Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.2:10.5.2 Rechtshistorische analyse van hoge drempel voor aansprakelijkheid door toerekening
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.2
10.5.2 Rechtshistorische analyse van hoge drempel voor aansprakelijkheid door toerekening
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS348502:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit par. 10.4 blijkt dat de wetgever en de Hoge Raad met de vertegenwoordigingsregels en de toerekeningsleer uitsluitend (i) de mogelijkheid van de totstandkoming van verbintenissen door middel van tussenkomst van derden hebben willen regelen en (ii) recht hebben willen doen aan de hiervoor bedoelde (economische) werkelijkheid van rechtssubjectiviteit van de rechtspersoon, om daarmee het rechtsverkeer te dienen en bescherming te bieden aan derden, die via de daarbij betrokken natuurlijk personen met rechtspersonen van doen hebben (zie par. 10.4.7).
Derden die door middel van tussenkomst van een vertegenwoordiger met de vertegenwoordigde een overeenkomst aangaan, moeten daarop kunnen vertrouwen. Derden moeten de rechtspersoon kunnen aanspreken voor feitelijke gedragingen van natuurlijk personen die betrokken zijn bij deze rechtspersonen en die op zichzelf niet per se onrechtmatig hoeven te zijn, maar wel tot een onrechtmatige daad van de rechtspersoon leiden.
De vertegenwoordigingsregels en het toerekeningsleerstuk hebben géén betrekking op de vraag wanneer de vertegenwoordiger onrechtmatig heeft gehandeld of op de vraag wanneer een (rechts)persoon, wiens handelingen worden toegerekend aan een andere rechtspersoon, onrechtmatig heeft gehandeld. De wetgever en de Hoge Raad hebben met de regels van vertegenwoordiging en met het toerekeningsleerstuk dus ook niet beoogd de vertegenwoordiger of de bestuurder van een rechtspersoon bescherming te bieden tegen onrechtmatige gedragingen van hemzelf. Die bescherming is overigens ook niet nodig omdat de vertegenwoordiger en de bestuurder, als gevolg van de regels van vertegenwoordiging en als gevolg van rechtspersoonlijkheid en rechtssubjectiviteit (zie par. 10.5.3 hierna), per definitie niet aansprakelijk zijn voor de verbintenissen die komen te rusten op de vertegenwoordigde en/of de rechtspersoon. Vanuit een rechtshistorisch perspectief is, gelet op het voorgaande, niet goed te verdedigen waarom de vertegenwoordigingsregels of het toerekeningsleerstuk dat leidt tot ‘primaire’ aansprakelijkheid van een ander dan de feitelijk handelende natuurlijk persoon, zou moeten leiden tot een hogere drempel voor aansprakelijkheid van vertegenwoordigers of bestuurders.