Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/9.7.2
9.7.2 De systematiek van de toetsing aan de subnorm `agressieve handelspraktijk'
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS492425:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Commission des lois 2007, p. 57 en Raymond 2008a, nr. 36.
Het derde lid is duidelijk geïnspireerd door art. 9 onder d richtlijn (art. L.122-11-11 lid 4 C.conso.), dat inhoudt dat bij de toetsing aan de agressiesubnorm rekening wordt gehouden met 'door de handelaar opgelegde, kosten met zich meebrengende of bovenmatige niet-contractuele belemmeringen ten aanzien van rechten die de consument uit hoofde van het contract wil uitoefenen, waaronder het recht om het contract te beëindigen of een ander product of een andere handelaar te kiezen'.
Raymond 2006, nr. 7; 2008a, nr. 16: 'La doi n 'intervient pas au niveau de I 'exécution du contrat mais au niveau de sa formation.'
Het zal volgens Raymond soms moeilijk zijn voor de consument om bewijs aan te leveren voor het causale verband tussen praktijk en overeenkomst: Raymond 2008a, nr. 39.
Dat in een dergelijke procedure van een concreet besluit zal worden uitgegaan, ligt echter niet voor de hand gelet op lid 1 en 2: hieruit blijkt dat een potentieel effect ook voldoet (` de nature ei').
Het gevaar van misvattingen blijkt uit het feit, dat een lezing a contrario van art. L.122-15 C.conso. nodig wordt geacht om tot de conclusie te komen, dat het sluiten van een contract geen vereiste vormt om een agressieve praktijk aan te pakken: Raymond 2008b, nr. 231-232.
Raymond 2008b, nr. 233. Hij relativeert echter zijn standpunt, door erop te wijzen dat de consumentmaatstaf uit art. L.120-1 C.conso. ook bij de subnormen van toepassing is, en dat de toetsing aan de agressiesubnorm niet purement subjective' is: Raymond 2008a, nr. 38. Vgl. Fenouillet 2008 (par. 9.9.2).
Commission des lois 2007, p. 28.
601. De wet en de literatuur wijzen op de 'cumulatieve' systematiek van de Franse agressiesubnorm: enerzijds moet worden vastgesteld of sprake is van één van de gedragsinhoudelijke gezichtspunten (`moyens utilisés') en anderzijds moet de impact van de gebruikte methode op de consument worden vastgesteld.1 Opvallend is dat de kwalificatie 'gemiddelde', in relatie tot de consument, niet in het artikel is opgenomen. Het effectcriterium uit art. L.122-114 C.conso. luidt als volgt:
`1° Elle altère ou est de nature à altérer de manière significative la liberté de choix d'un consommateur;
2° Elle vicie ou est de nature à vicier le consentement d'un consommateur;
3° Elle entrave l'exercice des droits contractuels d'un consommateur.'
Lid 2 en 3 vormen een toevoeging ten opzichte van art. 8 richtlijn. Lid 2 verwijst naar de wilsgebreken. Dat de richtlijn ook betrekking heeft op de periode tijdens en na de sluiting van de overeenkomst (art. 3 lid 1 richtlijn) wordt in lid 3 duidelijk benadrukt.2 In de Franse literatuur wordt de richtlijn ten onrechte slechts op de precontractuele fase van toepassing geacht.3 Het besluitcriterium is wederom niet overgenomen maar ligt besloten in de drie alternatieve effectcriteria. Hierna wordt nagegaan hoe het bestaande recht de wijze van omzetting, inclusief de aan de praktijk gekoppelde sanctie, en de toetsingssystematiek van de agressiesubnorm beïnvloedt.
602. De agressiesubnorm wordt in het licht van het wilsgebrek `violence' (art. 1111 Cc) uitgelegd als een algemene bepaling ter bescherming van de vrije wilsvorming van de consument. Ondanks het feit dat de richtlijn regels inzake rechtshandeling en overeenkomst buiten schot laat (art. 3 lid 2 richtlijn), wordt bij deze subnorm nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de wilsgebrekenregeling (vgl. art. L.122-114lid 2). Aan de agressienorm is daarom, behalve de strafrechtelijke sanctie, ook een individuele contractuele remedie verbonden• de nietigheid van de onder invloed van de agressieve praktijk gesloten overeenkomst (art. L. 122-15 C. conso). Met het oog op art. L. 122-15 zal bij de toepassing van art. L. 122-11-1 lid 1 en 2 in individuele gevallen een 'positief concreet' besluit worden achterhaald. Het 'besluitcriterium' uit art. L. 122-15 betreft echter geen criterium ter vaststelling van de oneerlijkheid maar een 'sanctievoorwaarde'.4 Indien hij van een transactie afziet ('negatief' besluit), bestaat er voor de individuele consument geen remedie (mocht hij niettemin schade hebben geleden). Het risico bestaat, dat ook in het kader van de collectieve toets, van de noodzaak van een 'positief' besluit wordt uitgegaan.5 De uit 2 onder k richtlijn blijkende mogelijkheid van een 'negatief' besluit wordt nergens in de Franse wet vermeld.6
603. Ook de keuze voor een referentieconsument kan door het bestaande recht worden gekleurd. De toetsing aan het effectcriterium in een individuele zaak is in de literatuur subjectief opgevat. De nadruk zou op de bijzondere omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst en de kwetsbare consument moeten liggen (naar analogie met de `abus de faiblesse').7 Dat de agressiesubnorm niet slechts gericht is op de bescherming van de kwetsbare consument, blijkt duidelijk uit de parlementaire geschiedenis. Het verbod op iedere praktijk 'se caractérisant par des méthodes de harcèlement ou par des pressions psychologiques sur le consommateur' is nieuw, aldus de wetgever.8 De agressienorm biedt bescherming aan alle consumenten die te maken krijgen met intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding, terwijl de leer van de `abus de faiblesse' uit art. L.122-8-L. 122-10 C.conso. alleen de zwakkere persoon beschermt. Beide bepalingen staan echter zij aan zij in hoofdstuk 2 van Boek 1titel II betreffende de `pratiques illicites'.