administratieplicht ook terug te vinden.5 Een enkele maal is complexiteit toegevoegd aan de aard en omvang.6 Een andere in de rechtspraak terug te vinden variant op aard en omvang als onderscheidende elementen voor de administratie in een concreet geval is de overweging dat de administratie moet zijn ingericht naar de eisen die voortvloeien uit de werkzaamheden van de vennootschap, op een in vergelijkbare bedrijven gebruikelijke wijze.7 Het Gerechtshof Leeuwarden overwoog in 2012 dat de aan de administratie te stellen eisen afhangen van de aard, opzet en de organisatie van de onderneming:8
“Dat de administratie van een rechtspersoon moet worden gevoerd ‘naar de eisen die voortvloeien uit de werkzaamheden van die rechtspersoon’, brengt mee dat de inrichting van de administratie niet voor iedere rechtspersoon aan dezelfde eisen zal hoeven te voldoen. Die eisen hangen mede af van de aard en opzet, alsmede de organisatie van de onderneming van de rechtspersoon en haar werkzaamheden.”
Ik denk dat de zinsnede “naar de eisen van deze werkzaamheden” in artikel 2:10 BW het best kan worden uitgelegd in lijn met wat daarover in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt, namelijk dat deze afhankelijk is van de aard en omvang van de werkzaamheden. De enkele malen toegevoegde eis van complexiteit voegt naar mijn mening te weinig toe aan aard en omvang om onderscheidend te zijn. Hetzelfde geldt voor opzet en organisatie. Het laat zich allemaal vatten onder de noemer aard en omvang van de werkzaamheden.